Vlees Noch Vis

Met angst en beven zit ik achter mijn laptop bij het schrijven van dit stukje. Want als er één gepolariseerd onderwerp is waar je het gevaar mee loopt om in één of ander hokje te worden gestopt en te worden verketterd is het wel “vlees eten”. Toen ik kind was, hoorde je er niemand over. Vegetarisme was iets voor andere culturen, of voor een enkele inheemse mantrazingende zonderling met sandalen en vreemde gewaden.

Iedereen was als vanzelfsprekend carnivoor. Iedere zaterdag was het een heel ritueel als mijn moeder met haar rode schort voor een pan met gehaktballen draaide en braadde. Waar we de hele komende week van zouden eten. Op zaterdag waren ze mals en sappig, en op donderdag waren het – door het vele opwarmen – keiharde bremzoute zwarte knikkertjes geworden. Zaterdagavond aten we bij het brood een vers taartaartje of gebakken bloedworst. En doordeweeks kreeg ik gebraden gehakt op de boterham. Niemand die daar vragen bij stelde. En ik vond het lekker.

Mijn eerste vegetariër ontmoette ik op de priesteropleiding. Terwijl ik genoot van elke dag een ander stukje vlees – cordon bleus, procureurslapjes, kipfilet en andere extraordinaire zaken waar ik voordien nooit van had gehoord – en op vrijdag vis – wat ik thuis ook nooit kreeg omdat mijn moeder ervan gruwde en mijn vader bang was voor graten – kreeg Maurice elke dag eenzelfde van sojabonen vervaardigde vegetarische burger, zonder kraak of smaak. Arme jongen.

Trouwens, vis kreeg ik thuis dan wel niet, maar wél bij ome Cors, die paling ving en deze zelf op eikenhout rookte. Als er een wat dikkere paling in zijn fuik zat, stoofde hij hem ter plekke voor bij de borrel. Een enkele keer bestelde ik later in een restaurant nog wel eens een gerecht met paling, maar het viel altijd tegen, want nooit van mijn leven heb ik zulke lekkere gegeten als bij Cors. Dat kwam natuurlijk ook door het goede, soms absurde en hilarische en dan weer diepzinnige gesprek waar de culinaire smulpartij mee gepaard ging.

Inmiddels kook ik zelf meestal vegetarisch. En als ik vlees eet, één of twee keer per week, is het afkomstig van een biologische slager. Zoals de stooflapjes die hierboven in de pan aan het pruttelen zijn. O, wat schandalig lekker. En duur, maar dat is terecht. Geen niet-biologisch vlees meer voor mij, sinds ik een keer per ongeluk, tijdens een wandeling, op een enorme varkensmesterij stuitte, waar ik zag en hoorde hoe de gillende roze dieren met stokken de vrachtwagen naar de slacht werden ingerost. Ik wil geen deel uitmaken van dat systeem.

De komende veertigdagentijd helemaal geen vlees voor mij. De vanzelfsprekendheid ontwennen om andere levende wezens te moeten verorberen om zelf op de been te blijven. En een leuke ontdekkingstocht naar andere, verrassende vegetarische en veganistische lekkernijen.
Al vrees ik dat ik niet alle gezinsleden mee krijg. Want mijn voetballende zoon is er van overtuigd dat zijn grote idool Messi een groot deel van zijn talent dankt aan de enorme hoeveelheden vlees die de Argentijn verschalkt. Tja, wat heb ik dan nog te zeggen?

In deze periode wil ik een serie schrijfsels maken over de ontdekkingstocht naar wat “Vasten” voor mij betekent. Ik wil er wat mee experimenteren. Ik ervaar het niet als een periode van dingen “niet mogen”, maar juist een tijd om aandachtiger stil te staan bij wat er allemaal te ontdekken en te ontvangen valt als je het overbodige weg durft te laten. Misschien wil je wel mee op ontdekkingstocht.

2 gedachten over “Vlees Noch Vis

  1. Els

    Wat lijkt onze jeugd toch op elkaar. Wij kregen dan op woensdag weer verse ballen gehakt. De kinderen een halve. En op vrijdag een lekkerbekkie.
    Ook ik heb nu alles in overvloed. Doe niet aan vaste, dat heb ik in mijn jeugd uiteraard wel gedaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *