Huidhonger

Schrale handen van het vele wassen. De inwerking van zeep en alcohol. Schrale troost van een beetje handcrème. Maar ook schrale handen van het niet mogen aanraken en het niet aangeraakt worden. Schrale tijden voor mensen met huidhonger.

En ik ben nog in de gelukkige omstandigheid deel uit te maken van een gezin waar we elkaar wel kunnen knuffelen, aanraken, troosten. Maar welke armen omhelzen mijn oude moeder? Welke handen strelen de handen van zoveel andere oude, eenzame, verwarde en verdrietige mensen? En hoeveel mensen zijn er nu wereldwijd ziek of stervend zonder dat ze huid op huid voelen?

We zijn bang, terecht bang voor een gevaarlijk virus. En daardoor zijn we noodgedwongen bang voor elkaar. Zie ons elkaar onhandig en schichtig passeren op straat. Onze achterdochtige blikken als we iemand horen hoesten.

Hoe blijf je menselijk als je bijna alleen nog virtueel contact mag hebben? Al is het een geweldig en onmisbaar wonder dat we elkaar via audiovisuele middelen zien en horen, toch ontbreekt er wezenlijk iets.

Zullen we het straks inhalen? Zullen we elkaar weer leren hoe het kan zijn? Ja, laten we elkaar verhalen vertellen over hoe graag we elkaar willen strelen, troosten, beminnen. Als middel tegen angst en eenzaamheid. Al mag het er nu niet zijn, het bestáát wel. In je hart, in je herinnering en in je verlangen.

Klein Genoeg?

Leeuwarden, Van Harinxmakanaal, 17 maart 2020

Lang geleden dat ik zo’n mooie zonsopgang meemaakte. Er zijn natuurlijk wel vaker mooie zonsopgangen, waar ik met een schuin oog naar kijk, in het voorbijgaan, terwijl ik met andere dingen bezig ben. Autorijden, ontbijt klaarmaken, de afvalbak buiten zetten. Maar déze zonsopgang maakte ik bewúst mee. Terwijl ik een ochtendwandeling maakte, voordat de massa ontwaakte.

Toen ik vanmorgen wakker werd, dit keer rond kwart voor zes (alweer een verbetering ten opzichte van gisteren, toen het half vijf was) besloot ik te doen wat ik me gisteren had voorgenomen. Niet meteen het coronanieuws bekijken, maar de deur uitgaan. Lopen tot de zon komt.

In de ochtendschemering zag ik meerkoeten, hoorde merels, en oorverdovend de koolmezen. Kraaien en een duif. En dit keer niet overstemd door koortsachtig autoverkeer. Ik hoorde de kerkklok zes uur slaan, en dacht willekeurig aan het oude Angelusgebed, waarmee onze voorouders hun dagen markeerden.

Zes uur ’s morgens, twaalf uur ’s middags en zes uur ’s avonds luidde de klok. Als een refrein tussen de coupletten van het dagelijks bestaan. De boer op het land, de bakker op zijn bakfiets, ieder bad “De engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt, en ze heeft ontvangen van de Heilige Geest”. Onbegrijpelijke taal voor de meesten van ons nu. Maar toch met een bijzondere lading. Want het was een manier om ons aardse leven, onze aardse zorgen in verbinding met de hemel te zien. Om te zeggen: we staan niet alleen, er is een groter verband waaronder wij veilig zijn.

We voelen ons op dit moment een stuk onveiliger dan we gewend zijn. Een groter verhaal van een god en een hemel is voor de meesten van ons een soort aandoenlijk of ergerlijk sprookje geworden. En met de dreiging van ziekte en ondergang weten we ook al weinig raad meer. De veiligheid van onze tot voor kort rotsvast lijkende economie en gezondheidszorg is een schijnveiligheid geworden. En nu maar leren omgaan met die beklemmende onzekerheid.

Ik voelde me onder de enorme kleurende hemel toch even geborgen vanmorgen. Omdat ik was omringd door natuur, leven dat doorgaat. Ook al is het diezelfde natuur die virussen voortbrengt. Maar soms voelt het gewoon geborgen om niet zo belangrijk te zijn. Klein te zijn, klein genoeg om gedragen te worden….

Mindfull Medicijn

Na mijn avondwandeling door onze onwerkelijk lege stad wacht Miesje op de eerste gelegenheid om op mijn schoot te springen. Onmiddellijk rust. Een poes is zo’n krachtig mindfull medicijn tegen onrust.

En aan onrust geen gebrek, deze gekke dag. Mijn hele lijf zat er vol mee. Vanaf vanmorgen, toen ik, veel te vroeg wakker, de verleiding niet kon weerstaan om enkele pikzwarte doemscenario’s te bestuderen op internet. Zodat ik al voor het licht werd moeite moest doen om mijn voortwoekerende gedachtenstroom te beteugelen. Dat kost energie.

Niet meer doen, nam ik me voor. Alleen nog maar naar de gerustellende baard van het RIVM luisteren, en maximaal twee keer per dag. En naar de toespraak van de premier natuurlijk.

Trouwens, tussen haakjes: die man verdient hulde. Dat hij er toch weer staat, in deze onoverzichtelijk complexe situatie. Ik zou niet graag in zijn schoenen staan. Politiek lijkt soms een spel, maar hier houdt de speelsheid op. Ik vind Mark vandaag een kanjer.

Gelukkig floot de merel toen de zon vanmorgen opkwam. En voordat de anderen wakker werden ging ik, een kop thee in de hand, op ontdekkingstocht door de tuin. Ik zag, in de de zich langzaam als leguanentongen ontrollende varenbladeren (zoals de onvolprezen Maarten van Rozendaal dichtte) pissebedden met vastberaden tred heen en weer lopen. Alsof er geen corona bestond.

Corona bestaat ook helemaal niet voor pissebedden. Het overgrote deel van de natuur draait gewoon door. Of wij nu massaal bezwijken of niet. Het leven is onverwoestbaar. Ik stel me wel eens voor hoe het eruit zou zien als wij ineens van de aardbodem zouden verdwijnen. Binnen dertig jaar zou alles overwoekerd zijn, zoals een fotoreportage van het verlaten gebied rond Tsjernobyl laat zien. Een enorme variëteit aan planten en dieren neemt het over. Een even apocalyptische als geruststellende gedachte.

Maar zover komt het echt niet door de huidige pandemie. Hoe ver het wel komt weten we niet. En dat we het met die onzekerheid moeten zien uit te houden weten we wel. Intussen lees ik af en toe een paar bladzijden in “Dingen die je alleen ziet als je er de tijd voor neemt” van Haemin Sunim. En ik leer voor de zoveelste keer iets over mijn eigen gedachten. Dat ik me niet hóef te laten meevoeren door een maalstroom in mijn hoofd. Dat ik ervoor kan kiezen om mijn aandacht te richten op iets van waarde. En dat dat soms iets heel anders is dan waar we ons met ons allen druk om maken.

Dat morgenstondelijke inzicht heb ik uiteraard niet de hele dag vast kunnen houden. Want wat een toestanden rond het thuisblijven van de kinderen van school en de onzekerheid op het werk over wat er wel en niet door kan gaan. Langer dan een uur vooruit kijken kun je bijna niet.

Maar gelukkig floot ook vanavond tegen zonsondergang de merel. En toen ik, nadat we de kinderen naar bed hadden gebracht, mijn avondwandeling maakte, rook het overheerlijk naar lente. En toen ik terugkwam sprong Mies op schoot, en nu klopt alles weer even.

Even Uw Aandacht

Nu het land vanwege het coronavirus min of meer op slot zit, zie je pas hoe druk wij met z’n allen zijn. Niet alleen met werk en school, maar ook met sport, cafébezoek, uit eten, vakantie, skiën, theater, bioscoop, op visite gaan, kerk, vrijwilligerswerk.

Nu het allemaal even niet kan, nu we er ons noodgedwongen even van moeten onthouden, voelen we hoe verslaafd wij eigenlijk zijn aan al deze bezigheden. Aan consumeren, recreëren. Het vullen van onze dagen. Aangespoord door onze buren en vrienden die immers hetzelfde doen.

Gelukkig hebben we onze schermen en schermpjes nog, zodat we allemaal toch íets te doen hebben. Ik betrap mezelf erop dat ik nog meer dan anders bezig ben met het bijhouden van nieuws, sociale media, reacties op reacties. En ik word er eigenlijk alleen maar opgefokt en angstiger van. Met mijn aanboren neiging tot gepieker, is het helemaal niet goed voor me om mezelf te overladen met corona-informatie.

Misschien is het wel beter om mezelf te begrenzen en maximaal zo’n twee keer op een dag te kijken naar het nieuws en de aanbevelingen van deskundigen. Daar vervolgens op vertrouwen en ernaar handelen. En een beetje leren leven met deze onzekerheid én deze onverwachte ruimte en leegte op de vierkante meter. Zeeën van tijd ineens.

Ook ík weet niet zo heel goed raad met mijn zeeën van tijd en ruimte. Toch is dit bij uitstek een gelegenheid om in praktijk te brengen wat ik al zo lang verlang, en vaker probeer: aandachtig en rustig in het hier-en-nu leven. Minder opvullen en minder opgaan in de dagelijkse onrust.

De angst voor het grote kan misschien gerelativeerd worden met verwondering om het kleine. Aandachtig kijken naar het spelen van de kinderen of de gelukzalige slaap van de poes. De merel die over de lente zingt. Het ontvouwen van het eerste blad aan onze kleine appelboom.

Van Harte Z.K. Z.N. en Z.U.

Ergens in het archief van mijn moeder, in de hoog opgetaste stapels oude brieven, kaarten en formulieren moeten er nog vele liggen. Kerstkaarten van rond de oorlog, verzonden door oudooms en- tantes, met enkel en alleen de voor ons raadselachtige afkorting “Z.K. en Z.N”, en daaronder slechts de initialen van de afzender. Het zal niet lang meer duren of niemand weet nog dat deze afkortingen staan voor Zalig Kerstfeest en Zalig Nieuwjaar. Vergeetwoorden, zou Frits Spits ze in zijn taalprogramma De Taalstaat noemen. En daar dan nog de afkortingen van. Zodat ook de minder geletterden hun wens konden sturen.

Overigens bestaat er in deze categorie een nog veel curieuzere afkorting, te weten “Z.U.” Dat wil zeggen “Zalig Uiteinde”. Ik heb het wel spottend horen gebruiken om de edele delen van pausen of andere hoogwaardigheidsbekleders aan te duiden (evenals het als het hiervoor geschikte synoniem “heilig voorhangsel”). maar oorspronkelijk wens je elkaar met “Zalig Uiteinde” toe dat je het einde van het jaar met een schoon geweten kunt beleven, en dat dit ook zo mag zijn bij het einde van je leven. Dat je veilig mag oversteken naar de overkant.

Waar de hedendaagse voorgedrukte kerstkaarten ons vrolijkheid, gezelligheid en eventueel geluk wensen, is de rooms-katholieke uitdrukking “Zalig” uit ons collectieve taalgebruik verdwenen. Protestanten moesten er toch al niks van hebben, want “niks of niemand is zalig dan God zelf”. En als ik per ongeluk (of stiekem een beetje provocerend) tegen een oudere gereformeerde broeder of zuster “Zalig Kerstfeest” zeg, lokt dat dan ook nogal eens ongemakkelijke blikken uit. Oudere katholieken wensen het elkaar nog wel, na de nachtmis. Maar in de rest van de samenleving is het woord Zalig tijdens de Kerst hooguit voorbehouden voor een culinaire heerlijkheid.

Met het verdwijnen van de traditionele religie uit de samenleving, verdwijnen de oude betekenisdragende woorden. Door adjectieven “vrolijk” en “flitsend” begeleid, wordt Kerstmis vooral een neonverlicht consumptiefeest. En dat er van Advent en Kerst ook iets als verstilling, persoonlijke groei en maatschappelijke betrokkenheid zou kunnen uitgaan, is daar nogal oncomfortabel mee in tegenspraak. Laat staan dat we nog iets kunnen met de geheimtaal waarin God geboren wordt in een kind, om de wereld te gaan omvormen.

Ook in mijn leven is het geloof, althans de vorm van “poppenkast” die de Rooms-Katholieke Kerk is, enigszins naar de achtergrond verdwenen. Om Gerard Reve vrij aan te halen: degenen die in Nederland de rol van Jan Klaassen in deze poppenkast spelen (bisschoppen en andere ambtsdragers) spelen hun rol helaas nogal kleurloos en weinig aansprekend. De poppen zijn versleten, en de gordijnen mogen van mij wel even dicht blijven. En ik gun mezelf na veertig jaar kerkelijke activiteiten – vanaf mijn vijfde, toen ik “Klein Klein Jezuken” voorzong in de Kerstnachtmis heb ik nagenoeg altijd muzikale of andere rollen vervuld in de eredienst – die afstand van harte. Een soort “sabbatical” waarvan ik niet weet hoe lang die duurt.

Maar mét Herman Finkers geloof ik wel dat we uiteindelijk “poppenkast” nodig hebben om datgene waar het echt om gaat te kunnen benaderen. Religie, kunst en muziek verwijzen door naar een diepere gedroomde en verlangde werkelijkheid. Waar ook ik niet zonder kan. Dus ik doe de poppenkast niet de deur uit (al hou ik de gordijntjes nog even dicht), evenmin als de oude kerststal en het kruisbeeld. En ik wens jullie van harte Z.K. Z.U. en Z.N.

Klein Licht

Een oeroud ritueel vanmorgen. Op de school van mijn kinderen werd het Luciafeest gevierd. Eén meisje in een wit gewaad en een krans met brandende kaarsen op haar hoofd, liep de hele school door, terwijl de klasgenootjes van klas vier haar, ook in witte gewaden en met een lantaarn in de hand volgden. Ingetogen en als met één stem zongen ze “Santa Lucia”. En in alle klassen lieten ze hun licht schijnen en deelden ze saffraanbroodjes uit. Het was stil in de school; iedereen, kinderen van alle leeftijden en nog wat aanwezige ouders ontvingen dit magische moment, respectvol, ín het moment. En zoals het concert van Beth Hart me twee weken geleden raakte, vooral toen ze “Leave The Light On” zong, raakte ook dít licht me.

Op de Vrije School worden deze maanden allerlei oude lichtfeesten vormgegeven. Naarmate de dagen donkerder worden, wordt het verlangen naar Licht sterker. En de feesten van Sint Maarten, Sint Nicolaas, De Advent, Sint Lucia, Kerst, Driekoningen, Maria Lichtmis verwijzen naar de terugkeer van het Licht, de zon, het leven. Voor onze kinderen zijn het levende ervaringen. En als vader mag ik er een stukje van meebeleven. Of het nu is bij de dagelijkse Adventsmuziek in de hal van de school, of bij de muzikale voorbereidingen van het oude Kerstspel.

Gisteren reed ik in alle vroegte over de Afsluitdijk naar mijn moeder in Alphen aan den Rijn. En terwijl ik op de brug bij Den Oever wachtte, fotografeerde ik in het oosten het licht dat in het IJsselmeer opstond. “Nu Daagt Het In Het Oosten”, dacht ik. Een uurtje later was ik bij mijn moeder in de serviceflat. Hoorde dat ze er de avond tevoren een mooi feest in kerstsfeer had gehad. Diverse mensen hadden met haar gedanst. Muziek, licht en dans. Juist in de donkerste tijd. Hoe welkom.

Soms doet licht pijn aan mijn ogen. Is het teveel ineens. Soms is het veiliger je vast te klampen aan het donker, omdat dat vertrouwder is, je eraan gewend bent om in de schaduw te blijven. Omdat je denkt dat je niet de moeite waard bent, of omdat je je schaamt. Omdat je eenzaam bent, verdrietig, boos of bang. Ben je wel eens bang? Ik wel. Dan lijkt het me het goed dat het licht zo nu en dan door de wolken “breekt”, misschien op momenten dat je het niet verwacht. Dat het er soms even is, zodat je eraan kunt wennen. Dat het niet met schreeuwend neon, maar met een enkel kaarsje begint.

Muziektherapie Voor Een Muziektherapeut

Intens was het, afgelopen vrijdag. Eigenlijk te intiem en te groot om het in woorden te kunnen vatten. Het solo-concert van Beth Hart met de titel “War In My Mind” in Amsterdam stond al bijna een jaar in mijn agenda, dus ik had er al een tijd naar uitgezien. Maar dat ik er zo ondersteboven van zou raken had ik niet verwacht. Zonder band, alleen met de piano, en met haar zo doorleefde stem heeft ze me alle hoeken van de zaal en vooral van de ziel laten zien. Haar eigen ziel, mijn eigen ziel. De pijn, de verwarring van haar leven met een bipolaire stoornis en verslavingen, hoop en wanhoop, angst en ontremming, overgave en vertrouwen. Met humor en ontwapenend open. Wat mooi!

Een paar weken geleden was ik op een symposium over muziek in de zorg, over kunst in de zorg. En daar riep professor Bas Bloem op om juist in tijden van crisis, of het nou een maatschappelijke, economische of persoonlijke crisis is, méér met kunst te doen. Want kunst maakt gelukkig, maakt dat je voluit leeft, en dat je wonden worden geheeld, dat wat verstard is weer in beweging komt. Als dat bij iemand het geval is, is het bij Beth Hart. Ze vertelde tijdens het concert dat ze elke keer als het leven haar naar de keel grijpt, onmiddellijk naar de piano loopt, om één met haar instrument haar pijn uit te schreeuwen of op adem te komen. Zo ontstaat haar muziek.

Dat ze die liederen vervolgens aan óns laat horen, en met ons haar zielenroerselen deelt is therapeutisch. Het is verbinding, niet alléén zijn, maar herkenning vinden. En dát is voor ons, toehoorders weer therapeutisch. Althans voor mij. Muziektherapie voor een muziektherapeut. Want de tranen van ontroering, verdriet, herkenning en vreugde die de hele avond over mijn wangen liepen, brachten mij weer in verbinding met mezelf en met de ander, naast me. En Beth helpt je de schaamte voorbij te komen, omdat ze zelf zo weerloos en echt is. En ik deel haar verwondering en dankbaarheid over de mensen die bij haar zijn gebleven, zoals haar man en haar manager, die in de grootste ontreddering van haar bleven houden. Onvoorwaardelijk.

Een kleine illustratie vanuit een ander concert van Beth, vorig jaar. Over het licht aanlaten, als het intens donker is:

De Bladblazers

Als ik vertel dat de herfst mijn favoriete jaargetijde is, kijkt men me meewarig aan. Een voorkeur voor komen en gaan van bladeren verraadt op zijn minst een melancholische inslag, waarmee je al gauw halverwege de oprijlaan van de psychiatrische inrichting loopt. Het begin van het einde. Maar ik vind in de afvallende bladeren en de geur van verrotting juist een enorme troost. Nog weet ik hoe het rook als ik als kind in het najaar ’s avonds na het eten nog even naar buiten mocht. Ik zie nog de verstilde spinnewebben om de lantaarnpaal op de hoek van de straat. De vleermuizen die hun laatste rondjes vliegen voordat de winterslaap begint. Het geritsel van wroetende egeltjes. En dan met je laarzen door de bladeren, terwijl uit je mond al winterse dampwolkjes ontsnappen. Nergens voel je méér dat je leeft dan op plaatsen waar de dood zich zo mild manifesteert. Daarom is Allerzielen ook in november. Lichtjes aansteken op het kerkhof. Alleen als het donker is, voel je wat licht betekent.

Overal waar ik gewoond heb waren wel buren die hun uiterste best deden om deze tekenen van verval en sterfelijkheid zorgvuldig uit de weg te ruimen. Met verwondering kijk ik ernaar. Drie, vier keer op een dag worden harken en bezems tevoorschijn gehaald om de afgevallen bladeren tot het laatste exemplaar te elimineren. Tevergeefs uiteraard, want ze hebben hun hielen nog niet gelicht of daar dwarrelen ze weer veelkleurig uit de hemel. De bladeren drijven de spot met onze opruimwoede en comtroledwang. We zijn niet sterker dan het leven en we zijn al helemaal niet sterker dan de dood. We staan er middenin, en dat maakt ons gelijk aan elkaar. Een uitnodiging tot berusting en stilte.

En als er iets is waar we niet tegenkunnen is het stilte. Daarom wordt de confronterende bladerenrommel niet langer opgeruimd met een bezem, maar door een team van schreeuwende mannen met bladblazers. Daar razen ze door de straat. Zes man sterk, met overalls en gele hesjes nota bene. Met plechtige gezichten roepen ze elkaar bevelen toe. Als commando’s die een horde gevaarlijke raddraaiers te lijf gaan. Onder geparkeerde auto’s, achter hekjes, uit de goot en zelfs uit de slootkant worden de bladeren verdreven. Verschrikte katten stuiven weg. Met getergde gezichten draaien de mannen het gas van hun blazer tot het uiterste open als er een eigenwijs groepje natte bladeren zich aan het asfalt vastklampt. Ze schoppen ertegen, schrapen met hun laarzen de laatste resten weg en roken woedend hun zware shag.

Als ze de hoek om zijn volgt nog een veegwagentje. Met vriendelijk geruis passeert hij ons huis. En dan keert de rust weer. Alsof er niets is gebeurd. Als een onmiskenbaar teken van tevergeefsheid dwarrelt het eerste blad alweer naar beneden. Heerlijk vind ik dat. Leve de herfst.

De Grote Ton

Achter de pastorie stond er één. Zo’n grote ton die moerasgas opving. Ik was een jaar of tien en vond het een mysterieus geval. Temeer daar je er niet dichtbij mocht komen. Ik associeerde de ton met donkere tijden en verborgen geschiedenissen. En het had iets te maken met dwaallichten, werd verteld. En dat alles zó dicht bij het kerkhof. Bovendien kwam ik erachter dat het gasstel van de pastoor, waarop hij water kookte voor de thee, op dit moerasgas brandde. De wat loom flakkerende vlammetjes onder de ketel kwamen rechtstreeks uit de diepten van de aarde onder de grote ton. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar de thee kreeg er in mijn mond een spookachtige smaak van.

Overal in de omgeving schijnen deze brongasinstallaties in gebruik te zijn geweest. Aan het eind van de negentiende eeuw, voordat de elektriciteit zijn intrede deed, werd het moerasgas brandstof voor bescheiden verlichting van huizen en soms ook om te koken. Herenboeren en pastoors, notarissen en dokters waren de eersten die van deze moderne middelen gebruik maakten. Maar toen overal stroom kwam, viel deze wat onbetrouwbare energiebron uit de gratie. Alleen hier en daar, op plaatsen waar niet veel was gemoderniseerd, zoals bij de kerk, bleef het vlammetje branden. En zoals dat gaat: wat eens modern was, werd een curieus reliek uit een duister verleden.

De grote ijzeren tonnen die niet meer werden gebruikt kregen vaak een andere functie. En zo komt het dat “de grote ton” in mijn jeugd nog een andere rol speelde. In de polder waarop wij vanuit ons huisje aan de Oosterweg uitkeken, waren namelijk sinds mensenheugenis twee van dergelijke tonnen in de verte te zien. Op stille ochtenden staken hun bovenkanten als middeleeuwse donjons boven de grondmist uit. Ze waren bedoeld als schuilplaats voor de schapen, maar voor mij waren het geheime hutten, pleisterplaatsen op heroische trektochten die ik op winterse dagen maakte, met een vriendje, of in mijn eentje, als er ijs lag op de polderslootjes, zodat anders onbereikbare verten ineens te belopen waren. In de tonnen at ik de boterhammen op die ik mee had in mijn knapzak. Het rook er naar klei, roest en schapenstront. En naar avontuur. Ontdekkingsreiziger was ik, op amper een kilometer van huis.

Buk-Shag Voor Pa

Naarmate de druk van het heden afneemt, drijft het verleden naar de oppervlakte. Van wat vandaag gebeurt, blijft bij mijn moeder niet veel meer hangen; het lijkt niet wezenlijk belangrijk. Maar bij het bekijken van oude foto’s, gaan haar luiken wagenwijd open. Dan komen de verhalen, samenhangend, levendig, emotievol. Over de oorlog vooral, over armoede en ziekte. Over het kleine, onbewoonbaar verklaarde huisje. Maar ook hoe ze zongen met elkaar, negen kinderen, op het enorme hobbelpaard dat haar vader met afvalhout had gemaakt.

Haar vader, haar grote held, over wie ze nog steeds met het grootste respect spreekt. Op deze foto zal hij halverwege de dertig zijn. Een tanige man, sterk, intelligent. Mijn moeder is een jaar of zes. Trots houdt ze zijn knoestige hand vast, terwijl ze de schoenen draagt die hij heeft verzoold. Want haar vader kan alles, in elk geval in haar ogen. Ze lijkt te huppelen, aan zijn zijde kan ze de wereld aan. Vandaag heeft ze hem een beetje voor zichzelf.

De verhalen over haar moeder hebben een andere toon. Zelf waarschijnlijk beschadigd of verwaarloosd, maakt ze onderscheid tussen haar kinderen. Van sommige van haar kinderen lijkt ze meer te houden. En anderen komen op de tweede plek. Zo noemt ze Agatha, mijn moeder regelmatig “lompert” en zegt “Je bent een monster”, als ze als onzekere puber voor de spiegel staat. “Ik hoor het nog altijd; het is altijd in mijn hoofd blijven zitten!”, zegt Agatha nu, op haar zevenentachtigste. Het gaat me door merg en been. Ofschoon mijn moeder meestal met veel ontzag over haar spreekt, is dit toch het beeld dat bij mij het meeste blijft hangen.

Je eigen kind betitelen als monster. Ik kan of wil het niet voor geloven. Dit vrolijke meisje is toch geen monster. Ze doet me aan mijn eigen dochter denken. Een beweeglijk, open en lief kind. Met eigenaardigheden en onhebbelijkheden, zoals elk kind. Maar geen monster. Welke beschadigingen zal mijn oma zelf in haar jeugd hebben opgelopen, waardoor is háár hart zo verhard? Ik heb haar nooit gekend; ze is al jong gestorven.

En natuurlijk: negen kinderen baren, ze voeden en opvoeden, in zulke armoedige tijden. Hoe doe je dat? Overdag gaf ze hier en daar klap als ze dat nodig vond, en daarnaast registreerde ze de overtredingen die de kinderen begingen, om ’s avonds haar man de opdracht te geven passende straffen toe te dienen. “Wacht maar tot vanavond, dan zal je vader je slaan!”

“Maar mijn vader sloeg niet hárd hoor!” zegt mijn moeder vertederd. Ze moet in zijn ogen iets gezien hebben van twijfel en wroeging als hij één of meerdere kinderen moest meenemen naar de schuur om ze een pak rammel te geven. “Hij was lief en teder van aard”, zegt ze. “En hij wilde me weleens troosten of op schoot nemen, maar dan glipte ik weg, want dat hoorde niet! Ik heb er nóg spijt van dat ik het niet toeliet, maar we werden zo gewaarschuwd voor mannen in het algemeen, dat zelfs mijn eigen vader niet veilig leek!”

Ze liet haar aanhankelijkheid op een andere manier blijken, door in de oorlog, toen tabak schaars was, het hele dorp door te zoeken naar restjes van peuken, die ze uit elkaar peuterde om haar vader met Sinterklaas een pakje “buk-shag” te kunnen geven.

“Gelukkig heb ik veel voor mijn vader kunnen zorgen toen hij later oud was, en met zijn tweede vrouw getrouwd was (mijn moeders moeder is al op eenezestigjarige leeftijd overleden). En van haar heb ik ook veel gehouden!” Gelukkig, ja, zeker. Ik zag ook wel dat mijn moeder en haar vader en stiefmoeder een band hadden. Maar ik vrees dat in al die goede zorgzaamheid altijd ook iets is blijven meespelen van dat gemis aan erkenning als kind. En dat in haar hart nog steeds dit kleine meisje roept “Zie mij, ken mij, hou van mij!”