Categoriearchief: Geen categorie

Dwaallicht En Scheerzeep

Nu mijn zoon in een Donald Duckfase zit, vind ik ineens overal exemplaren van dit generaties overstijgende tijdschrift in huis.

Hij krijgt ze via allerlei kanalen binnen. Van zolder bij pake en beppe bijvoorbeeld, of in een bundeltje vanaf de koningsmarkt. Twintig exemplaren voor twee euro. Een samenraapsel van allerlei jaargangen. En er zitten ook een paar oudjes tussen.

Zo zit ik ineens met een beduimeld exemplaar uit 1979 in mijn handen. En er gaat een vreemd nostalgisch gevoel door me heen als ik het open. Dit verhaal ken ik! Deze had ik vroeger zélf!

Ik geloof dat ik destijds nog niet echt las, maar dat ik vooral plaatjes keek, en er mijn eigen verhaal van maakte. Ik voegde er mijn eigen interpretaties aan toe, en daarmee werd het verhaal nogal eens griezeliger dan het was bedoeld.

Bij het zien van deze tekening van een tot leven gekomen dwaallichtje voel ik de spanning weer die hij destijds opriep. En bovendien ruik ik er meteen een zweem van scheerzeep en aftershave bij.

De Donald Duckjes uit mijn jeugd kwamen immers van de plaatselijke kapper Lou. Toen die met pensioen ging, kreeg ik het stapeltje, dat in de salon lag voor de kinderen die hij kapte, bij mijn laatste knipbeurt mee naar huis.

De magie van toen dringt moeiteloos door de mist van vijfenveertig jaar leven heen. Ik zit weer op mijn zolderkamertje en herinner me dat de woorden “moerasgas” en “dwaallicht” een verpletterende indruk maakten. Het leven bleek vol geheimen. En Donald Duck wijdde me in.

Halverwege

Opnieuw de Afsluitdijk. Eindelijk keert de rust er enigszins weer, na jaren van onrustige vernieuwing. De graafmachines zijn goeddeels verdwenen, en de opgehoogde zeedijk is weer als vanouds begroeid. Ook de onoverwinnelijke zeekool lijkt zijn rentree te maken.

De nieuwe pompen en de vismigratierivier, het pas aangelegde windmolenpark, het onberispelijke asfalt aan weerszijde van glimmende vangrails, en het nieuwe fietspad aan de zeekant doen er niks aan af: het blijft hier een stuk niemandsland. Kwetsbaar, tijdelijk land, temidden van het machtige water dat alles relativeert.

Halverwege Noord-Holland en Friesland. Tussen verleden en toekomst. Tussen Leimuiden en Leeuwarden, tussen geboortegrond en nieuw thuis. En zoals zo vaak sta ik er even stil.

Zo’n vijftien jaar lang reed ik wekelijks minstens éénmaal per week heen en weer tussen ons huis in Leeuwarden en het huis van mijn ouders in Leimuiden en later Alphen aan den Rijn. Nu zij er niet meer zijn, maak ik de tocht veel minder vaak. En daardoor voelt het minstens zo betekenisvol.

Het dringt dezer dagen ineens tot me door dat ik inmiddels langer in ons huis in de Friese hoofdstad woon, dan ik met mijn ouders aan de Oosterweg heb gewoond. Ook in mijn hoofd moet ik een flinke afsluitdijk afleggen voor ik weer daar, vroeger ben. Maar ik ben even zo ver verwijderd van grote gedachten over heden of toekomst. Daar is het hier de plek niet voor.

Alsof je even uit de context bent getrokken. Daar op die parkeerplaats, halverwege, in de zon. Op de dijk in je ziel die verbindt én afsluit, die tussen twee werelden onderscheid maakt. Goed om daar stil te staan en stil te zijn, de wind door je haar te voelen, de zeelucht op te snuiven, de meeuwen te horen roepen. Tijdloos en grenzeloos. Om je ogen dicht te doen en je handen open.

Als Die Toch Eens Praten Kon

“Als die toch eens praten kon!” zei pa dan. Zo’n trommel die tientallen jaren op de tafel heeft gestaan, die meerdere tafelkleden in diverse stijlen heeft overleefd. Waar duizenden koekjes in hebben gezeten, die geen van alle de kans hebben gekregen om muf te worden, daar pa en ma de uitspraak “Wij heten Koek, dus we eten Koek” dagelijks in praktijk brachten. De trommel is getuige geweest van alles wat in Leimuiden, Alphen en Leeuwarden werd gezegd en verzwegen. Hij heeft mij gezien als kind, volwassen en middelbaar. Als zoon én als vader. En hij heeft mijn ouders gezien, ook als ik er niet bij was. Hij weet – meer dan ik – hoe hun leven samen er uit zag.

Wat zou hij vertellen als hij een geheugen en een mond had? Zouden zijn verhalen lijken op de verhalen die ik vertel, of legt hij heel andere accenten? Zou hij zich, net als ik, ook herinneren hoe mijn vriendje E. na schooltijd meeging naar huis; hoe mijn moeder hem toestond meerdere biscuitjes uit de trommel in zijn thee te dompelen, en hij ruime hoeveelheden suiker over het warme papje mocht strooien. Alleen al omdat ze medelijden met hem had, daar zíjn moeder niet elke middag klaar zat met de thee.

Zou de trommel de onverstaanbare moppen van mijn oom hebben onthouden, de met jenever overgoten gulle lach, als de pastoor op bezoek was. Of de roddels als een bevriende boer een emmertje biest bracht. Zou hij alle handen nog voelen, die de janhagels, krakelingen, stroopwafels en dikke speculaasbrokken uit zijn binnenste hebben gevist bij talloze kopjes koffie, soms bestemd om de bezoeker weer enigszins nuchter te krijgen voor hij naar huis terugkeerde?

En zou de trommel onder woorden weten te brengen welke gesprekken pa en ma over mij hadden? Hun zorgen, hun hoop en hun dromen. Toen ze te horen hadden gekregen dat ik op school gepest werd, of toen ik stopte met mijn priesteropleiding, of toen ik voor het eerst een vriendin had. Hebben ze daar over gesproken, of hebben ze vooral betekenisvol gezwegen? Toen ik naar Friesland verhuisde, toen ze opa en oma werden. Toen er steeds meer dierbaren om hen heen ziek werden en wegvielen, en toen ze zelf oud en kwetsbaar werden. Hebben ze erover gepraat, of heeft pa vooral aritmisch op de tafel getrommeld, terwijl ma hem met een mengeling van ontroering en irritatie aankeek?

Zou er een manier zijn om de trommel geheimen te ontfutselen? Dingen die ik niet weet, gesprekken die niet voor mijn oren waren bestemd? Gelukkig niet. Geheimen mogen geheimen blijven. En het leven van mijn ouders wás niet van mij. Ik denk dat ik veel over hen weet, maar ik weet ook heel veel niet. Veel wat ik nóóit zal weten. Het is verleidelijk om te denken dat ik door het bezit van twee plastic kratten vol met de “relieken” van hun leven – zijn pet, haar omslagdoek, zijn horloge, haar ketting – de gestolde versie van hun verleden “in bezit” heb. Maar ik ken slechts de betekenis die ík eraan geef.

De trommel is er de stille getuige van dat ik dit stukje schrijf. En misschien weet hij er nog van als ikzelf allang “aan de overkant” van dit bestaan ben. Misschien bewaren mijn kinderen hem omdat zij zich nog herinneren hoe oma er hen altijd net een koekje teveel uit presenteerde. Of belandt hij in een kringloop- of vintagewinkel, en koopt iemand hem die de nostalgie voelt waarmee hij geladen is?

Voorlopig staat hij nog bij ons in de keuken en verzamelt hij verhalen. En als ik hem in handen neem, en over zijn deksel wrijf, is hij soms net de wonderlamp van Aladin. Dan begin hij te glimmen en geeft hij iets prijs wat ik allang vergeten dacht te zijn. En zo fluisteren wij elkaar goedenacht. De trommel en ik.

Reliek

Als ik de grote plastic bak opendoe, komen vertrouwde geuren mij tegemoet. De adem van mijn ouderlijk huis.

In de bak, waartoe de inventaris van mijn moeder, anderhalf jaar na haar overlijden zo ongeveer is geslonken, bevinden zich vooral foto’s, kaarten, brieven en kleine snuisterijen. De meeste daarvan komen mij bekend voor. Maar af en toe zit er ook nog wel een verrassing tussen.

Zo kwam ik vandaag dit tegen. Een relikwie. Een splinter van de doodskist van de heilige Karel van Sint Andries. Na wat googlen kom ik erachter dat het om pater Karel Houben gaat. Een Nederlandse priester uit Munstergeleen op wiens voorspraak meerdere genezingen zijn gemeld.

Pater Karel zou in 1883, toen hij zelf nog leefde, een doodgeboren baby tot leven hebben gewekt. En meer dan honderd jaar na zijn dood heeft hij er voor gezorgd dat zijn dorpsgenoot Dolf Dormans van een levensbedreigende darmkwaal genas. Paus Benedictus XVI heeft hem daarom – na zorgvuldig onderzoek – in 2007 heilig verklaard.

Geen idee hoe ze eraan gekomen is. Maar behalve een reliek van Pater Karel, is dit kleinood misschien nog meer een soort reliek van mijn moeder. Een symbool van de wereld waarin zij leefde. Een belevingswereld waarin je een tastbaar stukje heiligheid kon vasthouden. Waaraan je je in moeilijke tijden kon vastklampen.

Op welke momenten zal moeder Agatha pater Karel erbij hebben gepakt? Toen mijn vader ziek werd? Toen ze zelf voelde dat haar verstandelijke vermogens begonnen te slijten? Hoe dan ook: haar levensverhaal is doorspekt met dit soort dingen. Hoe vanzelfsprekend het was om je leven toe te vertrouwen aan God en aan zijn heiligen en engelen. Vooral vanuit het besef dat je zelf zo verschrikkelijk veel niet in de hand hebt.

Als kind bad ik elke avond in bed: “Engel van God, die mijn bewaarder zijt, aan wie de goddelijke goedheid mij heeft toevertrouwd, verlicht, bewaar, geleid en bestuur mij. Amen.”

Daarmee sloot ik de dag af, en kon ik iets van het verantwoordelijkheidsgevoel dat ik als jochie al had, loslaten. Vanuit het veilige gevoel dat er iets en Iemand groter is dan ik, groter dan mijn gepieker. Het gevoel de controle los te kunnen laten. Dat mijn leven niet helemaal van mij is.

Ik ben blij dat niet helemaal vergeten te zijn.

Onder Ogen

Ben ik eigenlijk in staat om lijden onder ogen te komen? Er écht naar te kijken? Het te zien, te horen, te voelen, te ruiken en te proeven?  Onverdoofd, eerlijk? Het niet weg te stoppen, mooier te maken, met een bloemrijk theologisch, muzikaal of kunstzinnig sausje te overgieten? Met cynisme, of met woorden? Kan ik “erbij blijven”?

Het gestileerde en serene kruisbeeld dat altijd bij mijn ouders aan de wand hing, is, naast het kindje in de kribbe, voor mij het eerste beeld dat ik van Jezus had. Op Goede Vrijdag gingen we er ’s middags om drie uur voor op de knieën, mijn moeder en ik. En als er een vriendje of vriendinnetje bij me speelde, werd ook die betrokken bij het ritueel. Mijn moeders plechtige stem: “Wij aanbidden U Christus, en wij loven U, omdat Gij door Uw heilig Kruis de wereld hebt verlost”

De Kruisweg. In veertien stappen volg je Jezus op zijn weg, van de terdoodveroordeling tot aan de graflegging. Biddend. Er bij zijn. Toeschouwer, of meer nog: deel uitmaken van het verhaal. Maar hoe die spijkers echt voelen? En die doornenkroon? De zweepslagen en het hoongelach?

Kan ik vandaag “bij” het lijden zijn, zonder het op te willen lossen? Zonder ervoor op de vlucht te slaan. En ook zonder me erin onder te dompelen? Durf ik stil te staan bij het lijden van de ander, van de wereld? Naast het bed van de stervende blijven zitten, of kijken in de ogen van de wanhopige? Aanwezig zijn bij het grote of schijnbaar “kleine” leed van de mensen om me heen? Het ermee uithouden?

Maar misschien ook wel: durf ik stil te staan bij mijn eigen pijn en kwetsbaarheid? Of maak ik me groter dan ik me voel, overschreeuw ik mezelf? Of koester ik juist de slachtofferrol? Kan ik mezelf echt onder ogen zien? Durf ik het “niet weten” te aanvaarden?  Ben ik bereid me te verzoenen met mijn eigen imperfecties? En daar dan weer kracht uit putten? Me niet groter of kleiner te maken dan ik ben?

Ik zag vandaag, toen ik om drie uur de Kruisweg overwoog, ineens in dat het verhaal eigenlijk vooral een eerlijk verhaal is. Dat Jezus zijn verantwoordelijkheid neemt door het kruis op zich te nemen, maar dat hij ook hulp moet aanvaarden als het kruis te zwaar wordt, als hij struikelt en valt. Hij is niet laf, maar ook geen superheld.

Ik zag dat er mensen zijn die hem helpen dragen en die hem troosten. Dat hij zich láát troosten. En dat hij, hoezeer ook in beslag genomen door die vreselijke tocht, nog oog en oor heeft voor de anderen, voor het leven dat dóórgaat, ook al loopt hij zelf zijn dood tegemoet.

Als Gods verhaal ergens een menselijk gezicht heeft, is het daar. Zijn zoon is net zo kwetsbaar, net zo weerloos als wij. Maar ook krachtig, tegen beter weten in. Zonder het mooier te maken dan het is. Eenzaam en verbonden tegelijk.

Hoezeer ik ook hou van de liturgie, en hoe ik me ook thuis voel bij de oude kerkelijke rituelen, vandaag was het goed om dit verhaal in mijn eentje te overwegen. Om in te zien dat het geen mooi of verheven verhaal is, maar dat het gaat over ons, over jou en mij.

Malse Grassies

Je fietst een stukje en ineens, op een toevallige groenstrook zie je hetzelfde gras. Je zou bijna afstappen om een handje te plukken, zoals je dat veertig jaar geleden tweemaal per dag deed. Voor Floortje.

Als je tussen de middag en aan het einde van de dag uit school komt, en je de avontuurlijke sluiproute onder de dijk volgt, loop je langs dit meest groene en malse lentegras.

De cavia hoort je al aankomen en begint vanuit zijn riante verblijf – je moeder gunt jullie roodwitte huisgenoot een zo ruim mogelijk onderkomen, zelf getimmerd  van een oude kist, met getraliede ramen en deur – luidkeels te piepen. “Kijk toch ‘s, malse grassies!” zeg je tegen hem. En als je ze door de tralies steekt, begint het beestje terstond gulzig te knagen.

’s Morgens, als je vader als eerste beneden is, laat hij hem uit zijn hok. Als een dolle rent en springt hij door de keuken, en hij knaagt hartstochtelijk aan het vloerkleed onder de tafel. Hij zet zich schrap als hij de rand van het kleed met kracht toch gauw zo’n 15 centimeter van de vloer omhoog trekt. Als je moeder en jij de trap afkomen wacht hij, wederom enthousiast piepend bij de deur op jullie entree.

’s Avonds ligt hij urenlang op schoot, in een speciale zak die je moeder van de resten van je oude oranje badstof pyjama heeft gemaakt, terwijl jullie koffie drinken en naar het journaal en Zeg s AAA kijken. Soms, als de ontspanning te lang en te intens wordt, laat hij zijn plas lopen en moeten de zak en je broek in de was. Niemand doet daar moeilijk over, al vermoed je dat je moeder en jij de incontinentie van het beestje voor je vader verzwijgen. Straks mag je hem niet meer op schoot.

Jullie zullen hem uiteindelijk maar zo’n tweeënhalf jaar hebben. Vanaf de koude winterdag waarop je oom Hans hem – piepklein nog – uit de zak van zijn grote leren brommerjas haalt, tot het moment dat de dierenarts in Oude Wetering hem – ongeneeslijk ziek – laat inslapen, genieten jullie met volle teugen alledrie van deze vrolijke huisgenoot.

Tegen de meester van de zesde klas vertel je de ochtend na zijn dood hartstochtelijk huilend over het heengaan van Floortje. Je zult je veertig jaar later nog de gierende uithalen herinneren waarmee je je relaas vertelt, en dat je zicht vertroebeld is door tranen. Zo écht voelen, en zo puur uiten wat er is, daar zul je als volwassene nog wel eens heimwee naar hebben.

Ach Jonge Toch

“Ach jonge toch, nou maak je me wel een beetje aan het huilen hoor!” Al ken ik haar al een hele tijd, en is ze er altijd bij als ik tweemaal per maand op donderdagavond voor het slapengaan muziek kom maken, toch is dit nieuw voor mij. Want meestal slaat ze het zingen van de groep op de achtergrond gade zonder zelf noemenswaardig mee te doen. Of ze zegt streng en met een ernstige blik “Ik ken alleen maar psalmen en gezangen”.

Maar vandaag zingt ze alles mee, met een verbazingwekkend krachtige stem. Van “Het kleine café aan de Haven” tot “Elsje Fiederelsje” en zelfs het altijd toepasselijke “Hoe je heette dat ben ik vergeten”. En als ik de accordeon erbij haal, komt de aap uit de mouw en begint ze in de derde persoon over zichzelf te praten:

“Antje had verkering met zo’n leuke jongen. En die had een accordeon. En elke week gingen we erop uit. Van het ene feestje naar het andere. En de accordeon in de koffer achterop de fiets. Een auto hadden we niet. Hij is er eentje van Van Dijk, die ken je vast wel!”, daarbij even veronachtzamend dat ik minstens veertig jaar op haar achter loop.

“Hij is zo knap, met zijn golvende blonde haren”, vervolgt ze, alsof ze hem ineens in levenden lijve voor zich ontwaart, “en hij zingt dan zo mooi. Ja, ook engelse liedjes. En de meisjes zijn gek op hem, maar hij is míjn vriend!”

Stralend zingt ze verder. “Spring maar achterop”, “Diep in mijn hart”, “Sarie Marais”. Tot aan het slotliedje, “Droomland” waarmee ik afsluit, aangezien de verpleging zojuist de laatste medicijnronde heeft gedaan, en de pammetjes hier en daar al zichtbaar beginnen te werken.

Als ik mijn accordeon weer in de koffer doe, zegt ze: “Het is slecht afgelopen met de verkering. Antje haar geloof was niet goed genoeg. Hij is gereformeerd, en Antje is hervormd”. En ik zie hoe ze mij en mijn instrument met een weemoedige blik nastaart als ik de afdeling verlaat, alsof ze vanaf nu weer uitsluitend psalmen en gezangen kent.

Kind In Mij

Het is meer dan vijfenveertig jaar geleden dat dit tafereeltje tot stand kwam. In een tot stalletje getransformeerd sigarenkistje van mijn opa staan Jozef en Maria – een garenklosje als ruggengraat – bij het kribje; een luciferdoosje dat eens naast het gasfornuis lag. Het baby’tje is van onbekende oorsprong, maar in het matrasje waarop het ligt, herken ik de hand van mijn moeder.

De gezichten van Jozef en Maria zijn mijn eigen werk. Waarmee toen al duidelijk werd dat mijn grootste talent niet op het vlak van beeldende kunst ligt. Maar dat terzijde. Mijn Maria heeft een vriendelijke, open en zelfverzekerde blik. Jozef daarentegen kijkt buitengewoon verschrikt, alsof hem zojuist hardhandig de mond is gesnoerd. Het kan zomaar zijn dat dit destijds mijn beeld van de man-vrouwverhoudingen was.

Ik meen me te herinneren dat ik de basis van dit stalletje in de kleuterklas bij juf Ada heb gemaakt, en dat mijn moeder er thuis nog een en ander aan heeft bijgewerkt. Het stalraampje bijvoorbeeld, is onmiskenbaar iets van Agatha. Vooral dat het ook aan de achterkant van het stalletje terug komt, zegt iets over haar zorgvuldigheid én humor.

Mijn eigen kinderen zijn de kleuterleeftijd inmiddels al ruimschoots gepasseerd. Ik kijk hier rechtstreeks in de ogen van de mijne. Het aandoenlijke roodharige ventje dat “zo mooi kon zingen”. Dat bij de buren op de tafel werd gezet om “Nu zijt wellekome” ten gehore te brengen, want “Hij kent alle coupletten uit zijn hoofd!” Het verantwoordelijke kind dat zijn ouders en zijn opa en oma graag gelukkig wilde zien. “Hij ken zo goed met ouwe mensen praten”.

Ik zie ook het jochie dat bang was voor de grote boze buitenwereld. Dat de handen van zijn beide ouders stevig vasthield als hij het huis uit ging. Dat ’s nachts verstijfd in bed lag als hij “De Stromes” hoorde aanslaan – het waterschroefgemaal, vijftig meter verderop, dat het overtollige water uit de Vriesekoopschepolder naar de Drecht trok. De kurkentrekkerachtige constructie riep bij mijn ouders de grootste schrikbeelden op. “Daar moet je niet in vallen!” 

In mijzelf verscholen zit nog dat jongetje. Met zijn talenten, zijn enthousiasme, zijn ernst. En ook met zijn angst en beklemdheid, stukjes weggestopt verdriet. Geremde uitbundigheid.

En ook in mijn werk als therapeut met volwassenen kom ik zoveel van zulke kleine kinderen tegen. Die diep vanbinnen verscholen zitten in die grote vrouwen en mannen. Die zich soms bang, boos, verdrietig en beklemd voelen. Die vaak niet tot ontplooiing zijn gekomen, omdat ze al veel te vroeg verantwoordelijkheid moesten dragen, of die soms ongemerkt beschadigd zijn door rampspoed of misbruik. En die zo gebaat zijn bij gezien en erkend worden.

Zou het niet mooi zijn om het komende Kerstfeest als de geboorte van het kind in onszelf te vieren. Dat we met mildheid, zachtheid en zelfcompassie kijken naar het kind in onszelf en in anderen. Dat we daardoor meer gaan begrijpen en aanvaarden wie we nu zijn. Dat we er liefdevol zijn voor dat kleine en kwetsbare. En dat we het kind vanbinnen nu, als volwassene, bij de hand nemen, het troosten, en het vrij laten.

Of, zoals Hein Stufkens zo mooi dichtte:

achter al mijn woorden ben ik zo sprakeloos
en achter al mijn grootheid zo klein, zo bijna broos

achter al mijn maskers verschuilt zich mijn gezicht
en achter al mijn duister vermoed ik toch het licht

achter al mijn afweer moet ongerept bestaan
een kind in mij vergeten, wie roept het bij zijn naam

Gerard en zijn Engelbewaarder

Gerard in 1951

Als je de nul houdt

Zaterdagmorgen sta ik langs het veld. Soms bij de wedstrijd van mijn dochter, dan weer bij de wedstrijd van mijn zoon. Vol verbazing sla ik deze wereld gade. Want bij mezelf heb ik nooit enig talent of interesse voor voetbal bespeurd. Ik ben meer van het biljarten.

Toch stelt mijn zoon van negen wel eens de terechte vraag “Waar hebben wij onze aanleg voor voetbal vandaan?” En dan heb ik wel degelijk een antwoord: “Van je oudoom!”

Gerard de Rijk, mijn oom, de broer van mijn moeder, die ik slechts uit verhalen ken. Daar staat hij, als jochie van een jaar of dertien, in zijn nette pak, op de ochtend van zijn Plechtige Communie, zoals dat heette. Geboren als één van een tweeling in 1938, gestorven in 1969, slechts 31 jaar oud.

Niet lang na deze foto zal hij zijn debuut maken als keeper bij de plaatselijke voetbalclub. En als veertienjarige is hij al zó’n goeie doelman dat hij met de grote mannen mee mag doen.

Een vrijbuiter, die met zijn blonde kuif, zijn joviale vriendelijkheid en olijke humor menig hart voor zich weet te winnen. Maar ook een kwetsbare jongen. Want al jong bezwijkt hij voor de verleidingen van de fles.

“Als je de nul houdt, staat er een kratje voor je klaar!” zeggen zijn oudere teamgenoten. Althans, zo is het verhaal dat door familie sinds jaar en dag verteld wordt. Het ligt aan de anderen. Dat maakt zijn tragische levensverhaal misschien dragelijker. En het verdringt wellicht het sluimerende schuldgevoel.

Andere Aanleg

Maar er zal vast en zeker zeker meer meespelen. Hoe het is om op te groeien als één van de jongsten in een groot en arm gezin. De dreigende oorlogsjaren. Een broer voor je ogen zien sterven aan tetanus. Je moeder veel te jong verliezen.

En hij heeft misschien wel een wat onrustige en ongedurige persoonlijkheid, waarvoor in die dagen nog geen diagnose bestaat, laat staan een behandeling. Net een wat andere aanleg dan gemiddeld. Word je dan wel in je eigenheid gezien en gekend? En hoe moet je eigenlijk omgaan met overweldigende ervaringen van verdriet, plezier, succes, boosheid en zoveel meer?

In het dorp worden ruim een halve eeuw later nóg anecdotes verteld over de vrolijke vagebond Gijs, zoals hij ook wel wordt genoemd. Hoe een goede, loyale vriend hij was. Hoe hij zijn laatste cent gaf aan wie het nodig had. Hoe hij voor iedereen een vriendelijk woord had en hoe hij op goeie dagen kon werken als een paard.

En dan het smeuïge verhaal hoe hij op een dag, geflankeerd door een hele stoet kameraden, voor de rechtbank moet verschijnen vanwege de nachtelijke diefstal van een brommer. Vooral het feit dat hij het voertuig zomaar in een weiland heeft achtergelaten wekt ergernis. Met “Maar edelachtbare, ik heb hem tegen een koe aangezet; kan ik het helpen dat dat beest wegloopt!” heeft Gerard als vanzelf de lachers op zijn hand. Wie kan nou echt boos op hem zijn?

Pleegzoon

Maar het loopt uit de hand als hij, als twintiger, nog thuiswonend, een nieuwe stiefmoeder krijgt. Waar zijn vader hem nog lang de hand boven het hoofd houdt – als bijvoorbeeld op een ochtend blijkt dat Gerard ‘ s nachts met zijn dronken kop de gehaktballen uit de juspan heeft gegeten – weet zijn stiefmoeder geen raad meer met zulke situaties.

Hoeveel ruzies, goede voornemens en handen over het hart eraan voorafgegaan zijn, weet ik niet, maar de maat is vol als Gerard met trillende handen en een briefopener het geldkistje van zijn vader blijkt te hebben geplunderd. En op een ochtend staan zijn spullen op straat.

Dat hij bij de onvolprezen pastoor Thomas, zijn huishoudster Riet en kapelaan De Jong in de pastorie terecht kan, is een godsgeschenk. “Onze pleegzoon”, noemen ze hem liefdevol. Riet houdt de sleutel van de wijnkelder stevig op zak, en Gerard krijgt een paar jaar lang de structuur en duidelijkheid waar hij blijkbaar zo’n behoefte aan heeft.

Toch kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Gerard biecht op een dag aan de pastoor en Riet op dat hij in Alphen, met een slok op, vol bravoure over het spoor is gaan lopen, en dat hij op het nippertje voor een toeterende aanstormende trein weg kon springen.

Requiem

Hij is er echter van overtuigd dat zijn engelbewaarder bij deze kamikazeactie is omgekomen. En dat hij nu zelf onbeschermd en in gevaar is. Bloedserieus zingt hij, met zijn welluidende stem, vanaf de preekstoel, in een lege kerk het volledige gregoriaanse Requiem voor hem.

Twee weken later wordt Gerard op een novemberavond – hij is net nog bij mijn ouders langsgeweest, waar hij overtuigd en optimistisch een biertje afsloeg, “omdat nu écht de knop omgaat” – in het donker door een auto geschept. Heeft de bestuurder gedronken? Of is het anders gegaan? Hoe dan ook: zijn ontroostbare vader moet zijn gehavende verloren zoon samen met pastoor Thomas komen identificeren.

Die zondag preekt kapelaan de Jong voor de kinderen van de parochie: “Jullie kennen Gijs allemaal. Nu is hij dood. Hij heeft het niet makkelijk gehad en hij heeft fouten gemaakt. Maar Gijs is nu in de hemel. Hij was zo’n goede vriend en hij was zo goed voor kinderen en dieren; hij was zelf nog een groot en zorgeloos kind. Zo iemand kan geen slecht mens zijn!”

Uit het plakboek van mijn moeder

Tussen de Groeven in het Zand

Alsof je geteleporteerd bent. Vanuit de chaos van het dagelijkse leven in deze hectische periode van het jaar. Naar de stilte, de wind, de wolkenluchten. Het land, het strand en het ruisen van de zee.

Het kost je geen moeite om tijdens je wandeling of fietstocht over het eiland urenlang geen mensen tegen te komen. Alleen jezelf ben je af en toe even op het spoor.

Tussen de groeven in het zand speur je naar dat wat is achtergebleven op de bodem van je ziel. Afzettingen door de tijd. Sedimenten van verleden. Flarden van een lied. En zomaar een traan.

Wat als een paal boven water staat, stelt eigenlijk weinig voor. Je meningen, je zekerheden. Zon en wier en zand en vorst. Wind en zout en water. De tijd heeft zoveel instrumenten hier, om af te kalven, bij te schaven, op te breken. Transformatie.

Er is iemand aan wie je even denkt hier. Je hebt haar kort gekend, haar jonge leven dreef al naar het wrede einde. Jullie spraken over deze tijdloze plek. Om in je hart te bewaren.

En de maan weerkaatst het licht van een verre zon door de wolken. En de zee spiegelt het schijnsel terug. En je ogen absorberen het. Op de bodem van je ziel wacht de aarde op het licht.

In deze drukke periode voor Kerst – en in de heftigheid van alles wat er gebeurt in de wereld – probeer ik aandacht te besteden aan de Advent. Om in ontvankelijkheid – met open handen – te speuren naar Licht in het donker.