De Bladblazers

Als ik vertel dat de herfst mijn favoriete jaargetijde is, kijkt men me meewarig aan. Een voorkeur voor komen en gaan van bladeren verraadt op zijn minst een melancholische inslag, waarmee je al gauw halverwege de oprijlaan van de psychiatrische inrichting loopt. Het begin van het einde. Maar ik vind in de afvallende bladeren en de geur van verrotting juist een enorme troost. Nog weet ik hoe het rook als ik als kind in het najaar ’s avonds na het eten nog even naar buiten mocht. Ik zie nog de verstilde spinnewebben om de lantaarnpaal op de hoek van de straat. De vleermuizen die hun laatste rondjes vliegen voordat de winterslaap begint. Het geritsel van wroetende egeltjes. En dan met je laarzen door de bladeren, terwijl uit je mond al winterse dampwolkjes ontsnappen. Nergens voel je méér dat je leeft dan op plaatsen waar de dood zich zo mild manifesteert. Daarom is Allerzielen ook in november. Lichtjes aansteken op het kerkhof. Alleen als het donker is, voel je wat licht betekent.

Overal waar ik gewoond heb waren wel buren die hun uiterste best deden om deze tekenen van verval en sterfelijkheid zorgvuldig uit de weg te ruimen. Met verwondering kijk ik ernaar. Drie, vier keer op een dag worden harken en bezems tevoorschijn gehaald om de afgevallen bladeren tot het laatste exemplaar te elimineren. Tevergeefs uiteraard, want ze hebben hun hielen nog niet gelicht of daar dwarrelen ze weer veelkleurig uit de hemel. De bladeren drijven de spot met onze opruimwoede en comtroledwang. We zijn niet sterker dan het leven en we zijn al helemaal niet sterker dan de dood. We staan er middenin, en dat maakt ons gelijk aan elkaar. Een uitnodiging tot berusting en stilte.

En als er iets is waar we niet tegenkunnen is het stilte. Daarom wordt de confronterende bladerenrommel niet langer opgeruimd met een bezem, maar door een team van schreeuwende mannen met bladblazers. Daar razen ze door de straat. Zes man sterk, met overalls en gele hesjes nota bene. Met plechtige gezichten roepen ze elkaar bevelen toe. Als commando’s die een horde gevaarlijke raddraaiers te lijf gaan. Onder geparkeerde auto’s, achter hekjes, uit de goot en zelfs uit de slootkant worden de bladeren verdreven. Verschrikte katten stuiven weg. Met getergde gezichten draaien de mannen het gas van hun blazer tot het uiterste open als er een eigenwijs groepje natte bladeren zich aan het asfalt vastklampt. Ze schoppen ertegen, schrapen met hun laarzen de laatste resten weg en roken woedend hun zware shag.

Als ze de hoek om zijn volgt nog een veegwagentje. Met vriendelijk geruis passeert hij ons huis. En dan keert de rust weer. Alsof er niets is gebeurd. Als een onmiskenbaar teken van tevergeefsheid dwarrelt het eerste blad alweer naar beneden. Heerlijk vind ik dat. Leve de herfst.

De Grote Ton

Achter de pastorie stond er één. Zo’n grote ton die moerasgas opving. Ik was een jaar of tien en vond het een mysterieus geval. Temeer daar je er niet dichtbij mocht komen. Ik associeerde de ton met donkere tijden en verborgen geschiedenissen. En het had iets te maken met dwaallichten, werd verteld. En dat alles zó dicht bij het kerkhof. Bovendien kwam ik erachter dat het gasstel van de pastoor, waarop hij water kookte voor de thee, op dit moerasgas brandde. De wat loom flakkerende vlammetjes onder de ketel kwamen rechtstreeks uit de diepten van de aarde onder de grote ton. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar de thee kreeg er in mijn mond een spookachtige smaak van.

Overal in de omgeving schijnen deze brongasinstallaties in gebruik te zijn geweest. Aan het eind van de negentiende eeuw, voordat de elektriciteit zijn intrede deed, werd het moerasgas brandstof voor bescheiden verlichting van huizen en soms ook om te koken. Herenboeren en pastoors, notarissen en dokters waren de eersten die van deze moderne middelen gebruik maakten. Maar toen overal stroom kwam, viel deze wat onbetrouwbare energiebron uit de gratie. Alleen hier en daar, op plaatsen waar niet veel was gemoderniseerd, zoals bij de kerk, bleef het vlammetje branden. En zoals dat gaat: wat eens modern was, werd een curieus reliek uit een duister verleden.

De grote ijzeren tonnen die niet meer werden gebruikt kregen vaak een andere functie. En zo komt het dat “de grote ton” in mijn jeugd nog een andere rol speelde. In de polder waarop wij vanuit ons huisje aan de Oosterweg uitkeken, waren namelijk sinds mensenheugenis twee van dergelijke tonnen in de verte te zien. Op stille ochtenden staken hun bovenkanten als middeleeuwse donjons boven de grondmist uit. Ze waren bedoeld als schuilplaats voor de schapen, maar voor mij waren het geheime hutten, pleisterplaatsen op heroische trektochten die ik op winterse dagen maakte, met een vriendje, of in mijn eentje, als er ijs lag op de polderslootjes, zodat anders onbereikbare verten ineens te belopen waren. In de tonnen at ik de boterhammen op die ik mee had in mijn knapzak. Het rook er naar klei, roest en schapenstront. En naar avontuur. Ontdekkingsreiziger was ik, op amper een kilometer van huis.

Buk-Shag Voor Pa

Naarmate de druk van het heden afneemt, drijft het verleden naar de oppervlakte. Van wat vandaag gebeurt, blijft bij mijn moeder niet veel meer hangen; het lijkt niet wezenlijk belangrijk. Maar bij het bekijken van oude foto’s, gaan haar luiken wagenwijd open. Dan komen de verhalen, samenhangend, levendig, emotievol. Over de oorlog vooral, over armoede en ziekte. Over het kleine, onbewoonbaar verklaarde huisje. Maar ook hoe ze zongen met elkaar, negen kinderen, op het enorme hobbelpaard dat haar vader met afvalhout had gemaakt.

Haar vader, haar grote held, over wie ze nog steeds met het grootste respect spreekt. Op deze foto zal hij halverwege de dertig zijn. Een tanige man, sterk, intelligent. Mijn moeder is een jaar of zes. Trots houdt ze zijn knoestige hand vast, terwijl ze de schoenen draagt die hij heeft verzoold. Want haar vader kan alles, in elk geval in haar ogen. Ze lijkt te huppelen, aan zijn zijde kan ze de wereld aan. Vandaag heeft ze hem een beetje voor zichzelf.

De verhalen over haar moeder hebben een andere toon. Zelf waarschijnlijk beschadigd of verwaarloosd, maakt ze onderscheid tussen haar kinderen. Van sommige van haar kinderen lijkt ze meer te houden. En anderen komen op de tweede plek. Zo noemt ze Agatha, mijn moeder regelmatig “lompert” en zegt “Je bent een monster”, als ze als onzekere puber voor de spiegel staat. “Ik hoor het nog altijd; het is altijd in mijn hoofd blijven zitten!”, zegt Agatha nu, op haar zevenentachtigste. Het gaat me door merg en been. Ofschoon mijn moeder meestal met veel ontzag over haar spreekt, is dit toch het beeld dat bij mij het meeste blijft hangen.

Je eigen kind betitelen als monster. Ik kan of wil het niet voor geloven. Dit vrolijke meisje is toch geen monster. Ze doet me aan mijn eigen dochter denken. Een beweeglijk, open en lief kind. Met eigenaardigheden en onhebbelijkheden, zoals elk kind. Maar geen monster. Welke beschadigingen zal mijn oma zelf in haar jeugd hebben opgelopen, waardoor is háár hart zo verhard? Ik heb haar nooit gekend; ze is al jong gestorven.

En natuurlijk: negen kinderen baren, ze voeden en opvoeden, in zulke armoedige tijden. Hoe doe je dat? Overdag gaf ze hier en daar klap als ze dat nodig vond, en daarnaast registreerde ze de overtredingen die de kinderen begingen, om ’s avonds haar man de opdracht te geven passende straffen toe te dienen. “Wacht maar tot vanavond, dan zal je vader je slaan!”

“Maar mijn vader sloeg niet hárd hoor!” zegt mijn moeder vertederd. Ze moet in zijn ogen iets gezien hebben van twijfel en wroeging als hij één of meerdere kinderen moest meenemen naar de schuur om ze een pak rammel te geven. “Hij was lief en teder van aard”, zegt ze. “En hij wilde me weleens troosten of op schoot nemen, maar dan glipte ik weg, want dat hoorde niet! Ik heb er nóg spijt van dat ik het niet toeliet, maar we werden zo gewaarschuwd voor mannen in het algemeen, dat zelfs mijn eigen vader niet veilig leek!”

Ze liet haar aanhankelijkheid op een andere manier blijken, door in de oorlog, toen tabak schaars was, het hele dorp door te zoeken naar restjes van peuken, die ze uit elkaar peuterde om haar vader met Sinterklaas een pakje “buk-shag” te kunnen geven.

“Gelukkig heb ik veel voor mijn vader kunnen zorgen toen hij later oud was, en met zijn tweede vrouw getrouwd was (mijn moeders moeder is al op eenezestigjarige leeftijd overleden). En van haar heb ik ook veel gehouden!” Gelukkig, ja, zeker. Ik zag ook wel dat mijn moeder en haar vader en stiefmoeder een band hadden. Maar ik vrees dat in al die goede zorgzaamheid altijd ook iets is blijven meespelen van dat gemis aan erkenning als kind. En dat in haar hart nog steeds dit kleine meisje roept “Zie mij, ken mij, hou van mij!”

“Monica”

Dat ik de harmonica van mijn opa heb geërfd, alsmede het talent om er geluid uit te krijgen, heb ik al eens verteld. En ook het verhaal hoe hij dit instrument destijds van mijn ouders heeft gekregen, toen hij net in het bejaardenhuis woonde. Ze overhandigden hem de doos met de woorden “Kijk pa, een hoed voor je, want nu je in het bejaardenhuis woont, hoef je geen pet meer te dragen”. “God bewaar me moeder, een monicaatje!”, zei hij verheugd tegen zijn vrouw, waarna hij ging zitten en er onmiddellijk de sterren mee van de hemel speelde en zong, de populaire liedjes van die dagen inbegrepen. “Meisjes met rode haren” en “Ik krijg een heel apart gevoel van binnen”.

Logisch dus dat dit kleinood mee ging naar de familiereünie van de neven en nichten Koek, afgelopen zaterdag. Maar behalve als eerbetoon en herinnering aan opa, wilde ik er graag nog een betekenis aan koppelen.

Want na de dood van opa is de “monica” eerst naar tante Cor en ome Jaap gegaan. En deze mensen zijn van grote betekenis geweest voor mij. Ze woonden in hun kleine huisje in Kudelstaart, waar ik als ik mijn ogen dicht doe, nog zomaar binnen stap. De deur, de drempel naar de keuken in kleine propvolle en gezellige woonkamer. De kelder waar ik als kind ome Jaap in opsloot omdat ik samen met tante Cor bij de recherche werkte. Het houten molentje op de schoorsteenmantel dat “Tulpen uit Amsterdam” speelde. Het water loopt me nog in de mond als ik denk aan de kaaskoekjes die tante Cor speciaal voor mij kocht. Ik kwam er graag, met bus 171 vanuit Leimuiden, die voor hun deur stopte.

Tante Cor, één van de oudere zussen van mijn vader, kreeg helaas geen kinderen. Een uitzondering in de familie waarin menig gezin uit meer dan tien personen bestond. En hoewel tante Cor het in haar leven, onder andere door die kinderloosheid, niet altijd makkelijk heeft gehad, heeft ze altijd geprobeerd er iets van te maken. Onder andere door voor heel veel anderen klaar te staan en zich samen met haar man in te spannen voor het verenigingsleven. En, niet in de laatste plaats, door op elk feestje wel een voordracht of een lied te verzorgen.

Tante Cor zag al jong mijn talent voor muziek, en ze had de generositeit om haar herinnering aan haar vader, zijn “monica”, aan mij te geven. Vandaar dat ik er afgelopen zaterdag, zo’n veertig jaar later, op de familiereünie een liedje mee heb voorgedragen dat tante Cor ook zo graag zong, “Wie kan me vertellen waar woon ik?” Met de intentie om niet alleen opa maar ook tante Cor weer even in het licht te plaatsen. Van harte.

Besmettelijke Ziekte

Achtung! Besmettelijke Ziekte! Typhus! Ze staan nog levensgroot in mijn moeders geheugen gegrift. De waarschuwende letters op het raam van hun onbewoonbaar verklaarde huisje aan het Noordeinde in Leimuiden.

In één van die bittere winters in de oorlog die haar jeugd overschaduwde, werden haar vader en een paar van haar broers en zusjes ziek. Het gebrek aan gezonde voeding en de constante spanning en angst hadden hun weerstand uitgehold. Tyfus. En terwijl vader in levensgevaar naar het ziekenhuis in Leiden werd afgevoerd, vel over been en ijlend van torenhoge koorts, bleef moeder achter met negen kleine kinderen, van wie de helft ziek.

“We mochten niet naar school, maar we gingen wél met de bus naar pa in het ziekenhuis, waar hij vanuit zijn quarantaine met holle machteloze ogen naar ons keek”, vertelt ze. “En thuis kregen de zieke kinderen soep, door zorgzame buren gebracht….en wij, de kinderen die (nog) niet ziek waren aten de balletjes eruit, want wíj hadden honger, en balletjes in de soep hadden we al jaren niet meer gezien”

De dorpsdokter die na de oorlog vanwege zijn verzetsactiviteiten een heldenstatus bereikte, had er gauw en handig werk van gemaakt. De Duitse militaire autoriteiten op de hoogte gebracht dat er tyfus heerste in dát gezin, tegenover het plaatselijke hoofdkwartier.

Want dat kwam buitengewoon goed uit. In het onbewoonde gedeelte van het schamele twee-onder-een-kap huisje kon het verzet nu “veilig” de gedropte wapens bewaren. Of die wapens er bij de uitbraak van de ziekte al lagen, of dat ze juist vanwége deze buitenkans dáár werden opgeslagen vertelt het verhaal niet. Maar als de Duitsers ergens huiverig voor waren, was het wel voor besmettelijke ziektes, en de dreiging van een epidemie onder hun eigen soldaten. Dus ze zouden wel uit de buurt blijven.

Dat laatste bleek niet helemaal waar , want mijn moeder ziet ze nog komen. De schaduw van de grote grimmig kijkende soldaten, turend door de ruit, loerend of er wel écht zieken waren. Binnenkomen durfden ze godzijdank niet.

Maar kijk het eens in de ogen: het leed, de ziekte en het ongeluk van dit arme gezin, de kinderen en hun werd een opportunistische dekmantel voor de activiteiten van het verzet. Voor de “goede zaak”? Of is het onbezonnen heldendom? Want wie waren de eerste slachtoffers geweest als de wapens zouden zijn ontdekt? Wie zouden er tegen de muur zijn gezet, of afgevoerd naar een concentratiekamp?

Het liep allemaal min of meer goed af. Pa en de kinderen genazen, en de wapens bleven onontdekt. Maar mijn moeder heeft haar leven lang de dreiging met zich mee gedragen, tot in haar dromen van vannacht.

Bier en Bananen

Deze combinatie herken ik, dacht ik toen ik mijzelf vanmorgen bij de kassa van een afstandje bekeek. Slechts bananen en bier op de band. In mijn geval zijn de Chouffes voor het weekend bestemd, en de bananen vormen een onderdeel van een verder redelijk evenwichtig eetpatroon, al zeg ik het zelf. Nog even snel gehaald omdat we anders geen fruit in huis hebben.

Maar de herinnering die ik aan beide producten heb, gaan over iemand anders. Iemand die me dierbaar was en die ik lang heb gekend. En die in de laatste jaren van zijn leven functioneerde op niets anders dan drank, koffie met een koekje, en een paar bananen.

Zo gek kan dat blijkbaar gaan in een mensenleven. Dat je qua werk en qua intellect een rijk bestaan hebt. Dat er mensen zijn die van je houden en graag naar je verhalen luisteren. Dat je iets betekent voor anderen, dat je humor hebt en relativeringsvermogen. Dat je geniet van de natuur, van lezen, praten en van muziek. En dat toch de drank, de verdoving en de verslaving je leven langzamerhand overnemen. Dat je het stuur ervan uit handen geeft. Waardoor je steeds onrustiger en wispelturig wordt en je voor je vrienden steeds minder op jezelf lijkt.

Blijkbaar bevatten de bananen voldoende voedingsstoffen om te voorkomen dat je door vitaminegebrek het syndroom van Korsakov krijgt. Blijkbaar is dit het minimale wat je lijf en je hoofd nodig hebben om nog jarenlang te overleven. Tot je vatenstelsel het begeeft en je misschien wel 20 jaar eerder dood gaat dan wanneer je het monster had kunnen of willen afschudden.

Was dit je keuze? Of was je gewoon niet meer in staat om te luisteren naar je lijf en de bezorgdheid van je omgeving? Ik had je in elk geval nog wel even langer willen kennen. Maar laat ik de bananen maar bedanken. En hun vermogen jou er nog even bij te houden. En verder mild zijn, en mijn Chouffe langzaam en met aandacht drinken. En me jou herinneren.

Wie Redt De Roos?

Dat zomaar een krantenartikel je zo kan raken. Van meerdere kanten werd het stuk uit de Volkskrant van gisteren me toegestuurd. Ik las het en heb er de hele dag een nare smaak van in mijn mond gehad. En ik moet er iets over kwijt.

Want het raakt voor mij zowel aan mijn eigen leven als aan een paar thema’s in de maatschappij. Hoe de paradijselijke plek die Camping De Roos bij Ommen is, wordt overgeleverd aan de commercie. En alsof dat op zich nog niet verdrietig genoeg is, hoe er ook nog eens zo denigrerend en kortzichtig over wordt geschreven.

Sinds de geboorte van mijn dochter, bijna tien jaar geleden, zijn we elk jaar tenminste één keer een poos op De Roos geweest. De ruime plekken, de rust, de natuur en de mensen die er doorgaans komen: het past bij mij. Mensen die van natuur en eerlijk eten houden. En die genoeg hebben aan het heerlijk zwemwater van de Vecht, het speelstrand aan de zijarm van de rivier, de zandbakken op het terrein. En slechts een paar uurtjes WiFi per dag.

Wat was het heerlijk om met de kleuters van ons veldje vertrouwde liedjes te zingen. En ’s avonds in stilte naar de sterren te kijken. En te luisteren naar de uilen en de koekoek, de nachtegaal en de vleermuizen. We waren gast in de natuur, respectvol en bescheiden.

Het hing al een tijdje in de lucht: deze oase in het Vechtdal zou veranderen. Omdat de familie De Roos met pensioen gaat en bij gebrek aan opvolgers de camping aan het Franse concern Huttopia heeft verkocht. Het lijkt een goede partij, die ook de natuur hoog in het vaandel heeft staan. Maar ik vrees dat de natuur hier als een populair consumptiemiddel wordt geëxploiteerd. “Kijk eens wat een mooie groene plek, laten we het vol bouwen met luxe hutten”.

Het Volkskrantartikel doet voorkomen alsof de gemiddelde bezoekers van De Roos zwaar fundamentalistische antroposofen zijn. Alsof een soort sektarische gemeenschap het grondgebied heeft geannexeerd. Dat is gewoon niet waar. Het zijn de kleurrijke uitzonderingen die zich op deze plek ook welkom weten. Temidden van andere, gewone, bewust levende en natuurminnende gezinnen. Die vakantie willen vieren zonder plastic en frikandellen.

De Volkskrant kent geen nuancering in dit artikel. Ze maakt een karikatuur van de kampeerders. En de huidige beheerder, die namens Huttopia de zaak bestiert, laat zich verlokken tot de uitspraak dat hij niks van “dat antroposofische gedoe” moet hebben. En dat De Roos voor iedereen is.

Ik ben geen antroposoof, maar ik hoop van harte dat De Roos wel blijft zoals ze is. Natuurlijk veranderen de tijden en hoeft niet alles exact hetzelfde te blijven. Maar juist in deze tijd waarin duurzaamheid en milieu zo onder druk staan, lijkt het me onontbeerlijk dat er plaatsen zijn zoals De Roos. Voor mensen die van campings houden met meer lawaai en animatiemensen in konijnenpakken is er keuze genoeg. Alsjeblieft, gun ons ons paradijs!

Gestold

Zorgvuldig tegen de lantaarnpaal geplaatst. Ketting eromheen. Niemand zal ze weghalen. De twee fietsen, verstrengeld in het groen.

Misschien heb ik juist nu oog voor de bijzondere symboliek van het tafereeltje vanwege de wandeling die ik heb gemaakt. Want ik kom net uit volkstuinencomplex Amstelglorie in Amsterdam. Stiltezee van groen tussen het ruisen van snelwegen, onwerkelijk bloeiend dal tussen torenhoge hotels en kantoren.

Laatst las ik een tuindagboek over deze bijzondere oase midden in de stad, door een van beroemdste bewoners van die groene enclave: Jan Wolkers, die er in de jaren voordat hij naar Texel verhuisde met Karina een ware Hof van Eden creëerde.

En als er iemand is die de hele dynamiek van leven en dood, verval en bloei hartstochtelijk heeft beschreven en verbeeld is het Jan Wolkers. Met rode konen las ik juist in mijn wat stoffige theologiejaren zijn grote, rauwe en nietsverhullende romans. En in zijn achtertuin werd leven en sterven één troostrijk groots verband.

En nu dus, schuin tegenover de ingang van Amstelglorie, sta ik, op een drukkend hete zomermiddag oog in oog met verbondenheid en vergankelijkheid. De twee fietsen, als gestold in hun snelheid. Haagwinde en ander enthousiast groen ontneemt ze hun contouren.

Ik stel me het oudere echtpaar voor, dat ze eens hebben gedragen. Eén is plotseling onwel geworden. Afgevoerd met de ambulance. En na zíjn dood heeft zíj nooit meer aan de fietsen durven denken. De vroegere snelheid van hun bestaan achter zich gelaten. Hun herinneringen overwoekerd. De toekomst samen uitgewist.

U Staat Niet In Het Systeem!

Hoopvol rijd ik deze stralende woensdagmorgen de slagboom tegemoet. Vandaag zal hij voor mij opengaan. Het ziekenhuis van deze middelgrote Friese stad zal mij gastvrij ontvangen, omdat ik er, als medewerker van het revalidatiecentrum, een muziektherapeutisch steentje kan bijdragen. Al jaren, met tussenpozen, mag ik ook daar, samen met de logopedisten, mensen wekelijks behandelen met muziek en zang, om hun spraak weer te helpen verbeteren. Heerlijk, eens een andere route. Geen straf om wat extra kilometers door het lentegroen te rijden.

Dat de nummerbordherkenning aanvankelijk, een week of acht geleden niet werkte, en ik dus een parkeerkaartje – en op de terugweg een uitrijkaartje – moest regelen, zou van tijdelijke aard zijn. Eerst gewoon het nummerbord van mijn auto doorgeven. Geen probleem. Onze eigen receptiemedewerker zou het per mail regelen, en mijn collega logopediste ging er ook nog een keer achteraan. Dat het na drie weken nog niet lukte, was een kwestie van geduld. Iedereen heeft het druk. De mail was waarschijnlijk nog niet geopend, of door de medewerkers in de centrale hal nog niet doorgegeven aan de beveiliging.

“Nee, we hebben storing”, klonk het in week vier. Braaf regelde ik telkenmale uitrijkaartjes of drukte ik op de knop bij de uitgang, om in gesprek te gaan met de beveiliger aan de andere kant van de intercom. Dat daar tijd en moeite in gaat zitten, ach…een kniesoor die daar aanstoot aan neemt. “U moet eerst het oude kenteken laten verwijderen, anders kunnen we het nieuwe niet invoeren!” zeiden ze, enigszins verwijtend. Geen probleem. Geven we dat gewoon ook door. Een keer of vier.

“Ja, maar u kunt er niet van uitgaan dat de slagboom altijd opengaat! Als de lichtinval eens anders is door de felle zon, of u heeft uw auto niet gewassen. Gebruik uw ziekenhuispas dan!” Mijn ziekenhuispas? Die was toch juist overbodig geworden, was mij ooit verteld. Bovendien was dat een nogal oude, met een jeugdige foto, en mijn naam stond er niet goed op. “Misschien kunt u een nieuwe voor me maken?” “Nee, dat gaat niet zomaar, daar moet u hier permanent werken en niet af en toe”, klonk de stem uit de krakerige intercom. “We geven het nog wel een keer door”, zei mijn collega vorige week, “en dan leveren we gelijk het oude pasje in, dan kunnen ze je identiteit verifiëren.” Het betreffende kaartje had ik na enig speurwerk weer opgegraven. Maar een geluk dat ik niet zo weggooierig ben. Dus vanmorgen zou het goed komen, dacht ik. Dat kan niet anders. Het is immers lente.

Maar vandaag – hoe stralend de zon ook schijnt, hoe wit de wolken en hoe blauw de lucht daartussen – blijft wederom de slagboom hermetisch gesloten. Een rood wit geblokte wolk van teleurstelling en frustratie vult mijn hoofd. Moedeloos druk ik op de knop voor een kaartje. En na de – zoals meestal, gelukkig – vrolijk en zinvol verlopen behandeling, besluit ik zelf maar even naar de centrale hal te lopen en een medewerker van de overkoepelende organisatie aan te spreken. Aanvankelijk kijkt ze me vriendelijk en welwillend aan, maar naarmate ik, op rustige, misschien zelfs wat onderdanige toon, probeer mijn verhaal te vertellen, zie ik haar bijna onmerkbaar achteruit rijden op haar bewielde bureaustoel, terwijl haar blik verstart.

“Ik loop wel even naar de beveiliging”, zegt ze uiteindelijk met tegenzin, om vijf minuten later terug te komen met de bitse mededeling: “U staat niet in het systeem!”, mij daarbij boosaardig aankijkend, alsof dit uitsluitend en alleen mij kan worden aangerekend. “U werkt hier niet vaak genoeg om in het systeem te kunnen; daar kunnen we niet aan beginnen. Maar als u op de knop drukt laten we er u wel uit, dan weten we wel wie u bent!”

Met een onmiskenbaar gevoel van afwijzing slenter ik naar de auto. Ik stap in, rijd schoorvoetend in de richting van de slagboom. Druk op de knop. Eerst klinkt er een zoemtoon. Dan een mannenstem: “Goedemorgen, wat is er aan de hand?” “Ik ben medewerker van de revalidatie en ik wil er graag uit, zeg ik moeizaam vriendelijk. “Wie bent U?!?” klinkt het bars.

Je Zit Gauw Een End Weg

“Je zit gauw een end weg!”, zei pa als we samen een eindje aan het toeren waren met de auto. Een kwartiertje onderweg en ik draaide bij Bodegraven de A12 op. In de verte de contouren van Utrecht, en de zendmast van Lopik.

Als je jezelf altijd verplaatst hebt per fiets, voet of praam, is de snelheid van een auto astronomisch. En als Utrecht al een eind weg is, behelst de reis naar Friesland natuurlijk helemaal een onoverbrugbare afstand.

Ik wilde wel eens weten of ik inderdaad zo ver weg woon. Door de afstand tussen Friesland en mijn geboortestreek eens niet per auto of trein af te leggen, maar op de fiets. Op spierkracht. Om mijn eigen fysieke en mentale grenzen te verleggen, en om de psychologische afstand te verkleinen.

Nadat ik de kinderen op school had gebracht, vertrok ik op donderdag 23 mei rond half tien, tegen een behoorlijk straffe wind in, in de richting van Sneek. Een route die ik wel kende, want ik had in de afgelopen maanden al wat meer langere afstanden gefietst, om aan de hardheid van het zadel te wennen. Na koffie in Sneek kwam ik op minder bekend terrein. De Zuidwesthoek, Gaasterland. Met verwondering heb ik de on-Friese glooiingen en bossen weergezien. En ik heb een vriendin uit mijn studietijd opnieuw ontmoet. Liefdevolle gastvrijheid. Onder een heerlijke lentezon.

Tegen de avond vis in de haven van Stavoren, en een verstilde overtocht met het veer naar Enkhuizen. Een fijn bed en vriendelijk gezelschap, gevonden via Vrienden Op De Fiets. Voor weinig geld een overnachting met ontbijt. En nog wat goede tips voor het vervolg van mijn reis op vrijdagmorgen.

Langs de IJsselmeerdijk naar Hoorn en Edam. Langs dorpen die ik alleen van horen zeggen ken. Scharwoude, of Venhuizen, een plek met een voor mij bijna mythische klank, omdat mijn oude leermeester pastoor Thomas daar volgens de overlevering in 1908 is geboren. Volendam, met uitzicht op zeeën Japanners. Monnickendam, Broek In Waterland.

Tot ik ineens in Amsterdam-Noord was. Met het pontje over het IJ, en daar fietste ik, van het Centraal Station over Damrak, Dam en Rokin. Fluitend en zingend. In de wereldstad Amsterdam, waar je volgens mijn vader zomaar, om niks een mes in je rug kon krijgen.

In Uithoorn bezocht ik mijn tante Nellie en ome Gerard, die me een pot zelfgemaakte bramenjam meegaven. “Wel het potje weer terugbrengen hoor, dan zien we je wéér eens!” En dan het meest ontroerende stukje: tegen de avond, langs de Amstel en de Drecht, langs wat eens het domein van mijn zo bijzondere ome Cors en zijn vrouw tante Barry was. Waar ik me gekend voelde en waar ik zo onbedaarlijk geleefd en gelachen heb. Ze zijn beide overleden. Wat rest is het vertrouwde smalle pad, het water, het riet, het wuiven van het gras en de grutto’s daarboven. In de richting van Leimuiden.

In een stil hoekje bij de Chinees in mijn geboortedorp, met door een vettig raam uitzicht op de Stapenseastraat, at ik wat onbestemde kost. Wat volgde was weer een avond van ontmoeting en gastvrijheid. De buren van mijn oude vrienden pastoor Thomas en Riet, bleken ook bij Vrienden Op De Fiets te horen. Als de verloren zoon werd ik binnengehaald, zeker twintig jaar elkaar niet gezien. En in het voormalige huis van pastoor Thomas blijkt inmiddels een oude lagere schoolvriend van mij te wonen. Met zijn gezin. Die met een brandende vuurkorf, koffie en whisky op mij wachtte. Er was op mij gerekend op deze historische plek tegenover kerk en kerkhof, waar ik mijn vaders graf gezocht, zijn steen trof ik beschenen door de laatste avondzon.

Zaterdagmorgen naar mijn oude moeder in Alphen. Die zich niet eens verbaasde over mijn aankomst per fiets. “Je bent vanochtend zeker wel vroeg weggegaan”? Dat ik inmiddels een kleine tweehonderd kilometer had afgelegd, leek haar te ontgaan. Helemaal goed. Ik wilde immers een afstand verkleinen.

Via de veenweidegebieden tussen Alphen en Utrecht verder. De kronkelende Meije. Thee bij mijn nichtje in Woerdense Verlaat. Via Breukelen, de Loosdrechtse Plassen en Hollandsche Rading in de richting van de Utrechtse Heuvelrug, die je plotsklaps ziet opdoemen uit het moeras. In Baarn de ontvangst en de warmte van mijn vrienden die al vaker een letterlijke en figuurlijke pleisterplaats voor me hebben bereid.

Omdat ik nog een halve zondag over had en ik ’s middags in Amersfoort op de trein wilde stappen, maakte ik een rondrit langs mijn oude woonplaatsen in Baarn, Zeist, Doorn en Amersfoort. Melancholie, vertrouwde geuren van bos, brem en gestolde jeugd, tot ik in de laatste kilometer van de 330 nog één bijzondere ongeplande ontmoeting had: Martin, mijn leraar filosofie van tweeëntwintig jaar geleden. Met wie ik in een mum van tijd een diepzinnig gesprek had over ouderschap, religie, loyaliteit en tijd.

In de trein maakte ik de balans op. Wat een fijne ervaring om zo rustig en open en alleen op weg te zijn gegaan. Om de apen en beren die ik voorheen altijd voor me zag nu eens thuis te laten. En: “Je zit gauw een end weg!”

Wonen overal nergens thuis,
Aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.
Vallende sterren, de schim van de maan,
Mensen die opstaan en leven gaan,
Mensen, veel geluk.

Wonen overal even thuis
Handel en wandel en huis na huis
Loven en bieden op waarheid en waan,
Wagen en winnen en verder gaan
Mensen, veel geluk.

Wonen overal bijna thuis
Aarde mijn hemel mijn vadershuis
Stijgende sterren, de lach van de maan
Mensen die dromend een stem verstaan
Mensen, veel geluk.

Huub Oosterhuis