Auteursarchief: pkoek

Over pkoek

Atelier Piet Koek Muzikale en creatieve werkplaats voor persoonlijke ontwikkeling Aandacht voor wat binnen in jou tot leven wil komen Wat wordt je volgende stap in het leven? Waar word je warm van, en waar wil je naartoe? Of wat is er aan de hand waardoor je maar niet verder komt? Wat blokkeert je, of wat knaagt er aan je, daar vanbinnen? Er is er maar één die op deze vragen een antwoord kent, en dat ben je zelf! Het antwoord zit binnen in jou! Maar soms zit het wat verstopt, of durft het zich nog niet te laten zien. Soms zijn er geen woorden voor, of is het nog te teer om aan het licht te komen. Eén ding is zeker: wat daar vanbinnen wacht is de moeite waard om ontdekt te worden. Ik wil met jou op ontdekkingstocht. Aandachtig op zoek naar dat wat binnen in jou schuilt en ernaar verlangt tot ontplooiing te komen. Dat doen we niet door heel veel te praten of na te denken. Maar we doen het creatief, muzikaal, meditatief, speels en poëtisch Zo luisteren we samen naar wat er misschien nog niet eerder is beluisterd in jou En dan ontstaat er vanzelf een volgende stap Om jou meer te laten worden wie je bent Over mij Als muziektherapeut ben ik gewend om te luisteren naar datgene wat niet met woorden te vangen is. Onze gevoelens, onze pijn en onze verlangens kunnen vaak veel beter worden aangeraakt en tot uiting worden gebracht met klank, muziek en andere creatieve middelen. Daarnaast ben ik focusbegeleider. Dat betekent dat ik opgeleid ben om samen echte aandacht te hebben voor wat er in jou van belang is, en vooral hoe dat voelbaar is in je lijf. Het brok in je keel, de knoop in je maag, het brandende verlangen: we komen vaak bij de kern van wat ons bezig houdt door te luisteren naar de taal van ons lijf, die te erkennen en te doorvoelen. Datgene waar we “last” van hebben, heeft ons dikwijls iets wezenlijks te zeggen. En dan heeft het meer zin om ermee in contact te komen, er mild en nieuwsgiering bij stil te staan, dan om ervoor weg te vluchten of ons erdoor te laten overspoelen. Hoe Vanuit mijn intuïtie en ervaring, én vanuit mijn ambachtelijke kennis als muziektherapeut en focusbegeleider gebruik ik veel verschillende werkvormen. Van geleide meditatie met muziek, muzikale improvisatie, zingen en stemexpressie tot het schrijven van teksten en liederen, en samen stil zijn of een wandeling maken. Alles ten dienste van het contact met jouw binnenwereld, jouw dromen, en met jouw volgende stap. Als je wilt ontdekken wat ik je te bieden heb, kun je een afspraak maken om langs te komen in mijn “atelier/praktijkruimte” in de oude gevangenis van Leeuwarden. Dan kunnen we kijken wat we gaan doen en hoe vaak we denken nodig te hebben. Mijn tarieven zijn in overleg en naar draagkracht. Inspiratie “Vandaag ben ik gaan lopen, en waar ik loop is van nu af aan een weg” (Acda en de Munnik) “There are no enemies inside” (Ann Weiser Cornell) “De weg is vrij, de weg is open, de weg is mateloos van mij!” (Ramses Shaffy) “Every bad feeling is potential energy toward a more right way of being, if you give it space to move toward its rightness.” (Gene Gendlin) Contact Atelier Piet Koek is, samen met andere creatieve bedrijfven, gevestigd in de oude stadgevangenis van Leeuwarden, de Blokhuispoort, cel H 115 Telefoon: 06-12260769 Mail: pjgkoek@gmail.com (Website: www.pietkoek.nl)

Jarig

Zeventien jaar is Miesje deze week geworden. Ons eigenzinnige beest. Ze was al bij ons toen we samenwoonden in ons flatje, voordat we een huis kochten, voordat er kinderen kwamen.

Het is niet voor het eerst dat ik over haar schrijf, en hopelijk ook niet voor het laatst. Toen ik onlangs voor de jaarlijkse vaccinatie en gezondheidscheck met haar bij de dierenarts was, sprak deze immers haar bewondering uit: “Wat is ze nog goed voor haar leeftijd!” Daarbij vond ik het woordje “nog” overigens wel enigszins verontrustend klinken.

Zeventien jaar is kort én lang. Een derde van mijn eigen leven tot nu toe. En terugdenkend ontkom ik niet aan enige nostalgie.  Ik was zelf nog maar twee keer zeventien toen we haar – in ruil voor een zelfgebakken appeltaart – uit een Fries dorpje van een boerderij konden meenemen. Daar was ze niet op haar plek. In de ogen van de boerin te klein en te kwetsbaar om een echte muizenvanger te worden.

Een scharminkel was het, de kleinste van een nestje, waarschijnlijk te vroeg bij haar moeder vandaan gehaald en de eerste weken van haar leven opgegroeid tussen twee venijnige hondjes, waarvan zij heeft geleerd van zich af te bijten.

Enigszins getraumatiseerd kon je haar wel noemen. Het kleine mormeltje bleek snel gestresst, gauw uit haar hum. Blazen, bijten, krabben. Maar ook spelen, en op eindeloos op schoot liggen als ik piano speelde.

En zo was ze erbij toen we ons leven samen opbouwden. En zo ving ze goudvissen uit de vijver van de buurman toen onze dochter net was geboren. Ze legde de beestjes halfdood onder de wieg. Cadeautje!

Ze werd rustiger. Wist ze in haar jongere jaren nog wel eens een muis of vogel te verschalken, later kwam ze nog slechts met wormen aanzetten, en tegenwoordig is ze vooral binnen. Het liefst op schoot.

Met alle gezinsleden heeft ze een eigen band. En al hebben we allemaal wel eens een uithaal van haar ondergaan, toch zijn we gek op haar en zoekt zij ons alle vier op. Als één van ons een paar dagen weg is, gaat ze ’s morgens bij de deur naar de gang zitten en kijkt ze verwachtingsvol naar de trap. “Er ontbreekt iemand van mijn personeel” lijkt ze te denken.

’s Avonds als wij naar bed gaan pakt ze haar trouwe groene stoffen speeltje – schildkikker noemen we die, een soort van kruising tussen schildpad en kikker – en gaat er een hele tijd keihard bij zitten mauwen. Geen idee wat het betekent, maar dat is nou juist zo onweerstaanbaar aan een kat. Het blijft een mysterie. Als het leven zelf. Een geruststellend relativerende gedachte.

Kikkerconcert

Zo nu en dan kan ik niet slapen. Maar het is helemaal niet zo erg om wakker te liggen, als je maar kunt luisteren naar een kikkerconcert. Zoals ze de laatste jaren ook weer gegeven worden, in de spoorsloot voor ons huis.

Hypnotiserend bijna, het geluid van kwakende kikkers in de nacht. Zoals ik het hoorde als ik in mijn puberjaren langs de Dijksloot terugfietste naar huis, na een avond bij pastoor Thomas en Riet. Na met zelfgemaakte vlierbloesemwijn overgoten gesprekken over schepping en roeping, en nog meer dingen die eigenlijk te groot zijn voor woorden.

Of na één van die lange uitbundige avonden bij ome Cors. Diep in de donkere nacht, langs de Drecht, als mijn fiets vleugels leek te hebben. De kikkers in de sloten. Alsof ze onze euforische gesprekken over de oerkrachten van de natuur echoden, en ze optilden boven de aarde.

Of later, toen ik voor het eerst impelsltimpelstapelverliefd was (zoals Youp dat toen zo aanstekelijk noemde), maar ik haar weer los had moeten laten. Een wandeling langs de singels van avondlijk Utrecht. Sigarettenrook vermengd met kamperfoelie. En een droeve zang van groene vrienden in het donker. “Zo gaat dat jongen”, riepen ze me begripvol toe.

Toen leken de zangers jarenlang weg. De gemiddelde waterkwaliteit liet blijkbaar te wensen over. Tot op Vlieland dan, waar we zo vaak in het voorjaar waren, toen onze kinderen nog klein waren.

Daar luisterden we vol ontzag naar het oorverdovende gekwaak in de kikkerpoel,  onderaan het Vuurboetsduin, in het bos achter de vuurtoren. Ik zie nog de verbazing in de ogen van onze kleuters. Overweldigende ervaring. Misschien zijn zij het vergeten. Ik niet.

Dwaallicht En Scheerzeep

Nu mijn zoon in een Donald Duckfase zit, vind ik ineens overal exemplaren van dit generaties overstijgende tijdschrift in huis.

Hij krijgt ze via allerlei kanalen binnen. Van zolder bij pake en beppe bijvoorbeeld, of in een bundeltje vanaf de koningsmarkt. Twintig exemplaren voor twee euro. Een samenraapsel van allerlei jaargangen. En er zitten ook een paar oudjes tussen.

Zo zit ik ineens met een beduimeld exemplaar uit 1979 in mijn handen. En er gaat een vreemd nostalgisch gevoel door me heen als ik het open. Dit verhaal ken ik! Deze had ik vroeger zélf!

Ik geloof dat ik destijds nog niet echt las, maar dat ik vooral plaatjes keek, en er mijn eigen verhaal van maakte. Ik voegde er mijn eigen interpretaties aan toe, en daarmee werd het verhaal nogal eens griezeliger dan het was bedoeld.

Bij het zien van deze tekening van een tot leven gekomen dwaallichtje voel ik de spanning weer die hij destijds opriep. En bovendien ruik ik er meteen een zweem van scheerzeep en aftershave bij.

De Donald Duckjes uit mijn jeugd kwamen immers van de plaatselijke kapper Lou. Toen die met pensioen ging, kreeg ik het stapeltje, dat in de salon lag voor de kinderen die hij kapte, bij mijn laatste knipbeurt mee naar huis.

De magie van toen dringt moeiteloos door de mist van vijfenveertig jaar leven heen. Ik zit weer op mijn zolderkamertje en herinner me dat de woorden “moerasgas” en “dwaallicht” een verpletterende indruk maakten. Het leven bleek vol geheimen. En Donald Duck wijdde me in.

Halverwege

Opnieuw de Afsluitdijk. Eindelijk keert de rust er enigszins weer, na jaren van onrustige vernieuwing. De graafmachines zijn goeddeels verdwenen, en de opgehoogde zeedijk is weer als vanouds begroeid. Ook de onoverwinnelijke zeekool lijkt zijn rentree te maken.

De nieuwe pompen en de vismigratierivier, het pas aangelegde windmolenpark, het onberispelijke asfalt aan weerszijde van glimmende vangrails, en het nieuwe fietspad aan de zeekant doen er niks aan af: het blijft hier een stuk niemandsland. Kwetsbaar, tijdelijk land, temidden van het machtige water dat alles relativeert.

Halverwege Noord-Holland en Friesland. Tussen verleden en toekomst. Tussen Leimuiden en Leeuwarden, tussen geboortegrond en nieuw thuis. En zoals zo vaak sta ik er even stil.

Zo’n vijftien jaar lang reed ik wekelijks minstens éénmaal per week heen en weer tussen ons huis in Leeuwarden en het huis van mijn ouders in Leimuiden en later Alphen aan den Rijn. Nu zij er niet meer zijn, maak ik de tocht veel minder vaak. En daardoor voelt het minstens zo betekenisvol.

Het dringt dezer dagen ineens tot me door dat ik inmiddels langer in ons huis in de Friese hoofdstad woon, dan ik met mijn ouders aan de Oosterweg heb gewoond. Ook in mijn hoofd moet ik een flinke afsluitdijk afleggen voor ik weer daar, vroeger ben. Maar ik ben even zo ver verwijderd van grote gedachten over heden of toekomst. Daar is het hier de plek niet voor.

Alsof je even uit de context bent getrokken. Daar op die parkeerplaats, halverwege, in de zon. Op de dijk in je ziel die verbindt én afsluit, die tussen twee werelden onderscheid maakt. Goed om daar stil te staan en stil te zijn, de wind door je haar te voelen, de zeelucht op te snuiven, de meeuwen te horen roepen. Tijdloos en grenzeloos. Om je ogen dicht te doen en je handen open.

Als Die Toch Eens Praten Kon

“Als die toch eens praten kon!” zei pa dan. Zo’n trommel die tientallen jaren op de tafel heeft gestaan, die meerdere tafelkleden in diverse stijlen heeft overleefd. Waar duizenden koekjes in hebben gezeten, die geen van alle de kans hebben gekregen om muf te worden, daar pa en ma de uitspraak “Wij heten Koek, dus we eten Koek” dagelijks in praktijk brachten. De trommel is getuige geweest van alles wat in Leimuiden, Alphen en Leeuwarden werd gezegd en verzwegen. Hij heeft mij gezien als kind, volwassen en middelbaar. Als zoon én als vader. En hij heeft mijn ouders gezien, ook als ik er niet bij was. Hij weet – meer dan ik – hoe hun leven samen er uit zag.

Wat zou hij vertellen als hij een geheugen en een mond had? Zouden zijn verhalen lijken op de verhalen die ik vertel, of legt hij heel andere accenten? Zou hij zich, net als ik, ook herinneren hoe mijn vriendje E. na schooltijd meeging naar huis; hoe mijn moeder hem toestond meerdere biscuitjes uit de trommel in zijn thee te dompelen, en hij ruime hoeveelheden suiker over het warme papje mocht strooien. Alleen al omdat ze medelijden met hem had, daar zíjn moeder niet elke middag klaar zat met de thee.

Zou de trommel de onverstaanbare moppen van mijn oom hebben onthouden, de met jenever overgoten gulle lach, als de pastoor op bezoek was. Of de roddels als een bevriende boer een emmertje biest bracht. Zou hij alle handen nog voelen, die de janhagels, krakelingen, stroopwafels en dikke speculaasbrokken uit zijn binnenste hebben gevist bij talloze kopjes koffie, soms bestemd om de bezoeker weer enigszins nuchter te krijgen voor hij naar huis terugkeerde?

En zou de trommel onder woorden weten te brengen welke gesprekken pa en ma over mij hadden? Hun zorgen, hun hoop en hun dromen. Toen ze te horen hadden gekregen dat ik op school gepest werd, of toen ik stopte met mijn priesteropleiding, of toen ik voor het eerst een vriendin had. Hebben ze daar over gesproken, of hebben ze vooral betekenisvol gezwegen? Toen ik naar Friesland verhuisde, toen ze opa en oma werden. Toen er steeds meer dierbaren om hen heen ziek werden en wegvielen, en toen ze zelf oud en kwetsbaar werden. Hebben ze erover gepraat, of heeft pa vooral aritmisch op de tafel getrommeld, terwijl ma hem met een mengeling van ontroering en irritatie aankeek?

Zou er een manier zijn om de trommel geheimen te ontfutselen? Dingen die ik niet weet, gesprekken die niet voor mijn oren waren bestemd? Gelukkig niet. Geheimen mogen geheimen blijven. En het leven van mijn ouders wás niet van mij. Ik denk dat ik veel over hen weet, maar ik weet ook heel veel niet. Veel wat ik nóóit zal weten. Het is verleidelijk om te denken dat ik door het bezit van twee plastic kratten vol met de “relieken” van hun leven – zijn pet, haar omslagdoek, zijn horloge, haar ketting – de gestolde versie van hun verleden “in bezit” heb. Maar ik ken slechts de betekenis die ík eraan geef.

De trommel is er de stille getuige van dat ik dit stukje schrijf. En misschien weet hij er nog van als ikzelf allang “aan de overkant” van dit bestaan ben. Misschien bewaren mijn kinderen hem omdat zij zich nog herinneren hoe oma er hen altijd net een koekje teveel uit presenteerde. Of belandt hij in een kringloop- of vintagewinkel, en koopt iemand hem die de nostalgie voelt waarmee hij geladen is?

Voorlopig staat hij nog bij ons in de keuken en verzamelt hij verhalen. En als ik hem in handen neem, en over zijn deksel wrijf, is hij soms net de wonderlamp van Aladin. Dan begin hij te glimmen en geeft hij iets prijs wat ik allang vergeten dacht te zijn. En zo fluisteren wij elkaar goedenacht. De trommel en ik.

Reliek

Als ik de grote plastic bak opendoe, komen vertrouwde geuren mij tegemoet. De adem van mijn ouderlijk huis.

In de bak, waartoe de inventaris van mijn moeder, anderhalf jaar na haar overlijden zo ongeveer is geslonken, bevinden zich vooral foto’s, kaarten, brieven en kleine snuisterijen. De meeste daarvan komen mij bekend voor. Maar af en toe zit er ook nog wel een verrassing tussen.

Zo kwam ik vandaag dit tegen. Een relikwie. Een splinter van de doodskist van de heilige Karel van Sint Andries. Na wat googlen kom ik erachter dat het om pater Karel Houben gaat. Een Nederlandse priester uit Munstergeleen op wiens voorspraak meerdere genezingen zijn gemeld.

Pater Karel zou in 1883, toen hij zelf nog leefde, een doodgeboren baby tot leven hebben gewekt. En meer dan honderd jaar na zijn dood heeft hij er voor gezorgd dat zijn dorpsgenoot Dolf Dormans van een levensbedreigende darmkwaal genas. Paus Benedictus XVI heeft hem daarom – na zorgvuldig onderzoek – in 2007 heilig verklaard.

Geen idee hoe ze eraan gekomen is. Maar behalve een reliek van Pater Karel, is dit kleinood misschien nog meer een soort reliek van mijn moeder. Een symbool van de wereld waarin zij leefde. Een belevingswereld waarin je een tastbaar stukje heiligheid kon vasthouden. Waaraan je je in moeilijke tijden kon vastklampen.

Op welke momenten zal moeder Agatha pater Karel erbij hebben gepakt? Toen mijn vader ziek werd? Toen ze zelf voelde dat haar verstandelijke vermogens begonnen te slijten? Hoe dan ook: haar levensverhaal is doorspekt met dit soort dingen. Hoe vanzelfsprekend het was om je leven toe te vertrouwen aan God en aan zijn heiligen en engelen. Vooral vanuit het besef dat je zelf zo verschrikkelijk veel niet in de hand hebt.

Als kind bad ik elke avond in bed: “Engel van God, die mijn bewaarder zijt, aan wie de goddelijke goedheid mij heeft toevertrouwd, verlicht, bewaar, geleid en bestuur mij. Amen.”

Daarmee sloot ik de dag af, en kon ik iets van het verantwoordelijkheidsgevoel dat ik als jochie al had, loslaten. Vanuit het veilige gevoel dat er iets en Iemand groter is dan ik, groter dan mijn gepieker. Het gevoel de controle los te kunnen laten. Dat mijn leven niet helemaal van mij is.

Ik ben blij dat niet helemaal vergeten te zijn.

Onder Ogen

Ben ik eigenlijk in staat om lijden onder ogen te komen? Er écht naar te kijken? Het te zien, te horen, te voelen, te ruiken en te proeven?  Onverdoofd, eerlijk? Het niet weg te stoppen, mooier te maken, met een bloemrijk theologisch, muzikaal of kunstzinnig sausje te overgieten? Met cynisme, of met woorden? Kan ik “erbij blijven”?

Het gestileerde en serene kruisbeeld dat altijd bij mijn ouders aan de wand hing, is, naast het kindje in de kribbe, voor mij het eerste beeld dat ik van Jezus had. Op Goede Vrijdag gingen we er ’s middags om drie uur voor op de knieën, mijn moeder en ik. En als er een vriendje of vriendinnetje bij me speelde, werd ook die betrokken bij het ritueel. Mijn moeders plechtige stem: “Wij aanbidden U Christus, en wij loven U, omdat Gij door Uw heilig Kruis de wereld hebt verlost”

De Kruisweg. In veertien stappen volg je Jezus op zijn weg, van de terdoodveroordeling tot aan de graflegging. Biddend. Er bij zijn. Toeschouwer, of meer nog: deel uitmaken van het verhaal. Maar hoe die spijkers echt voelen? En die doornenkroon? De zweepslagen en het hoongelach?

Kan ik vandaag “bij” het lijden zijn, zonder het op te willen lossen? Zonder ervoor op de vlucht te slaan. En ook zonder me erin onder te dompelen? Durf ik stil te staan bij het lijden van de ander, van de wereld? Naast het bed van de stervende blijven zitten, of kijken in de ogen van de wanhopige? Aanwezig zijn bij het grote of schijnbaar “kleine” leed van de mensen om me heen? Het ermee uithouden?

Maar misschien ook wel: durf ik stil te staan bij mijn eigen pijn en kwetsbaarheid? Of maak ik me groter dan ik me voel, overschreeuw ik mezelf? Of koester ik juist de slachtofferrol? Kan ik mezelf echt onder ogen zien? Durf ik het “niet weten” te aanvaarden?  Ben ik bereid me te verzoenen met mijn eigen imperfecties? En daar dan weer kracht uit putten? Me niet groter of kleiner te maken dan ik ben?

Ik zag vandaag, toen ik om drie uur de Kruisweg overwoog, ineens in dat het verhaal eigenlijk vooral een eerlijk verhaal is. Dat Jezus zijn verantwoordelijkheid neemt door het kruis op zich te nemen, maar dat hij ook hulp moet aanvaarden als het kruis te zwaar wordt, als hij struikelt en valt. Hij is niet laf, maar ook geen superheld.

Ik zag dat er mensen zijn die hem helpen dragen en die hem troosten. Dat hij zich láát troosten. En dat hij, hoezeer ook in beslag genomen door die vreselijke tocht, nog oog en oor heeft voor de anderen, voor het leven dat dóórgaat, ook al loopt hij zelf zijn dood tegemoet.

Als Gods verhaal ergens een menselijk gezicht heeft, is het daar. Zijn zoon is net zo kwetsbaar, net zo weerloos als wij. Maar ook krachtig, tegen beter weten in. Zonder het mooier te maken dan het is. Eenzaam en verbonden tegelijk.

Hoezeer ik ook hou van de liturgie, en hoe ik me ook thuis voel bij de oude kerkelijke rituelen, vandaag was het goed om dit verhaal in mijn eentje te overwegen. Om in te zien dat het geen mooi of verheven verhaal is, maar dat het gaat over ons, over jou en mij.

Malse Grassies

Je fietst een stukje en ineens, op een toevallige groenstrook zie je hetzelfde gras. Je zou bijna afstappen om een handje te plukken, zoals je dat veertig jaar geleden tweemaal per dag deed. Voor Floortje.

Als je tussen de middag en aan het einde van de dag uit school komt, en je de avontuurlijke sluiproute onder de dijk volgt, loop je langs dit meest groene en malse lentegras.

De cavia hoort je al aankomen en begint vanuit zijn riante verblijf – je moeder gunt jullie roodwitte huisgenoot een zo ruim mogelijk onderkomen, zelf getimmerd  van een oude kist, met getraliede ramen en deur – luidkeels te piepen. “Kijk toch ‘s, malse grassies!” zeg je tegen hem. En als je ze door de tralies steekt, begint het beestje terstond gulzig te knagen.

’s Morgens, als je vader als eerste beneden is, laat hij hem uit zijn hok. Als een dolle rent en springt hij door de keuken, en hij knaagt hartstochtelijk aan het vloerkleed onder de tafel. Hij zet zich schrap als hij de rand van het kleed met kracht toch gauw zo’n 15 centimeter van de vloer omhoog trekt. Als je moeder en jij de trap afkomen wacht hij, wederom enthousiast piepend bij de deur op jullie entree.

’s Avonds ligt hij urenlang op schoot, in een speciale zak die je moeder van de resten van je oude oranje badstof pyjama heeft gemaakt, terwijl jullie koffie drinken en naar het journaal en Zeg s AAA kijken. Soms, als de ontspanning te lang en te intens wordt, laat hij zijn plas lopen en moeten de zak en je broek in de was. Niemand doet daar moeilijk over, al vermoed je dat je moeder en jij de incontinentie van het beestje voor je vader verzwijgen. Straks mag je hem niet meer op schoot.

Jullie zullen hem uiteindelijk maar zo’n tweeënhalf jaar hebben. Vanaf de koude winterdag waarop je oom Hans hem – piepklein nog – uit de zak van zijn grote leren brommerjas haalt, tot het moment dat de dierenarts in Oude Wetering hem – ongeneeslijk ziek – laat inslapen, genieten jullie met volle teugen alledrie van deze vrolijke huisgenoot.

Tegen de meester van de zesde klas vertel je de ochtend na zijn dood hartstochtelijk huilend over het heengaan van Floortje. Je zult je veertig jaar later nog de gierende uithalen herinneren waarmee je je relaas vertelt, en dat je zicht vertroebeld is door tranen. Zo écht voelen, en zo puur uiten wat er is, daar zul je als volwassene nog wel eens heimwee naar hebben.

Ach Jonge Toch

“Ach jonge toch, nou maak je me wel een beetje aan het huilen hoor!” Al ken ik haar al een hele tijd, en is ze er altijd bij als ik tweemaal per maand op donderdagavond voor het slapengaan muziek kom maken, toch is dit nieuw voor mij. Want meestal slaat ze het zingen van de groep op de achtergrond gade zonder zelf noemenswaardig mee te doen. Of ze zegt streng en met een ernstige blik “Ik ken alleen maar psalmen en gezangen”.

Maar vandaag zingt ze alles mee, met een verbazingwekkend krachtige stem. Van “Het kleine café aan de Haven” tot “Elsje Fiederelsje” en zelfs het altijd toepasselijke “Hoe je heette dat ben ik vergeten”. En als ik de accordeon erbij haal, komt de aap uit de mouw en begint ze in de derde persoon over zichzelf te praten:

“Antje had verkering met zo’n leuke jongen. En die had een accordeon. En elke week gingen we erop uit. Van het ene feestje naar het andere. En de accordeon in de koffer achterop de fiets. Een auto hadden we niet. Hij is er eentje van Van Dijk, die ken je vast wel!”, daarbij even veronachtzamend dat ik minstens veertig jaar op haar achter loop.

“Hij is zo knap, met zijn golvende blonde haren”, vervolgt ze, alsof ze hem ineens in levenden lijve voor zich ontwaart, “en hij zingt dan zo mooi. Ja, ook engelse liedjes. En de meisjes zijn gek op hem, maar hij is míjn vriend!”

Stralend zingt ze verder. “Spring maar achterop”, “Diep in mijn hart”, “Sarie Marais”. Tot aan het slotliedje, “Droomland” waarmee ik afsluit, aangezien de verpleging zojuist de laatste medicijnronde heeft gedaan, en de pammetjes hier en daar al zichtbaar beginnen te werken.

Als ik mijn accordeon weer in de koffer doe, zegt ze: “Het is slecht afgelopen met de verkering. Antje haar geloof was niet goed genoeg. Hij is gereformeerd, en Antje is hervormd”. En ik zie hoe ze mij en mijn instrument met een weemoedige blik nastaart als ik de afdeling verlaat, alsof ze vanaf nu weer uitsluitend psalmen en gezangen kent.

Kind In Mij

Het is meer dan vijfenveertig jaar geleden dat dit tafereeltje tot stand kwam. In een tot stalletje getransformeerd sigarenkistje van mijn opa staan Jozef en Maria – een garenklosje als ruggengraat – bij het kribje; een luciferdoosje dat eens naast het gasfornuis lag. Het baby’tje is van onbekende oorsprong, maar in het matrasje waarop het ligt, herken ik de hand van mijn moeder.

De gezichten van Jozef en Maria zijn mijn eigen werk. Waarmee toen al duidelijk werd dat mijn grootste talent niet op het vlak van beeldende kunst ligt. Maar dat terzijde. Mijn Maria heeft een vriendelijke, open en zelfverzekerde blik. Jozef daarentegen kijkt buitengewoon verschrikt, alsof hem zojuist hardhandig de mond is gesnoerd. Het kan zomaar zijn dat dit destijds mijn beeld van de man-vrouwverhoudingen was.

Ik meen me te herinneren dat ik de basis van dit stalletje in de kleuterklas bij juf Ada heb gemaakt, en dat mijn moeder er thuis nog een en ander aan heeft bijgewerkt. Het stalraampje bijvoorbeeld, is onmiskenbaar iets van Agatha. Vooral dat het ook aan de achterkant van het stalletje terug komt, zegt iets over haar zorgvuldigheid én humor.

Mijn eigen kinderen zijn de kleuterleeftijd inmiddels al ruimschoots gepasseerd. Ik kijk hier rechtstreeks in de ogen van de mijne. Het aandoenlijke roodharige ventje dat “zo mooi kon zingen”. Dat bij de buren op de tafel werd gezet om “Nu zijt wellekome” ten gehore te brengen, want “Hij kent alle coupletten uit zijn hoofd!” Het verantwoordelijke kind dat zijn ouders en zijn opa en oma graag gelukkig wilde zien. “Hij ken zo goed met ouwe mensen praten”.

Ik zie ook het jochie dat bang was voor de grote boze buitenwereld. Dat de handen van zijn beide ouders stevig vasthield als hij het huis uit ging. Dat ’s nachts verstijfd in bed lag als hij “De Stromes” hoorde aanslaan – het waterschroefgemaal, vijftig meter verderop, dat het overtollige water uit de Vriesekoopschepolder naar de Drecht trok. De kurkentrekkerachtige constructie riep bij mijn ouders de grootste schrikbeelden op. “Daar moet je niet in vallen!” 

In mijzelf verscholen zit nog dat jongetje. Met zijn talenten, zijn enthousiasme, zijn ernst. En ook met zijn angst en beklemdheid, stukjes weggestopt verdriet. Geremde uitbundigheid.

En ook in mijn werk als therapeut met volwassenen kom ik zoveel van zulke kleine kinderen tegen. Die diep vanbinnen verscholen zitten in die grote vrouwen en mannen. Die zich soms bang, boos, verdrietig en beklemd voelen. Die vaak niet tot ontplooiing zijn gekomen, omdat ze al veel te vroeg verantwoordelijkheid moesten dragen, of die soms ongemerkt beschadigd zijn door rampspoed of misbruik. En die zo gebaat zijn bij gezien en erkend worden.

Zou het niet mooi zijn om het komende Kerstfeest als de geboorte van het kind in onszelf te vieren. Dat we met mildheid, zachtheid en zelfcompassie kijken naar het kind in onszelf en in anderen. Dat we daardoor meer gaan begrijpen en aanvaarden wie we nu zijn. Dat we er liefdevol zijn voor dat kleine en kwetsbare. En dat we het kind vanbinnen nu, als volwassene, bij de hand nemen, het troosten, en het vrij laten.

Of, zoals Hein Stufkens zo mooi dichtte:

achter al mijn woorden ben ik zo sprakeloos
en achter al mijn grootheid zo klein, zo bijna broos

achter al mijn maskers verschuilt zich mijn gezicht
en achter al mijn duister vermoed ik toch het licht

achter al mijn afweer moet ongerept bestaan
een kind in mij vergeten, wie roept het bij zijn naam