Pappa, Is Sinterklaas Echt?

IMG-20161010-WA0001

“Pappa, is sinterklaas echt?” vraagt Vera aan tafel. Ik heb geleerd om bij dit soort vragen de bal terug te kaatsen, dus ik zeg: “Hoe denk je er zelf over?” “Sinterklaas is een verhaal, en verhalen zijn best echt”, zegt ze, met een lichte ondertoon van twijfel in haar stem. Al is het nog maar half oktober, ze weet nu al precies welke festiviteiten er de komende maanden aan komen. Eerst Sint Maarten, dan Sinterklaas, dan Kerst.

Minder dan een minuut later vraagt ze dan ook of wij in God geloven. Zijn die verhalen echt? Of zijn verhalen verhalen? Zoals Pinkeltje. Ik heb er wel mijn volwassen gedachten over. Dat verhalen misschien niet echt gebeurd zijn, maar dat ze dan nog wel waar kunnen zijn. Maar dat is vast een te ingewikkeld antwoord. Een soort theologisch antwoord. Iets waar ik mijn eigen geweten een beetje mee verdoof. Want voeden we onze kinderen niet teveel op met ofwel te weinig vaste waarden, ofwel teveel dichtgetimmerde ideeën? Moeten we antwoorden geven of met een mond vol tanden blijven staan? Gelukkig verandert ze van onderwerp voordat ik klaar ben met nadenken. “Gaat dat blousje weg? Dat is te klein en ik vond het toch al niet meer mooi!”

Vandaag hoorde ik dat “The Passion” komend jaar vanuit Leeuwarden wordt uitgezonden. Ik zie nu al voor me hoe Jezus straks na zijn verrijzenis de Achmeatoren abseilt. Ben wel benieuwd wie die rol gaat spelen. De onvermijdelijke Syb van der Ploeg is in 2011 al eens Messias geweest, dus die veilige weg hoeft niet te worden bewandeld. Ik hoop dat de anti-autoritaire Friezen nu eens voor een originele keuze gaan. Een vrouw bijvoorbeeld. Een roodharige lesbische vrouw van boven de zeventig die níet kan zingen. Kijk, dan maak je een statement. Een verhaal. Om in te geloven, of om er een beetje van in de war te raken. Misschien moet religie dat allebei een beetje zijn: troost en verbinding en veiligheid geven. En tegelijk de boel eens flink opschudden.

Het worden boeiende maanden. Toen Vera en Jonathan afgelopen maandag trots naar beneden kwamen in Sint-en Piet-uitdossing moest ik onwillekeurig aan pastoor Thomas en Riet denken. Mijn oude originele pastoor Thomas die samen met zijn trouwe maar even eigenzinnige metgezel Riet ieder jaar zorgden voor schmink en kostuums van talloze Klazen en Pieten in de wijde omgeving van Leimuiden. In het Witte Weekblad elk najaar de advertentie: “Sint bestellen, Thomas bellen. Wilt U Piet, bel dan Riet!” Dat deden ze naast hun bloedserieuze pastorale taken. Ontheemden opvangen, zieken bezoeken, Gods woord verkondigen en niet te vergeten vlierbloesemwijn vervaardigen en rijkelijk uitschenken. God met een lach en een traan, echt én fantasie tegelijk. Humor en ernst ineen.

Dus bestaat Sinterklaas nou echt? En God? En verhalen? Voor mij wel, als ze ons een beetje losweken uit de snelle wereld van nut, haast, efficiency, vastgeroeste meningen en oordelen. Als ze liefde, vrijgevigheid, troost en fantasie aan het licht brengen. Met een knipoog en vooral met veel liederen en muziek. Dan hoop ik dat onze kinderen er nog lang in geloven.

Dans!


Los

Dans en weet dat je bestaat
dans een dans op hete kolen
dans de gaten in je zolen
dans tot de planeet vergaat

dans tot alles is gezegd
dans tot je de tijd vergeet
dans zoals je ademhaalt
dans tot je de weg weer weet

dans om nooit meer stil te staan
dans de sterren en de maan
dans de bomen en het bos
niets meer vast en alles los

(Ingmar Heytze)

Afgelopen maandag kreeg ik zomaar een cadeautje. Ik was met een collega in Ede op een congres voor muziek en zorg om een workshop te geven. Maar voorafgaand daaraan mocht ik zelf ook een andere workshop bijwonen. Ik koos er op de gok één waar nog plek was. Andrew Greenwood zou iets vertellen over muziek en beweging bij mensen met MS, Reuma, Parkinson en Alzheimer. Ik verwachtte een informatief verhaal, met een enkel filmpje of een pakkende casus. Wellicht bruikbaar voor mijn eigen werk. Maar ik heb gedanst, bijna anderhalf uur lang. Met handen en voeten, met mijn buik en mijn nek, mijn voeten en mijn vingers. Met voortdurend een lach op mijn gezicht een een brok in mijn keel. Wat een ervaring.

Greenwood, een Brit, en voormalig professioneel danser, “balletmaster”, heeft een jaar of vier jaar geleden zijn roeping ontvangen, toen een goede vriend op zijn zevenendertigste de diagnose Parkinson kreeg. Ze zijn gaan dansen, om te ervaren hoe ze vorm zouden kunnen geven, hoe ze de blokkades met muziek en beweging zouden doorbreken. Ze zijn het samen, voor en mét anderen gaan doen. “Dance for Health” heet hun project. Met dus onder andere Parkinsonpatiënten, samen met professionele dansers. Workshops en uitvoeringen met bekende dansgezelschappen. Lerend van elkaar. En voor het eerst, na bijna veertig jaar dansen, zo vertelde hij, danst hij van binnenuit. Niet voor de buitenkant, niet voor de perfectie, maar vanuit zijn passie en zijn hart.

Wij, twintig deelnemers, zaten in een halve cirkel tegenover hem. Hij had een laptop met geweldige muziek, met jazz, met klassiek, met meditatieve en opzwepende klanken bij zich, en hij liet ons bewegen. “You beautiful dancer, dance for me a jellyfish” zei hij, waarbij wij onze handen als het zeedier op en neer bewogen. We dansten een dolfijn, een zonsopgang en een krokodil. En ik voelde iets wat ik al jaren weet, maar wat ik een beetje ben kwijtgeraakt: muziek is dans en dansen is vrij zijn.

dans

Ik leerde het als jochie, als ik op een feestje naar mijn vader keek. Nog voordat ik het een beetje gênant begon te vinden dat hij zo losjes met zijn heupen kon bewegen. Ik danste met hem mee. Ik was trots op hem en ik durfde meedoen. Toen ik puber was danste ik ‘s avonds wel met mijn moeder, die me altijd heeft geleerd dat dansen leven is, in de woonkamer. En ik leerde dus dansend leven, met de Foxtrot en de Weense wals, hoewel dat misschien niet zo bij mijn toekomstperspectief als priesterstudent paste.

20150112_135628

En één van de eerste dingen die ik deed nadat ik de toch stoffige, en weinig lichamelijk/passionele wereld van de theologie verlaten had, was op dansles gaan. Weliswaar braaf stijldansen in keurig Zeist, maar toch. Ik heb de Engelse Wals, de Tango, de Rumba en de Merengue gevoeld. En het lekkerste ging dat op vrije dansavonden, na een biertje. Met mijn danspartner van toen.

20160929_195725

Muziek heb ik altijd, maar ik vergeet zo vaak te dansen. Maandag voelde ik weer: dansen is leven. Zal ik het op mijn drieënveertigste aandurven om het weer meer te gaan doen. Stijldansen, een wilde Tango, een plechtige Engelse Wals. Of vrij en onbeteugeld? Me niet afvragen of het er een beetje uitziet? Zoals Vera wel eens doet als ik piano speel. Zingen met je lijf, licht op muziek gezet. In elke geval heeft Andrew Greenwood me geraakt en geïnspireerd. Iedereen kan dansen, en als je dans uit je hart komt, ben je mooi:

Een Weg Terug, Een Kamer Voor Me Klaar

20160917_21561120160915_161359

Vijfentwintig jaar later, en minstens vijfentwintig kilo zwaarder. Zoek gerust meer dan tien verschillen. Maar als ik er op deze hete donderdagmiddag 15 september 2016, na een wandeltocht van ruim dertig kilometer sta, voelt het even alsof ik in de tijd terug ben. De voordeur van Vronesteyn, priesteropleiding in Voorburg, gaat wagenwijd voor mij open. Walter, mijn medestudent van toen, nu rector, laat mij binnen. Ik ruik dezelfde geuren, mijn hand vindt vanzelf de deurklink naar het halletje, en ik moet me bedwingen om niet in een impuls het tweede postvakje linksonder open te schuiven. Er staat een andere naam op. Geen post meer voor mij.

Het oude huis omarmt me na deze pelgrimage. ‘s Morgens ben ik voor dag en dauw van Leeuwarden naar Leimuiden gereden, om daar om acht uur vanaf het kerkplein de wandeling aan te vangen. De weg die ik vijfentwintig jaar geleden ging. Toen op de fiets, of in de auto met mijn vriend Martien. Nu lopend, om traag en aandachtig te kunnen gaan. Om tot me door te laten dringen wat het echt betekende. Die tijd van omvorming, groei en pijn.

20160915_161057

Weliswaar heb ik al veel gedacht en geschreven over Vronesteyn, over de vrolijke anekdotes en over heimwee en twijfels. Maar durfde ik het gevoel eronder aan te raken? Me erin onder te dompelen? Om een eerlijk verhaal te kunnen vertellen, met nuances, en met het risico dingen te ontdekken over mezelf? In een opwelling schreef ik laatst aan Walter: “Mag ik eens komen logeren?” En zonder voorbehoud klonk er een gul en warm “Ja natuurlijk, meer dan welkom, we maken een kamer voor je klaar!”

Door Rijnsaterwoude ga ik in de morgen. Ik kijk naar de huizen, waar inmiddels anderen wonen, waar vroeger vertrouwde gezichten handen opstaken. “Daar gaat Piet, hij gaat weer naar het seminarie”, zullen ze tegen elkaar hebben gezegd. Nu ben ik een anonieme passant met een rugzak, hoewel ik ook een paar korte ontmoetingen heb, een enkeling die mij herkent en met wie ik een paar hartelijke zinnen wissel. Dan door Woubrugge, waar ik koffie drink in het huis van pastoor Van Zoelen, nog maar zo kort geleden doodgegaan. Zijn huisgenoot en ik halen herinneringen op. Een betekenisvolle halte. Door Hoogmade, waar ik ook nog dirigent en organist ben geweest, en Leiderdorp, waar ik mijn vertrouwde geboortestreek echt achter me laat.

20160915_145209

En vanaf Leiden, langs de Vliet, ga ik het voelen. De vochtige hitte van deze vervreemdend warme septembermaand. De vertrouwde route die zo onvoorstelbaar is veranderd in die kwarteeuw. Van boerenland naar recreatiegebied. Een file van rijkeluissloepen op het water. Maar vooral voel ik een borrelend mengsel van verlangen en spanning in mijn buik. Leidschendam nadert, het sluisje, en dan al spoedig de spoorbrug, waarmee ik de Vliet oversteek, om via een trap en een tunneltje middenin het Voorburgse wijkje “Park Vronesteyn” te belanden. Een paar bochtjes om nog. En daar ben ik dan.

Ik krijg tijd om te acclimatiseren. Na een douche vind ik de piano in de eetzaal. Ik speel een paar akkoordjes als toen. En een student van nu komt kennismaken. Ik ontmoet ze in de loop van de avond allemaal. Zes jongens, in diverse stadia van hun ontwikkeling, met verschillende achtergronden, allemaal gelovig, en allemaal weer op een andere manier. De een praktisch, de ander bolleboos. De een nuchter, de ander gepassioneerd. Net als wij toen waren. Ik bid en zing het avondgebed mee, eet mee. Niet plechtig zoals vroeger in de eetzaal, maar lekker informeel buiten. En wie zin heeft in een biertje gaat dat gewoon zelf uit de koelkast pakken. Ik ook, en ik weet zowaar na al die tijd nog feilloos waar de opener ligt.

20160916_112410

Hoe vertrouwd het huis en zijn sfeer ook zijn, ik proef ook onmiddellijk verschillen. Het is er open nu en luchtig, en ik heb niet het gevoel steeds op mijn hoede te moeten zijn. Ik meen te zien dat deze jongens dat ook niet zijn. Mijn rector van vroeger was helaas een emotioneel geremde en vergroeide man, die bang was voor echte nabijheid. De rector van nu nu doet het, op kennis en intuïtie heel anders. Ik zie hem met de jongens omgaan zoals een vader met zijn adolescente en volwassen kinderen omgaat. Het ontroert me.

“Zou je, als de leiding destijds anders was geweest, misschien wél priester zijn geworden?” wordt later op de avond aan me gevraagd. Ik vermoed van niet, want de weg die ik gegaan ben heeft me naar het vaderschap geleid. En dat zou ik niet willen missen. En in mijn werk en mijn leven van nu voel ik dat ik dichtbij mijn bron en mijn kern ben. Het past ook beter bij me om me qua geloofsbeleving aan of over de rand van de kerk op te houden, en niet in het centrum ervan. Teveel hoofdletters daar, te weinig twijfel en transparantie.

Nee, heimwee naar mijn priesterideaal heb ik niet. Ook al omdat ik het verplichte celibaat een ongezond fenomeen vind. Ik heb teveel goede, lieve, getalenteerde priesters gekend die eraan ten onder zijn gegaan. Eenzaam en wanhopig verslaafd aan drank of aandacht.

20160916_091435

Maar tegelijkertijd voel ik hier, in dit oude huis de warmte van een groep jonge mannen die elkaar voeden en dragen in hun ideaal. Met wie je het zomaar over kwetsbaarheid en God kunt hebben. Die, net als ik, wars zijn van materialistische bezitsdrang en het nuttigheidsdenken van onze dagen. Die het aandurven om dwars tegen de hoofdstromen in te gaan. Ik voel respect voor ze, en ik ben er trots op dat ik hiervan deel uit mocht maken. Ik voel me gekend en gezien, al is het alleen al om hun gulle lach als ik de smakelijkste verhalen van toen vertel.

Ik slaap er, vier vrijdagmorgen de Mis met hen, blijf na het ontbijt nog hangen tot de koffie. De studiecoördinator van nu, met wie ik kennismaak, is een vrouw. De rector is een vader. Wat een betere tijd. En wat gun ik deze oprechte jongens goede jaren onder dit dak. En vooral: dat ze in openheid en veilig mogen groeien. En dat ze nog net zo gekoesterd en gestimuleerd mogen worden als hun groei, hun levensweg hen eventueel niet naar het priesterschap zou leiden. Niet die krampachtigheid en benauwdheid van toen. Maar creatieve ruimte voor het Geheim dat we ook wel God noemen. Die soms heel iets anders voor ons in petto heeft dan wat we zelf hebben bedacht.

Voor ik vertrek haal ik mijn rugzak uit de logeerkamer. Via het trappenhuis dat naar het studentenverblijf voert. Ik betrap mezelf erop dat ik nog precies weet waar het kraakt. Ik voel mezelf twee, drie treden tegelijk nemen. In de enthousiaste huppelbeweging van toen. Ik ben er gelukkig geweest. Misschien ben ik er iets te lang gebleven, toen de twijfels aan me knaagden en ik ze angstig inslikte en verborgen hield. Maar toch: ik ben hier ook gelukkig geweest. Dankbaar trek ik de deur achter me dicht.

20160916_111643

“Captain Fantastic”: De Wereld Omgekeerd

Captain Fantastic

Het lukte zowaar gisteravond om ons los te rukken uit de vanzelfsprekendheid. We hadden oppas geregeld voor een afspraak die niet doorging, en zo hadden we ineens een avond voor onszelf. Het werd het Filmhuis, waar “Captain Fantastic” draaide.

Zo’n film die ik me over twintig jaar nog verwacht te herinneren. In elk geval heeft mijn onderbewuste er nogal wat van opgestoken, want ik heb er de hele nacht van gedroomd. Dat ik met mijn eigen kinderen in een groot bos woonde en hen met pijl en boog leerde schieten. En dat we met elkaar zongen bij een kampvuur. En rondtrokken in een verbouwde oude schoolbus.

Niet dat ik mezelf tot dergelijke buitenissigheden in staat acht, maar het weerspiegelt wel een stil en oud verlangen: de wereld omgekeerd. Het loslaten van de zogenaamde norm. Aandurven om het anders te doen.

De hoofdpersoon, Ben, voedt zijn zes kinderen op in een zelfgebouwde en zelfvoorzienende nederzetting in een afgelegen bos. Met bewonderenswaardige discipline leert hij zijn kinderen alles wat hij meent dat ze nodig hebben. Fysieke training, jagen, overleven, maar ook filosofie, talen, exacte wetenschap en literatuur.

Het zijn stuk voor stuk prachtige, eigenzinnige en fascinerende mensen. Ben zelf, en meer nog zijn drie jongens en drie meisjes. Alleen is zijn vrouw Leslie er niet bij. Ze blijkt ver weg in een ziekenhuis te liggen, geestelijk ongeneeslijk ziek. Ze sterft al snel en het verhaal gaat voornamelijk over de verwikkelingen rond haar begrafenis, waar Ben en de kinderen eigenlijk niet welkom zijn. De vader van Leslie geeft Ben en hun levenswijze namelijk de schuld van haar dood.

Ze gaan toch, met hun bus, en die reis zet van alles op zijn kop. Hun eigen veilige leven in het bos wordt verbroken. Vooral de kinderen komen voor het eerst in contact met de buitenwereld. En samen zijn ze een ongemakkelijke verschijning in de keurige rijke omgeving waaruit Leslie is opgegroeid.

Pijnlijke en hilarische momenten wisselen elkaar af. En hoewel het een volstrekt onrealistisch verhaal is, blijft het wel geloofwaardig, vooral door het ontroerend mooie spel van de kinderen, en het ambivalente, in wanhoop en kracht gedoopte personage van Ben, gespeeld door Viggo Mortensen.

Het zijn geen statische personages. De kinderen ontwikkelen zich gaandeweg de film, en ook de rigide lijkende “Captain” zelf wordt omgevormd door de pijnlijke confrontatie met zijn eigen blinde vlekken. En als duidelijk wordt waarom hij deze levenswijze heeft gekozen – uit liefde, uit wanhopig verlangen te helen wat niet geheeld kon worden – krijg je medelijden en respect.

Waarschijnlijk haalt een ander heel andere thema’s uit de film. Ik haal er natuurlijk vooral datgene uit wat aanhaakt bij míjn persoonlijkheid, mijn dromen, mijn angsten, mijn gedachten en gevoelens. Bijvoorbeeld dat er moed voor nodig is om de zuigende werking van de consumptiemaatschappij te weerstaan. Maar ook dat ook de meest krachtige persoonlijkheden kwetsbaar zijn. En dat er pas groei mogelijk is als die kwetsbaarheid gezien mag worden. Dat er altijd een ander perspectief is om naar hetzelfde te kijken. Dat zwart-wit eigenlijk niet bestaat. En dat “zijn” veel wezenlijker is dan “hebben”.

Verder moet je hem gewoon gaan kijken. Een beetje een sterke maag hebben is wel een voordeel. En de bereidheid om het verhaal als een parabel voor je eigen leven te durven zien. Een omgekeerde wereld. Dan heb je een mooie avond die je bijblijft. En, oh ja, de Telegraaf heeft een vernietigende recensie gepubliceerd. Een betere reclame kun je je als maatschappijkritische filmhuisfilm toch niet wensen, lijkt me.

Met Mijn Ogen Dicht

20160630_112158

In Leimuiden weet iedereen wie ik ben, maar hier, tijdens mijn eerste dagen op Vronesteyn moet ik nog iemand worden. ‘s Avonds speel ik in mijn kamertje op het blikkerige keyboard, terwijl ik naar de foto van “mijn” orgel in Leimuiden kijk. Is de God die hier in de modern en sober ingerichte kapel wordt aangeroepen dezelfde God die in mijn Sint Jan de Doper in mijn geboortedorp woont? Die als ik ’s avonds tegen zonsondergang op het orgel speel door het glas-in-lood naar me knipoogt. “Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen”.

Er is geen veiliger plek dan deze. De geuren van gewreven eikenhouten banken, gedoofde kaarsen, wierook en verse bloemen. Het orgel waarachter ik vanaf mijn elfde jaar zoveel tijd doorbreng. Soms studeer ik de mij opgegeven stukken uit “Old English Organ Music For Manuals”, meestal improviseer ik wat op de liedjes van komend weekend. Tussendoor ben ik stil en staar dromend vanuit die hoogte de kerk in. Af en toe slaat de klok. De geluiden van buiten dringen slechts gedempt door. Het grote glas-in-lood-raam in de toren heeft één vensterglaasje waar ik, als ik op een bankje ga staan, doorheen kan kijken. Ik zie de Willem van de Veldenweg waar bekenden voorbijfietsen. Soms komt er iemand het kerkbruggetje op om naar het kerkhof te gaan. Ze zien mij niet. Voor hen ben ik er niet. Ik ben alléén. En ik vóel me níet alleen. Want voorin de kerk brandt de godslamp. Ik heb geknield voor het tabernakel toen ik de kerk binnenkwam. Het gewelf omarmt me met oneindig wijde armen.

Het grote orgel gehoorzaamt mijn twaalfjarige vingers. Wat in mijn hoofd ontstaat, alle variatie op bestaande liedjes, melodietjes, klankwoorden wordt groot en echt als ik de toetsen indruk. Als ik er het machtige Mixture-register bijtrek, of de Trompet. Melancholisch kind dat op de zachte Bourdon iets van tranen of troost speelt. Mijn eigen gevoelens vullen de enorme ruimte en keren tot me terug. Ze omhullen mij, nemen me mee, en zetten mijn vingers weer aan tot verder dromen, fantaseren, spelen. Met mijn ogen dicht, buiten de tijd.

Ook op zaterdagavond, tijdens de Mis, improviseer ik er lustig op los. Mevrouw O., die jarenlang zelf ook speelde, maar er inmiddels te oud voor is, zegt na afloop zuinigjes tegen mijn vader en moeder: “Hij moet niet zo variëren hoor, dat is te parmantig!” Ik krimp als mijn moeder me dat ernstig overbrengt. In haar ogen is mevrouw O. een gezaghebbende autoriteit, en bovendien boerin, wat haar per definitie een hogere rang geeft. Maar mijn vader zegt gelukkig; “Je moet je niks aantrekken van dat ouwe wijf, het is gewoon jaloezie!” Dus varieer en improviseer ik. Theo, mijn jonge leraar, met wie ik eens per week, samen op de orgelbank, over muziek en het leven praat, legt niet teveel nadruk op het studeren. Blijkbaar herkent hij iets van de vrijheid en ruimte die ik nodig heb.

Die lieve verstrooide pastoor Harding die me aan het begin van de avond binnenlaat, nadat ik eerst even heb gebeld of ik mag komen spelen. Hij vergeet soms dat ik er ben. Of dat er dingen zijn die hij vooraf misschien beter even kan vertellen. Op een avond kom ik er na een uur spelen achter dat ik niet alléén ben in de kerk. Ik wil na een poosje spelen mijn benen wel eens strekken en loop een rondje door de kerk. Aan de Leimuidense kant kom ik achterin een kist tegen, met het lichaam van een mij onbekende dode. Ik schrik even, maar ben niet bang. Het zijkapelletje doet wel vaker als mortuarium dienst. Ik loop de trap weer op en speel nog een poosje door, nu ook voor mijn levenloze toehoorder. “In Paradisum Deducant Te Angeli”.

Als het begint te schemeren en ik de kerk wil verlaten, blijkt de pastoor de knippen al op de deur te hebben gedaan. Ik roep door de gang naar de pastorie, maar krijg geen reactie. Hij is vast even ergens op bezoek. En ik ben hier, opgesloten met het lijk. En met de heiligenbeelden en engelen die me omringen. God woont hier zelf, dus waarom zou ik bang zijn? En als het te lang duurt, kan ik altijd de klok nog luiden. Ik weet waar de knoppen zitten. Ik zou ze alle drie aanzetten en het machtige gebeier zou kilometers ver te horen zijn. Even later voel ik toch opluchting als ik de banden van de oude Simca van de pastoor door het grind hoor ploegen. Ik bons op de deur en hij komt me glimlachend bevrijden. Hij zegt: “Je had toch een snoekduik uit het raam kunnen maken!”

Als ik door het donker langs Dijksloot en Drecht naar huis fiets voel ik me anders dan toen ik heen fietste. Ik beweeg vrijer, krachtiger. Ik adem anders, er is ruimte en rust in mij. Ik ben bij mezelf en ik groei. Op school ben ik slim, maar onzeker. Een aparte rooie ben ik, en eenzaam. Thuis is elke dag hetzelfde. Een veilig, maar gesloten huis, waar we elkaar te stevig omklemmen, in armen van houvast. Om zes uur gaat het hek dicht en de deur op slot. De buitenwereld is gevaarlijk. Maar hier ontwaken andere dromen in mij. Misschien word ik organist en volg ik de roep van de muziek. Maar steeds meer is er ook een verlangen vanbinnen dat iets te maken heeft met die omarmende ruimte. Zal ik priester worden? Wonen daar waar woorden en muziek en rituelen wonen, waar de buitenwereld gedempt klinkt, waar het veilig ruikt en waar tegelijk eindeloos plaats is om mezelf te vinden en te verliezen?

Is er, zes jaar later, behalve die foto van het orgel, wel iets van die ruimte met mee meegereisd naar Voorburg? Daar waar het zou moeten gebeuren. Eén van die eerste dagen vertelt iemand me dat theologie studeren betekent dat je alles wat vertrouwd was eerst moet afbreken om te gaan leren waar het echt om gaat. Hij zal wel gelijk hebben, maar de moed zakt in mijn schoenen. Waar ben ik aan begonnen?

20160630_113228

En Wij Zullen Glimlachen

20160628_213357

“Ik weet niet of ik ook nog een soort blij ben dat ik hier ben. Maar dat is ook nog veel te vroeg om te zeggen”, zegt mijn dagboek. Het is maandagochtend 26 augustus 1991. Ik heb best goed geslapen in het grote eenpersoonsbed, onder het witte gesteven laken en de wollen dekens. Eens in de twee weken zal er een nieuw stapeltje – keurig opgevouwen lakens en kussensloop – voor mijn deur liggen. De rector zal dan elke keer weer verkondigen dat mevrouw M. hier de lakens uitdeelt. En wij zullen glimlachen.

Het is een donkere ruimte, daar op de eerste verdieping aan de noordkant van het statige jaren dertig pand in Voorburg. Om de zoveel minuten hoor ik de treinen van de Zoetermeer Stadslijn de spoorbrug over de Vliet oversteken. Het geraas van de A4 en de A12 is ook niet ver. Toch is het stil in Park Vronesteyn. Een verwachtingsvolle stilte zou het moeten zijn. Maar ze blijkt eerder verontrustend. “Natuurlijk heb ik ook last van heimwee, dit eigenaardige verschijnsel dat je jezelf uit je vel gerukt voelt”, schrijf ik ernstig. Achttien ben ik.

De avond ervoor bij de bushalte achter het benzinestation in Leimuiden. Mijn moeder huilt, mijn vader slikt zijn tranen in en zegt nog eens “Voorzichtig en kijk uit. Let op je portemonnee!” Ik ben opgelucht als ik, mijn splinternieuwe OV-kaart in de hand, bus 144 achter de gereformeerde kerk vandaan de provinciale weg op zie draaien. Ik stap in, mijn te grote blauwe sporttas over de schouder. De chauffeur is gelukkig deze keer geen bekende. Ik zwaai nog eens naar de twee, plotseling oude mensjes, terwijl ik ga zitten. Tien minuten later sta ik op station Nieuw Vennep op de trein naar Den Haag te wachten. En weer een half uurtje later loop ik van Mariahoeve naar mijn nieuwe huis. Tot aan mijn pastorale stage, over een jaar of zes, is het de bedoeling dat ik daar woon.

Een weekje eerder heb ik samen met ome Gerard mijn spullen gebracht. De oude rotan stoelen, de sinaasappelkistjes van wijlen pastoor Thomas, die als boekenkast dienst zullen doen. Mijn radio met cassettedeck. Boeken, bandjes, een foto van de kerk van Leimuiden, en één van het orgel. Mijn keyboard en het wandkleed met de zwanen. De achterklep past ternauwernood dicht. Het is drukkend warm als we over de snelweg rijden en koetjes en kalfjes bespreken. De bomen zitten dik in het blad en werpen een donkerblauwe schaduw over “Vronesteyn, Centrum voor Priesteropleiding van het Bisdom Rotterdam”. Het grote ijzeren hek staat open, maar het is nog vakantietijd en het huis schijnt leeg als ik de deur open maak met de sleutel die me al eerder plechtig is overhandigd. Samen sjouwen we mijn bezittingen via de zijtrap en het donkere gangetje mijn kamer in.

Bed en bureau staan er al. Het bed is van de rector geweest. Voor zijn rug moest hij een nieuw. En omdat ik net zo lang ben als hij, mag ik het oude hebben. Ik weet niet of ik het een voorrecht of een beetje vreemd moet vinden. Ach, mijn leven lang loop ik al in broeken, overhemden, jassen en schoenen van anderen. Alles wat heel is, is zonde om weg te doen.

Resonanties

20160617_214605

“Dan ga ik maar niet!”. Ik wist al maanden dat het eraan kwam. En ik was er ook al tijden van overtuigd dat ik de oppas voor deze vrijdag (normaal mijn “pappadag”) goed geregeld had. Tot ik er afgelopen zaterdag ineens achter kwam dat het niet zo was. In alle hectiek van de afgelopen tijd vergeten. Jammer maar helaas. Maandag zag ik echter het programma weer en kreeg ik het alsnóg op mijn heupen. En Frederike, met wie ik bijna twintig jaar geleden zoveel Amersfoortse tijd en intensiteit heb gedeeld zei aan de telefoon: “Jij hoort daar!”. Dus kunst en vliegwerk, extra crèchedag voor Jonathan, Vera uit spelen. En ik naar Amersfoort.

Wat fijn dat ik dat heb gedaan. Samen met Frederike en vele anderen in de collegebanken. En daar voorin de zaal (weliswaar een andere, in een ander gebouw, maar wél in díe stad) het afscheidssymposium van Kees Buurman en Han Kurstjens als docenten van “mijn” muziektherapieopleiding. Met een stevig en inhoudelijk programma. Met muziek, met lachen, tranen, luisteren én resoneren.

Photo 17-06-16 16 07 26

“Was im Patienten schwingt, klingt im Therapeuten” (Petzold): “Wat (in) de patiënt beweegt, weerklinkt (resoneert) in de therapeut”. Ik heb honger naar zulke woorden. Ze klinken als muziek in mijn oren. Want achter deze zin gaat een wereld schuil. Zo heb ik destijds bij Han en Kees mijn eerste stappen op het pad van de muziektherapie gezet. En zij, en hun gastsprekers en -spelers hebben ze vandaag weer opnieuw tot leven geroepen.

Ik voelde me weer even in het oude muzieklokaal 134, waar we op donderdagmorgen onder leiding van Kees onze groepsimprovisaties deden. “Zelfervaring in muziek”. Geleerd te luisteren en te voelen en te delen. Niet met woorden, maar in klank. Daar zaten we toen, een dozijn studenten van allerlei achtergronden, met zoveel verschillende instrumenten, vaardigheden. We kenden elkaar nog nauwelijks, maar er was ontmoeting, onder de veilige vleugels van Kees. Zelden heb ik een mens ontmoet bij wie ik me zo snel op mijn gemak voelde. Die mij en elke ander zag, en échte tijd en aandacht had.

Photo 17-06-16 13 56 47

“Morfologische muziektherapie”. Woorden die ik toen voor het eerst uit de mond van Han hoorde. Met zijn karakteristieke timbre, hand aan de bril. Vaktermen waar voor een leek geen chocola van te maken is. Sterker nog, ook voor muziektherapeuten is de materie helemaal niet zo vanzelfsprekend. Niet het medische model, niet de (tegenwoordig zo dominante) neurologische benadering, maar een meer filosofisch/existentiële taal.

Photo 17-06-16 13 57 51

Muziektherapie (en ook andere creatieve therapie) als een buiten-gewone, “rituele” ervaring, waardoor metamorfose ontstaat, omvorming. Omdat “leven bestaat uit overgangen”, en muziek in beweging zet wat is gestokt. En het belangrijkste voor mij vandaag: als therapeut gaat het er niet om in je eigen veilige wereldje te blijven. Met de diagnose, doelstellingen en tests van de patiënt als leidraad. Nee, als muziektherapeut ga je ópen in het samenspel, zonder oordeel vooraf.

Photo 17-06-16 12 07 17

Je neemt het risico om te laten ontstaan wat er ontstaat, om zo overgangen mogelijk te maken. Daar zit je zelf als therapeut ín. Je bent “geïnvolveerd” zou Han waarschijnlijk zeggen. Destijds misschien nog wat abstract voor mij, maar nu zo herkenbaar in de praktijk. Ik kan geen (muziek)therapeut zijn als ik het niet aandurf om mét die ander een metamorfose in te gaan. Mezelf laten raken en daar weer vorm en beweging aan geven. Zoals ik vandaag, als onderdeel van een experiment, ook een snel gedicht mocht maken en voordragen.

Photo 17-06-16 16 33 00

Het zal allemaal misschien te specialistisch zijn voor een blogje. Het belangrijkste is dat ik vandaag hernieuwde inspiratie heb opgedaan. Ik heb mensen ontmoet, en nabij gevoeld. Ik heb me thuis gevoeld en ik heb genoten. Nog één bijzonder weerzien wil ik noemen: Henk Hofman praatte de dag aan elkaar. Hij zei me bij de borrel dat hij mijn gedicht mooi vond. “Ben je dichter?”, vroeg hij. En ik vertelde hem van augustus 1997, de vorige, eerste en laatste keer dat ik hem zag.

Photo 17-06-16 13 09 48

De introductiedagen op de opleiding, toen ik gespannen en nieuwsgierig, na mijn moeilijke theologietijd, deze nieuwe wereld betrad. Henk, die toen eigenlijk al niet meer op de Hogeschool werkte, leidde die introductieweek. Hij liet ons het verhaal van Jonas en de Walvis spelen. Ik spéélde en vóelde dankzij hem voor het eerst dat verhaal. Ik zat er ín. Het werd mijn realiteit die dag. Een overgang. In wilde zee terechtgekomen, door een walvis opgeslokt, maar weer als nieuw aan land gekomen.

Photo 17-06-16 16 45 27

Meer Bloemen En Basalt

20160530_201900

Het is alsof ik er even uit de tijd loop. Ik schreef al eerder over dit plaatsje op de Afsluitdijk. Vroeg in het voorjaar was het toen. Nu is de natuur vele stappen verder, ook op Breezanddijk. Uit de kieren tussen de basaltblokken is de onoverwinnelijke zeekool opgeschoten. De rozenbottels geuren, het zaaiende gras wuift tussen de klaver.

Het is maandagavond en ik ben op de terugreis van Alphen naar Leeuwarden. De radio vertelde me zojuist dat in het hele land onweer huishoudt – code oranje – maar hier is het nog droog, al waait het onheilspellend en zijn de vogels stil. Ik ben de enige klant in het benzinestation waar ik tank en een bakje koffie neem. De mooie roodharige medewerkster glimlacht naar me. Soortgenoten herkennen elkaar, misschien juist op onherbergzaam terrein.

20160530_202944

In Alphen was ik met mijn ouders in het ziekenhuis. Het hart van mijn oude vader is goedgekeurd. Ze kunnen weer een poosje vooruit. Ik laat hen samen achter. In hun eigen leven, hun eigen huis, hun eigen eigenaardigheden. Vanmorgen is mijn kleine nichtje geboren. Nieuw en oud leven op één dag. En ik ben op weg naar huis, mijn eigen gezin. Morgen weer aan het werk. Maar nu even op pelgrimstocht in niemandsland, besluit ik.

Ik parkeer mijn auto achter het tankstation en wandel eerst langs de IJsselmeerkant. Voor de zeevisserscamping loop ik het viaduct op, langs de overweldigende rozenbottels. Hiervandaan heb je een uitstekend zicht op de rommelige nederzetting. Maar ik kijk niet teveel. Die mensen zochten niet voor niks deze afgelegen plek op. Niet om begluurd te worden, in elk geval.

20160530_201707

Ik heb echt bewondering voor zeekool. Tussen harde hoekige basaltblokken omhoog komen en dan zo uitbundig bloeien. Ze schijnt bijzonder voedzaam en gezond te zijn. Dat kan ook bijna niet anders. Groente geworden weerspannigheid.

Ik loop hier niet voor niks. In mijn vorige stukje schreef ik over mijn gevoel pelgrim te zijn. Misschien vandaag wel pelgrim op deze enclave van minder dan een vierkante kilometer. Natuurlijk houden werk, gezin en verantwoordelijkheden me op mijn plek. Maar daarom mag ik nog wel op reis zijn in mijn hoofd. Misschien is echt op reis zijn juist wel géén doel hebben.

20160530_202238

Langs het gedenkplaatje waar ik destijds over schreef loop ik voor het eerst helemaal om het bochtje van het havenhoofd. En daar, met uitzicht op zee, zowaar nog een monumentje. Nu met alléén de tekst “Pa Theo”. Wie is Theo, wie is pa? Is dit een teken van verbondenheid? Een eerbetoon aan vaders en zonen? Wordt er iemand vermist? Is het een antwoord op een ongestelde vraag?

Ik zie vooral hoe twee personen als het ware opgenomen zijn in het landschap. De basaltblokken met het mos. De herinnering neemt de kleur van de omgeving aan, tot ze er definitief in opgaat. Verdwijnen door er één mee te worden.

20160530_202251

Ik vind het iets geruststellends hebben om middenin het leven oog in oog te staan met sterfelijkheid. Dat dit er net zo bij hoort als de zon die opkomt en ondergaat, de seizoenen die zorgen voor hagel, mist, hitte en zeekool.

Terug in de auto stop ik Spinvis in de CD-speler. “Bagagedrager”: “‘t Is lang geleden, een eeuwigheid, je fietste op de Afsluitdijk….maar ik weet niet wat je er nu van vindt, als je luistert naar de wolken, als je luistert naar de wind”. Met vanaf 1.22 de mooiste gitaarsolo die ik ken, terwijl ik de ruitenwissers aanzet bij de eerste druppels van het onweer.

Tot Het Opklaart

20160529_093808

Het is bijna half tien als ik afslag Franeker op de A31 neem. Als ik flink gas geef, ben ik waarschijnlijk nog net op tijd voor de rooms-katholieke viering aldaar. Het lijkt wel alsof ik erop ben geprogrammeerd. Op zaterdagavond of zondagmorgen – als de klokken niet in de werkelijkheid luiden, luiden ze wel in mijn hoofd – ga ik vaak nog ergens ter kerke.

Des te vreemder dus wat er vandaag gebeurt. In plaats van linksaf Franeker in te rijden, ga ik onderaan de afslag naar rechts. Ineens willen mijn hoofd, hart en de handen die mijn stuur vasthouden ergens anders heen. Via Dongjum en Oosterbierum bereik ik in tien minuten de Waddenzeedijk. En ik stap uit de auto een stille, friswarme zondagmorgen in. Het gras wuift als ik de dijk beklim en ik voel onmiddellijk dat ik híer moet zijn.

20160529_093600

Laatst had ik op een zondagmorgen in een ander Fries dorp een katholieke viering gevonden. De vertrouwde rituelen, lezingen, liedjes. Maar het was ook alsof ik in een andere tijd terecht was gekomen. Ineens, alsof er schellen van mijn ogen vielen, zag ik zo helder: wat wordt het klein allemaal, en oud, en versleten. Dit is bijna over.

Toen ik thuiskwam, zei Judith:”Je ruikt naar kerk!”. En dan had ze het niet over de wierook, want die werd niet gebruikt. Het was de geur van zondagse jassen, oude mensen, sleetse woorden, van dingen die voorbij gaan. Het was aan me blijven hangen, in de auto met me mee gereisd. Misschien zit het ook wel in mijn huid, zoals mensen die veel knoflook eten, uiteindelijk knoflook zweten.

Komt het omdat ik op andere vlakken ook een beetje in de loslaatstand sta? Dat ik nu pas besef hoezeer ik me als kind, als jongen met die kerk heb verbonden. Dat mijn prille verlangen naar diepgang, vrijheid en inspiratie zich als vanzelfsprekend invoegde in dat oude krakende systeem. En dat ik nu pas durf te kiezen: wat past hiervan nog bij mij? En wat is voorbij? Tijd om erover te rouwen en los te laten?

20160529_093956

Vandaag heb ik blijkbaar wind en adem nodig. Het is eb. Ik ruik gras, schapenstront, en steeds meer zee als ik de strekdam oploop. Tussen de stenen zie ik een krabbetje weglopen. Het slik maakt pruttelgeluidjes. Aan de zeekant hoor ik meeuwen, boven de dijk kieviten. Overgang tussen zee en land en lucht. En ik ben alléén.

Niet ver hier vandaan vertrekken al eeuwenlang pelgrims naar Santiago de Compostella. Iets in mij zou ook wel willen. Niet vanwege die bestemming, maar vanwege het op weg zijn. Onderweg, op zulke overweldigende plaatsen als deze, of in onooglijke gehuchtjes mezelf tegenkomen. In weer en wind. Of onverwachte anderen ontmoeten. Niet weten wanneer je waar precies aankomt. Of je alléén of samen reist. En voor hoelang.

Ik weet ook wel: in deze levensfase, met oude ouders en en jonge kinderen, kan en wil ik helemaal niet zo lang en zo ver weg. Maar er leeft wel degelijk een pelgrim in mij. Die af en toe grote kleine stapjes zet. Die stilstaat en kijkt naar de horizon. Die wacht tot het opklaart in de verte.

20160529_094512

Fiets

20160526_081740

Ze vindt het fijn als ik haar vanmorgen, tijdens het ritje naar school zo nu en dan bij haar schouder vasthoud. Maar niet zodra we de laatste bocht omgaan en de school in zicht komt. Vol bravoure legt ze die laatste meters af, ze parkeert haar fiets en zet hem op slot. We nemen vrolijk afscheid, en dan ben ík aan de beurt om de vrijheid van het fietsen eindelijk weer eens met volle teugen te genieten.

Ik heb deze dag helemaal leeg weten te houden. Even niet verantwoordelijk of sociaal doen. Het stalen ros heeft een paar weken geleden een nieuwe achterband en een beurtje gehad, en alles loopt gesmeerd als ik Leeuwarden achter me laat. Een lichte tegenwind vanuit het zuidwesten als ik langs het Van Harinxmakanaal rijd. Op naar mijn eerste tussenstop in Dronrijp, waar ik bij Van Der Kloet de heerlijkste krentenbollen koop.

20160526_090130

Vandaar gaat het via plaatsjes als Lutjelollum en Herbaijum, door geurige graslanden en langs slootjes vol luidruchtige kikkers naar Harlingen. En ik voel dat ik leef, terwijl de zon door de wolken breekt.

Friesland is fietsland. Toen ik er zelf nog nooit was geweest, kende in de provincie al uit de heldhaftige verhalen van ome Cors die, ongetraind maar beresterk, elk jaar op Tweede Pinksterdag naar Bolsward trok om van daaruit de 235 kilometer Elfstedentocht af te leggen. Met als enige proviand een zak druivensuiker en een doos sigaren.

Ik fiets niet in groepen. Ik fiets alleen. Omdat ik dan vrij ben, loskom van wat me op mijn plek houdt of afremt. Fietsen is in het landschap zijn, en er tegelijkertijd niet echt deel van uit maken. De geur ervan opsnuiven zoals die van de rozenbottelstruiken bij een vervallen boerderijtje. Door plaatsjes waar nog een SRV-wagen rijdt. Prachtig verzorgde moestuintjes en rommelige erven. Mijn gedachten, dromen, zorgen en verlangens komen en gaan. Zoals bij elke pedaalslag het uitzicht verandert.

20160526_111510

In Harlingen ruik ik diesel en zee. Bij de haven roken groepjes gepensioneerde mannen terwijl ze stoere taal uitslaan. In de verte nadert de snelboot vanaf Vlieland. Ik drink koffie en rust uit met uitzicht op die poort naar de grote buitenwereld. Het zeegat uit.

Een levendige stad met mooie verhalen. Ze bouwen er het schip van Willem Barentsz na. Ik kijk en krijg een rondleiding van een enthousiaste vrijwilliger. Ik zie en hoor passie en een jongensboek.

20160526_123142

Dan terug. Een omweg over de vruchtbare klei nu. Akkerlanden langs de Waddendijk, jonge gewassen schieten de grond uit. Wat is het er, op de vogels na, stil. Een stukje over de geasfalteerde dijk aan de zeekant. Af en toe is er een hek waar ik de fiets overheen moet tillen. Hier en daar is het een hachelijk avontuur om de schapenstront te vermijden. Maar het belangrijkste is dat ik het Wad zie, en Terschelling en Vlieland aan de overkant.

Het is warmer als ik de eenzame toren van Furdgum nader. Ik open het hek van het kerkhof en ga op het bankje zitten. Weer is het stil. De wind suizelt in vriendelijke boompjes. In de verte roept een koekoek.

20160526_132142

De laatste twintig kilometer hangen er broeierige buitjes in de lucht. Hoewel ik de wind nu krachtig mee heb, doen mijn bovenbeenspieren een beetje moeilijk als ik door Berlikum en Bitgum fiets, en ik ben moe en blij als ik Leeuwarden weer binnen rijd. Ik heb nog een uurtje om bij te komen voor ik weer naar school ga om samen met Vera naar huis te fietsen. Wat een fijne dag.