Categoriearchief: Geen categorie

Gerard en zijn Engelbewaarder

Gerard in 1951

Als je de nul houdt

Zaterdagmorgen sta ik langs het veld. Soms bij de wedstrijd van mijn dochter, dan weer bij de wedstrijd van mijn zoon. Vol verbazing sla ik deze wereld gade. Want bij mezelf heb ik nooit enig talent of interesse voor voetbal bespeurd. Ik ben meer van het biljarten.

Toch stelt mijn zoon van negen wel eens de terechte vraag “Waar hebben wij onze aanleg voor voetbal vandaan?” En dan heb ik wel degelijk een antwoord: “Van je oudoom!”

Gerard de Rijk, mijn oom, de broer van mijn moeder, die ik slechts uit verhalen ken. Daar staat hij, als jochie van een jaar of dertien, in zijn nette pak, op de ochtend van zijn Plechtige Communie, zoals dat heette. Geboren als één van een tweeling in 1938, gestorven in 1969, slechts 31 jaar oud.

Niet lang na deze foto zal hij zijn debuut maken als keeper bij de plaatselijke voetbalclub. En als veertienjarige is hij al zó’n goeie doelman dat hij met de grote mannen mee mag doen.

Een vrijbuiter, die met zijn blonde kuif, zijn joviale vriendelijkheid en olijke humor menig hart voor zich weet te winnen. Maar ook een kwetsbare jongen. Want al jong bezwijkt hij voor de verleidingen van de fles.

“Als je de nul houdt, staat er een kratje voor je klaar!” zeggen zijn oudere teamgenoten. Althans, zo is het verhaal dat door familie sinds jaar en dag verteld wordt. Het ligt aan de anderen. Dat maakt zijn tragische levensverhaal misschien dragelijker. En het verdringt wellicht het sluimerende schuldgevoel.

Andere Aanleg

Maar er zal vast en zeker zeker meer meespelen. Hoe het is om op te groeien als één van de jongsten in een groot en arm gezin. De dreigende oorlogsjaren. Een broer voor je ogen zien sterven aan tetanus. Je moeder veel te jong verliezen.

En hij heeft misschien wel een wat onrustige en ongedurige persoonlijkheid, waarvoor in die dagen nog geen diagnose bestaat, laat staan een behandeling. Net een wat andere aanleg dan gemiddeld. Word je dan wel in je eigenheid gezien en gekend? En hoe moet je eigenlijk omgaan met overweldigende ervaringen van verdriet, plezier, succes, boosheid en zoveel meer?

In het dorp worden ruim een halve eeuw later nóg anecdotes verteld over de vrolijke vagebond Gijs, zoals hij ook wel wordt genoemd. Hoe een goede, loyale vriend hij was. Hoe hij zijn laatste cent gaf aan wie het nodig had. Hoe hij voor iedereen een vriendelijk woord had en hoe hij op goeie dagen kon werken als een paard.

En dan het smeuïge verhaal hoe hij op een dag, geflankeerd door een hele stoet kameraden, voor de rechtbank moet verschijnen vanwege de nachtelijke diefstal van een brommer. Vooral het feit dat hij het voertuig zomaar in een weiland heeft achtergelaten wekt ergernis. Met “Maar edelachtbare, ik heb hem tegen een koe aangezet; kan ik het helpen dat dat beest wegloopt!” heeft Gerard als vanzelf de lachers op zijn hand. Wie kan nou echt boos op hem zijn?

Pleegzoon

Maar het loopt uit de hand als hij, als twintiger, nog thuiswonend, een nieuwe stiefmoeder krijgt. Waar zijn vader hem nog lang de hand boven het hoofd houdt – als bijvoorbeeld op een ochtend blijkt dat Gerard ‘ s nachts met zijn dronken kop de gehaktballen uit de juspan heeft gegeten – weet zijn stiefmoeder geen raad meer met zulke situaties.

Hoeveel ruzies, goede voornemens en handen over het hart eraan voorafgegaan zijn, weet ik niet, maar de maat is vol als Gerard met trillende handen en een briefopener het geldkistje van zijn vader blijkt te hebben geplunderd. En op een ochtend staan zijn spullen op straat.

Dat hij bij de onvolprezen pastoor Thomas, zijn huishoudster Riet en kapelaan De Jong in de pastorie terecht kan, is een godsgeschenk. “Onze pleegzoon”, noemen ze hem liefdevol. Riet houdt de sleutel van de wijnkelder stevig op zak, en Gerard krijgt een paar jaar lang de structuur en duidelijkheid waar hij blijkbaar zo’n behoefte aan heeft.

Toch kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Gerard biecht op een dag aan de pastoor en Riet op dat hij in Alphen, met een slok op, vol bravoure over het spoor is gaan lopen, en dat hij op het nippertje voor een toeterende aanstormende trein weg kon springen.

Requiem

Hij is er echter van overtuigd dat zijn engelbewaarder bij deze kamikazeactie is omgekomen. En dat hij nu zelf onbeschermd en in gevaar is. Bloedserieus zingt hij, met zijn welluidende stem, vanaf de preekstoel, in een lege kerk het volledige gregoriaanse Requiem voor hem.

Twee weken later wordt Gerard op een novemberavond – hij is net nog bij mijn ouders langsgeweest, waar hij overtuigd en optimistisch een biertje afsloeg, “omdat nu écht de knop omgaat” – in het donker door een auto geschept. Heeft de bestuurder gedronken? Of is het anders gegaan? Hoe dan ook: zijn ontroostbare vader moet zijn gehavende verloren zoon samen met pastoor Thomas komen identificeren.

Die zondag preekt kapelaan de Jong voor de kinderen van de parochie: “Jullie kennen Gijs allemaal. Nu is hij dood. Hij heeft het niet makkelijk gehad en hij heeft fouten gemaakt. Maar Gijs is nu in de hemel. Hij was zo’n goede vriend en hij was zo goed voor kinderen en dieren; hij was zelf nog een groot en zorgeloos kind. Zo iemand kan geen slecht mens zijn!”

Uit het plakboek van mijn moeder

Tussen de Groeven in het Zand

Alsof je geteleporteerd bent. Vanuit de chaos van het dagelijkse leven in deze hectische periode van het jaar. Naar de stilte, de wind, de wolkenluchten. Het land, het strand en het ruisen van de zee.

Het kost je geen moeite om tijdens je wandeling of fietstocht over het eiland urenlang geen mensen tegen te komen. Alleen jezelf ben je af en toe even op het spoor.

Tussen de groeven in het zand speur je naar dat wat is achtergebleven op de bodem van je ziel. Afzettingen door de tijd. Sedimenten van verleden. Flarden van een lied. En zomaar een traan.

Wat als een paal boven water staat, stelt eigenlijk weinig voor. Je meningen, je zekerheden. Zon en wier en zand en vorst. Wind en zout en water. De tijd heeft zoveel instrumenten hier, om af te kalven, bij te schaven, op te breken. Transformatie.

Er is iemand aan wie je even denkt hier. Je hebt haar kort gekend, haar jonge leven dreef al naar het wrede einde. Jullie spraken over deze tijdloze plek. Om in je hart te bewaren.

En de maan weerkaatst het licht van een verre zon door de wolken. En de zee spiegelt het schijnsel terug. En je ogen absorberen het. Op de bodem van je ziel wacht de aarde op het licht.

In deze drukke periode voor Kerst – en in de heftigheid van alles wat er gebeurt in de wereld – probeer ik aandacht te besteden aan de Advent. Om in ontvankelijkheid – met open handen – te speuren naar Licht in het donker.

Asiel

Tijdens het verorberen van mijn overheerlijke pizza met spinazie, gekaramelliseerde ui en geitenkaas, valt mijn oog ineens op het aquarium in het midden van het restaurant.

Ik heb de donkere bak met stromend water wel eerder vanuit een ooghoek gezien, maar nu dringt tot me door dat er geen gezellige club tropische vissen in rondzwemt maar dat hij wordt (over)bevolkt door een kluwen kreeften.

De arme dieren blijken elastiekjes om hun machtige scharen te hebben, waarmee hen het laatste restje van hun door de Schepper gegeven waardigheid is afgenomen.

Aan een vriendelijke serveerster, tegen wie ik desgevraagd vertel hoe lekker mijn pizza heeft gesmaakt, vraag ik hoe lang de kreeften zullen worden gemarteld voordat ze – levend en wel – in een pan met kokend water aan hun einde zullen komen.

Ze weet niet hoe vaak mensen kreeft bestellen. “Best wel vaak nog”, zegt ze met een meewarige blik. Dat verbaast me niet. Het past wel bij de Gooise R die ik overal om me heen op dit eiland hoor. Kreeft is duur. Kreeft is eetcultuur. Een flesje Chablis erbij. Of Puligny-Montrachet. “Laten we gek doen. Het mag wat kosten!”

Welk van de dieren zal als eerste uit zijn lijden worden verlost? Is er een volgorde? Ik kan niet zien of ze op één of andere manier gemerkt zijn. Kan het zijn dat er één al maanden in zit, terwijl hij steeds zijn soortgenoten opgevist ziet worden?

Regeert de willekeur? Ik heb wel eens ergens gelezen dat de gast mag kiezen. Kiest hij dan degene die het zieligst uit zijn kraaloogjes kijkt? Als in een dierenasiel, maar dan anders.

Wat een schaamteloze vertoning eigenlijk. Je zet toch ook geen kippenhok midden in een restaurant. De vleugels gekortwiekt en de snavels afgebonden, tegen het gefladder en gekrijs. Of varkens zonder staart, koeien zonder horens. Nee, die wantoestanden verbergen we op een andere plek, waar het lijden onzichtbaar is voor de consument. Die proeft alleen het overheerlijke eindproduct van onze wreedheid.

Zullen we ermee stoppen? Ik ben zo blij dat mijn kinderen er vandaag niet bij zijn. Ik zou niet weten hoe ik het moest uitleggen. Ik vrees dat ik dit restaurant niet meer zal binnenstappen, hoe mooi ook gelegen, hoe uitgelezen ook de kaart. Alleen maar aan een ander tafeltje gaan zitten vind ik schijnheilig. En trouwens: was mijn geitenkaas eigenlijk wel biologisch?

Naschrift: o ja, mocht je met het argument zijn opgevoed dat kreeften geen gevoel hebben, check dan deze link even:

https://nos.nl/l/2406794

Hardnekkig

Heerlijk zo´n hittepit. Warmte voor nek, hals, schouders en achterhoofd. Daar waar zich zoveel afspeelt. Op het scharnierpunt tussen hoofd en lijf. De overgang tussen denken en voelen. Daar waar het wringt soms, of stagneert.

Daar waar je van alles tot je neemt. Eten, drinken, poeders, pillen en medicijnen. En wat je allemaal nog meer maar moet slikken.

Daar waar je iets niet je strot uit krijgt. Een woord van verzoening bijvoorbeeld, of “sorry!” Of datgene wat al sinds jaar en dag een een brok in je keel veroorzaakt. Of waar je van over je nek gaat?

En wat heb je je nou weer op de hals gehaald? Ergens “ja” tegen gezegd zonder echt na te gaan of het wel goed voor je is. Wat of wie neem je allemaal op je schouders? Omdat de sterkste schouders nu eenmaal de zwaarste lasten moeten dragen.

Lukt het je om af en toe je schouders op te halen? Of blijf je met opgetrokken schouders zitten?

Doe je dingen hals over kop? Of zoals mijn moeder zei, als ze mensen ondoordachte domme zingen zag doen: “stelletje halskoppen!” Of kom je pas in actie als het mes op je keel wordt gezet? Als het om een halszaak gaat.

In al de jaren dat ik in de revalidatie werk met mensen met chronische pijn, is het misschien wel het meest voorkomende gebied waar de klachten zitten. Hardnekkige klachten. En zelf heb ik er ook met regelmaat last van. Dat zal wel niet van niks zijn.

Er is natuurlijk van alles aan te doen. Oefeningen, pijnstillers, spierverslappers, massages. Een betere houding. Of de hittepit. Om de klachten weg te krijgen.

Maar misschien is het eerst goed om zo nu en dan juist eens dankbaar stil te staan bij dit belangrijke stukje van mijn lijf. Er even milde aandacht aan te besteden. Het heeft zoveel te verduren. En misschien heeft het me ook wel wat te vertellen. Als ik goed luister.

Door De Hond Of De Kat

“Of je nou door de hond of de kat gebeten wordt, het is allemaal één pot nat!” Zo beëindigde mijn vader meestal zijn bijdragen aan de verjaardagsdiscussies als het om politiek ging. Vaak voegde hij eraan toe “Ze benne allemaal zo geleerd dat ze helemaal gek zijn!” en “Het benne allemaal criminelen!” In zijn ogen leek elke premier op Hitler en waren alle politici er met hun moeilijke woorden op uit om te boel te belazeren.

Nou was mijn vader beslist niet de enige die zich op familiebijeenkomsten nogal kort-door-de-bocht uitliet over actuele onderwerpen. Ik was een jaar of elf toen een hoogbejaarde tante mij door een gordijn van sigaren- en sigarettenrook, van achter haar glaasje bessenjenever een beduimeld papiertje aanreikte. “Kijk eens Piet, dit mot jij maar voorlezen, dat ken je zo goed!” Zo’n eervolle taak kun je natuurlijk niet weigeren.

Nauwelijks twee regels onderweg in het gedicht, bleek ik een racistisch manifest aan het declameren te zijn. Ik herinner mij nog de frase “Ali werken nee, Ali in ww”, waarbij het hele gezelschap in een oorverdovende schaterlach uitbarstte. Ik schaamde me kapot, temeer daar één van de aanwezige ooms een Marokkaanse schoonzoon had.

Toen mijn opa eens in verwarde toestand in het ziekenhuis lag, schrok hij zo van een Antilliaanse verpleegkundige dat hij de hele nacht woest met zijn wandelstok onder het bed aan het maaien is geweest in de veronderstelling dat er daar nog meer verscholen zaten.

Wat waren ze bang voor veranderingen, net als wij vandaag . Bang voor wat we nog niet kennen. Net als zij kruipen ook wij vaak liever weg in ons veilige wereldje waar duidelijk is wat zwart en wit of goed en kwaad is. En we sluiten liever onze ogen voor de bedreigingen en verantwoordelijkheden van de toekomst. Dat het misschien wel echt anders moet.

Wij willen met een biertje grote brokken vlees op de barbecue kunnen leggen en met het vliegtuig op zonvakantie kunnen gaan, zonder dat de kwetsbare toekomst aan onze deur klopt in de vorm van een vluchteling. Die vraagt of hij bij ons mag eten omdat zijn land door de klimaatverandering is overstroomd of uitgedroogd.

Voor genuanceerde meningen was in het wereldbeeld van mijn ouders en grootouders in elk geval ook niet zoveel plaats. Zeker niet op verjaardagen. Al nam mijn keurige oom Mars het – gezagsgetrouw als hij was – op voor de machthebbers, tenminste, als ze van het CDA waren.

Voor Lubbers bedacht hij spontaan het lied “Jij komt niet aan mijn premiertje, blijf van mijn premiertje af!”, waarbij een aanwezige vriendin van mijn ouders onder invloed van de jenever hele andere associaties kreeg. “Wat bedoelt ie nou?” zei ze, terwijl ze verbijsterd naar zijn gulp staarde.

Zwarte Woensdag? Groene Vrijdag?

Zal het vandaag een “black wednesday” worden, als Nederland stemt voor de asblonde meneer? Die ontkent dat er problemen zijn met het klimaat, die niks heeft met kunst en cultuur en die de grenzen van ons o zo rijke land wil sluiten voor de meest kwetsbaren?

Het maakt volgens mij niet zo gek veel uit of we in plaats daarvan kiezen voor de plastic mevrouw. Die wordt niet zozeer door – al dan niet verwerpelijke – idealen gedreven, maar door de allesbeheersende overtuiging dat vrijheid gaat gaat om groei, consumeren, hebben, rijk worden en het recht van de sterkste.

Of winnen zachte krachten het alsnog? Die doorhebben dat het mis gaat met onze kwetsbare aarde als we doorleven zoals we doen. Die dat durven benoemen. Die niet alleen maar holle optimistische kreten slaken over de toekomst maar die het ook aandurven om aan te kaarten dat we radicale keuzes moeten maken als we iets van een leefbare wereld willen doorgeven aan onze kinderen.

We hebben bestuurders nodig die verder durven kijken, en die daarbij zien dat de klimaatcrisis en de vluchtelingencrisis met elkaar samenhangen. Die durven benoemen dat al die crises weer samenhangen met een collectieve identiteitscrisis: wie zijn we als we het aandurven om minder te consumeren en bezitten in plaats van meer?

Er zijn geen eenvoudige oplossingen voor de grote uitdagingen van onze tijd. En het vraagt om moed, hoop en doorzettingsvermogen om dwars tegen heersende gemakkelijke opinies in te gaan. Om met handen en voeten zorg te dragen voor al het weerloze dat van onschatbare waarde is.

Zullen we het daarom niet alleen laten bij mooie praatjes of gedachten? Ik stel voor dat we vandaag groen stemmen met het rode potlood, en dat we aanstaande vrijdag stemmen op een andere, meer praktische manier.

Laten we het bombardement aan stuitende reclames voor “black friday” negeren. Laten we alsjeblieft geen dingen kopen die we over een jaar weer wegwerpen, geen spullen die door kinderhandjes zijn gemaakt, geen overbodige rommel die het milieu belast als het wordt geproduceerd en opnieuw zodra je het weggooit.

Mag ik een suggestie doen? Dat we vrijdag met extra aandacht vooral dingen doen en – als het eventueel niet anders kan – kopen, die goed zijn voor de aarde, en daarmee goed voor ons. Groene vrijdag! Kleur bekennen!

Sportdag

Als mijn dochter me vertelt dat ze op school een sportdag heeft, rijzen de haren mij spontaan te berge. Het roept onmiddellijk zo’n enorm unheimisch gevoel op dat ik er blijkbaar een uitdrukking bij onze oosterburen voor moet lenen om het te kunnen verwoorden.

In ieder geval ben ik meteen terug in de lucht van gymzaal, rubberen matten, zweet en onzekerheid. Ik zie mezelf weliswaar glimlachen op het portretje – een wazig ingezoomd detail van een klassenfoto waarop we met z’n allen op het klimrek zitten – maar ik weet dat ik me er afschuwelijk voel.

Zometeen moeten we weer, en dan mogen de sportiefste jongens van de klas teams kiezen, en word ik weer als laatste door de meester ingedeeld omdat niemand me wil hebben. Niet dat ik een slechte conditie heb of zo. Ik kan rennen als de beste, maar ik ben niet lenig en wel bang. Bang voor de bal, bang voor de confrontatie, bang voor enge toestellen als de brug of het klimtouw. En misschien ook wel een beetje bang voor mijn eigen kracht.

En dat is dan nog slechts tijdens de gymles, waarin we twee keer per week een uurtje in beweging worden gezet. Mijn geluk is dat de gymmeester op de lagere school een buitengewoon aardige man is, die wel met een zeker mededogen kijkt naar kneusjes als ik. Hij is ook grappig. Als hij een koprol voordoet, blijft telkenmale de volledige inhoud van zijn broekzakken op de mat achter. Fluitjes, krijtjes, sleutels. Een heel spoor. En met een rood hoofd grabbelt hij de boel lachend weer bij elkaar. Dat helpt.

Op de middelbare school zal het heel anders worden. Daar hebben de gymleraren allemaal een snor en zullen we met harde stem worden toegeschreeuwd en opgezweept. Behalve dan door die ene docent die met zijn omvangrijke buik, te strakke rode trainingsbroek en een pakje Marlboro in zijn borstzak troostrijk laat zien dat de “Körperkultur” niet voor iedereen hoeft te gelden. Hoewel hij nog opmerkelijk lenig een vogelnestje in de ringen maakt.

Maar als er een hele dag aan sport en spel moet worden gewijd is dat voor mij een ultieme kwelling. Sportdag. Met angst en beven sleep ik me door die eindeloze ellende van lokaal naar zaal naar veld. Van voetbal naar zaklopen, van spijkerpoepen naar slagbal en van koekhappen naar hardlopen, hoewel ik bij dat laatste wel enige succeservaringen opdoe.

Het ergste is nog dat mijn moeder is gestrikt om te helpen. Die is daar minstens zo ongemakkelijk onder als ik. Dan moet ze samenwerken en tussendoor praten met andere moeders die misschien wel hoger zijn opgeleid of die een baan hebben. “Hogere lui” die zelf tennissen of volleyballen. Een wereld waar ze niks van begrijpt, en die door mijn vader vooral wordt aangeduid met de term “de scheidingclub”. Volgens hem zouden sporthal en kantine een broedplaats zijn van buitenechtelijke escapades. En dat was al helemaal “niks voor ons soort mensen”.

Gelukkig zijn de tijden veranderd. Zelf heb ik oprecht veel plezier in buiten bewegen. Wandelen, fietsen en zwemmen. En ik zie mijn kinderen heerlijk voetballen en merk dat ze ervan leren om samen te werken. En dat ze er hun eigen krachten en fysieke vaardigheden door verkennen. En de benadering door trainers en leraren lijkt milder te zijn, met oog voor de verschillen tussen kinderen, meer aandacht voor het gevoelige kind en minder nadruk op prestatie. Zo is het fijner en leuker, denk ik.

Het is overigens ook leuk om zaterdags als vader langs de lijn te staan bij de wedstrijden van de kinderen. Hoewel ik soms nog wel eens ineen krimp als ik ergens – op een belendend veld – zo’n man (of vrouw) met een snor hoor brullen: “Kom op, dit lijkt toch nergens op, watje” Of nog veel erger. Dan haal ik gauw een bakkie koffie.

In Vlammen Opgegaan

We zaten er warmpjes zondagmorgen. Twee uur lang heeft de kachel uitbundig gebrand op een dertigtal kleine schriftjes waarin ik de afgelopen tien jaar aantekeningen maakte.

Sinds mijn vroegste jeugd heb ik de neiging dingen te bewaren. Heerlijk vind ik dat. Schoolschriften, werkstukken, speelgoed en knuffels, brieven en kaarten, en allerhande spulletjes die voor een buitenstaander geen enkele betekenis hebben, behalve als ik er verhalen bij vertel. Verhalen van voorheen die elke keer weer een nieuwe vorm krijgen als het licht van vandaag erover schijnt.

Het zakmes dat ik van mijn opa kreeg, het Mariabeeldje dat buurvrouw mij op haar sterfbed gaf, de verlopen OV-kaart van mijn toenmalige hartstochtelijk geliefde, en bijna oneindig veel meer. Ze hebben allemaal een symbolische betekenis omdat ze verwijzen naar de band die ik met iemand had. Als ik ze in handen heb, gaat mijn hart open en begint het te spreken.

“Wat mot je toch met al die troep!” bracht mijn vader dikwijls uit als mijn moeder háár rekwisieten tevoorschijn haalde. Want dat ik dit talent om blijvende betekenis in de kleine dingen te zien van mijn moeder heb geërfd staat buiten kijf. Pa had niks met dat bewaren. “Ze ken niks weggooien”, zei hij hoofdschuddend.

Zelf bezat hij dan ook nauwelijks iets dat betekenisvolle herinneringen opriep. Ja, kledingstukken die eindeloos binnen de familie werden doorgegeven. “Zal ik Antoon antrekken vanavond?” Hij bedoelde het – overigens twee maten te grote – ruitjescolbert dat hij van zijn overleden broer had geërfd.

Ik bewaar ze niet om te dragen, maar de twee “werkmanspetten” die ik van mijn opa en mijn vader bewaar, de omslagdoek van mijn moeder, het kettinkje van pastoor Thomas halen hen door de tijd heen dichterbij. Zij hebben ze gedragen. En ze dragen iets over op mij.

Maar de vele kleine boekjes die ik zelf vol schreef met de reflecties en tobberijen? Die mochten echt weg. Omdat ze uitdrukten wat ik tóen voelde. Of anders gezegd: wat me op dat moment in de weg zat moest er “uitgedrukt” worden. Aan het papier toevertrouwd om mijn hoofd leeg te maken en mijn hart te luchten. In zekere zin waren het “uit-werpselen”. En die hoeven niet bewaard te blijven. Die mogen dienen als mest om nieuwe dingen te laten groeien.

Bovendien: er zijn zeker tastbare dingen – ook verhalen en gedichten – die ik graag na wil laten aan hen die na mij komen. Maar er zijn ook dingen die van mij zijn, of die van mij “waren”, maar die nu “geweest” zijn. Dingen waar het nageslacht niets mee hoeft. Mijn opvattingen, meningen en oordelen over mezelf of anderen, mijn lastigheden, mijn geworstel soms. In die zin waren de schriftjes die in vlammen zijn opgegaan een stuk zwaarder dan hun meetbare gewicht.

Ik groei steeds meer in het besef dat een levend mens niet statisch is, niet voor altijd vastgelegd, en niet vast te pinnen aan het gestolde verhaal over zichzelf. Ik ben een dynamisch bewegend interactief wezen. Leven dat wil leven. En dat inzicht inspireert ook om dingen van mezelf achter te durven laten. Of zoals Ramses Shaffy in “Zonder Bagage – de wereld heeft mij failliet verklaard” zingt:

De weg is vrij, de weg is open, de weg is mateloos van mij. Zonder bagage kan ik gaan lopen, want ik ben nu vogelvrij!

En volgens de wet van behoud van energie geeft datgene wat ik verbrand net zoveel energie af als er is ingestoken. Dus behalve aan het papier van de boekjes hebben we ons ook kunnen warmen aan het verbranden van veel met zuchten en steunen in woorden omgezet gedoe. En een hele opluchting was het ook.

Allerzielenweer

In mijn herinnering was het met Allerzielen bijna altijd zulk weer. Onstuimig, stormachtig. Dreigende luchten, zwiepende takken, hagel, slagregens en regenbogen. Vroeg invallende duisternis en opgetrokken kragen.

Echt “Allerzielenweer”, noemden we het thuis. Al vroeg in de middag was mijn vader op het kerkhof in touw. Het laatste onkruid wieden tussen de stenen, onder de oeroude platanen. De laatste glazen potten schoonmaken. Die moesten de honderden graflichtjes die ’s avonds zouden gaan branden, beschermen tegen weer en wind. Zodat de vlammetjes bleven branden, tegen de verdrukking in. Hij deed het met toewijding, jarenlang.

Nu ligt hij er zelf en worden voor hem lichtjes gebrand, net als voor mijn moeder. En voor zoveel andere geliefden en bekenden die er rusten in de aarde of van wie de as er wordt bewaard of is uitgestrooid.

We hebben hen op deze plek of op een andere plaats moeten loslaten. Onder allerlei weersomstandigheden. In hoogzomerse hitte, of terwijl vogels luidruchtig van de lente zongen, of als gierende oostenwind door onze handschoenen heen kwam en vrieslucht ons de adem benam.

Sommigen werden in de bloei van hun leven weggerukt als in de storm, anderen hebben na een lang gevecht de handdoek in de ring moeten werpen. Velen waren aan het einde gekomen van een lang en rijk leven. Anderen – juist door het leven gekweld – konden met de beste wil van de wereld niet verder.

En wij stonden daar, en we zongen en baden en lieten ons in ons verdriet dragen door tradities van eeuwen, of troosten door een enkel raak woord. Of we zwegen in verbijstering. Met stomheid geslagen. De nagalm van de doodsklok en de klanken van het “In Paradisum” nog in onze oren. Niet wetend hoe verder. Of juist met hoop, en een zacht ruisend uit handen geven.

Vanavond branden er weer lichtjes en zijn er weer aarzelende woorden van rouw, verdriet, verlies, verbondenheid, eenzaamheid, dankbaarheid en gemis. En nog veel meer gevoelens waar helemaal geen woorden voor zijn. En er zal muziek zijn die de stilte niet verdrijft.

Morgenochtend zal het nog stiller zijn. Als jongen fietste ik dan in alle vroegte – donker was het nog – naar school. Aan de overkant van de Dijksloot zag ik de lichtjes nog tussen de graven. Een zwak schijnsel hing tussen de bomen. En de stormwind was gaan liggen.

“Jij mag er ook wezen hoor!”

Zo zit ze dan bij me in de vroege morgen. Ik voel de warmte van haar pootjes door de stof van mijn pyjamabroek heen. Via de dwarsbalk onder de tafel en de stoel naast me is het bejaarde beestje zover gekomen. Aan rechtstreekse hoge sprongen waagt ze zich alleen nog als het echt niet anders kan. Of als er onverwacht iets te halen valt. Tonijn ofzo.

Ze spint zachtjes en geeft af en toe een kopje, daarmee haar en mijn bestaan bevestigend. Want is dat niet de grootste verdienste van huisdieren? Dat ze je laten voelen dat je lééft, ook met je lijf. En dat je meer bent dan je pratende hoofd en je schromelijk overschatte verstand.

Zometeen gaat ze liggen en als ik dan over een uurtje opsta om de vaatwasser leeg te ruimen, krijg ik haar slechts met de grootste tegenzin weer van mijn schoot af. Ze zal zich met haar nagels aan me vastklampen en vuilaardig blazen als ik probeer haar op een ander zacht plekje onder te brengen.

Miesje is ruim 16 jaar oud en dat kun je best als een respectabele leeftijd beschouwen. Ze was er al voordat onze kinderen geboren waren, woonde het eerste halfjaar nog met ons samen in ons oude flatje en ze heeft nog uitgebreid gespeeld met mijn ouders en bij ze op schoot gelegen als zij op bezoek kwamen.

Het spelen vond mijn vader wel grappig. Hij legde dan een knoop in zijn zakdoek en liet deze niet tevergeefs voor haar snuitje bungelen. Verder was mijn vader een beetje “bunzig” voor katten. Misschien omdat zijn moeder, oma Koek, dacht dat mijn ouders zo lang kinderloos waren gebleven omdat ze een zwarte kat hadden. Dat bracht immers ongeluk.

Mijn moeder daarentegen adoreerde poezen. Als ik haar in het laatste jaar van haar leven vanuit het verpleeghuis in de rolstoel ophaalde om bij ons koffie te drinken, deden we een half uur over dat stukje van vierhonderd meter. We kwamen immers minstens vijf poezen tegen die geaaid, bewonderd en toegesproken moesten worden.

Overigens kwamen we ook altijd mannen tegen met honden. Tegen hen zei ma dan dat ze een mooi en lief hondje hadden, ook als je van een afstand al kon zien dat het een vals kreng was. “En”, sprak ze dan steevast plechtig tegen de mannen “jij mag er ook wezen hoor!”