Effe Stil

Ze is er zuinig op geweest, al die jaren. Van haar vader gekregen, zei ze. Of het waar is weet je niet. Haar herinneringen vertekenden de laatste tijd. Ze kan het ook van haar man, je eigen vader hebben gehad. Maar dat het al heel lang bij haar was, minstens zestig jaar, betwijfel je niet.

Je hebt het, zo herinner je je al schrijvend, zélf van haar linkerpols gehaald, die laatste dag dat ze leefde. Toen ze buiten bewustzijn was geraakt na de zware beroerte en je niet wilde dat ze door welke irritatie dan ook zou worden gekweld. Bovendien kon je zonder het horloge beter “vinger aan de pols” houden. Met de twee vingers van je rechterhand aan de slagader van haar linkerpols voelde je het leven onomkeerbaar wegvloeien. Je voelde zelfs een zekere trots dat je zelf – zoon zo dichtbij – de dood kon constateren. Daar hoefde geen vreemde aan te pas te komen.

Ze droeg het op zaterdagavond en op zondagmorgen, en tijdens heel bijzondere gelegenheden. Als ze je een nachtkus kwam geven terwijl beneden het geroezemoes van de verjaardagsvisite aanzwelde. Haar adem had die zeldzame lichte zweem van Hartevelt jenever die haar – je weet niet waarom – extra waardigheid gaf. Vertrouwvol zakte je weg in een droomloze slaap, alsof de hoorbare aanwezigheid van de grote familie en de tot de zolder doordringende overdadige sigaren- en sigarettenrook van de grote mannen een allesomvattende geruststelling inhielden. Nu hoefde je al helemaal nergens meer bang voor te zijn. Iedereen die van je hield was oorverdovend nabij.

Ze zal het hebben gedragen toen ze trots naast je stond tijdens je Eerste Communie, de toediening van het Heilig Vormsel, tijdens de plechtigheden op de priesteropleiding, toen je je eerste stappen dacht te zetten naar dat heilig ambt. Maar ook zal ze het kostbaar kleinood hebben gedragen toen je uiteindelijk – aanvankelijk tot haar teleurstelling een andere weg ingeslagen – trouwde, en toen je kinderen werden gedoopt. Rechtop, alsof ze helemaal volwaardig moeder was door oma te zijn geworden.

Ze zal het met zorg hebben omgedaan op de dag dat ze haar man ten grave moest dragen, zoals ze het zo dikwijls zal hebben gedragen tijdens een onomkeerbaar afscheid. Omdat je in een lang leven nu eenmaal veel los hebt te laten. Tot je uiteindelijk ook jezelf moet laten gaan.

Ze kon met haar ene oor nog altijd horen of het horloge liep. Dát het liep was vele malen belangrijker dan of het op tijd liep. Haar “hoor-oor” zoals ze het noemde, registreerde – “effe stil” zei ze – de zachte tikjes van het uurwerk. Zal ze het die laatste keer dat ze door je werd opgehaald ook nog hebben gedaan? Ze was in ieder geval uitzonderlijk helder, die zondag waarop ze – achteraf – haar laatste aardse week inging. Toen ze tegen je zei dat ze wel naar pa wilde, nu ze begreep de grip óp en het begrip ván het hier en nu kwijt te zijn. Niet meer bij de tijd te zijn.

Je draagt het onbewust al een poosje bij je. Waarom je het in je winterjas hebt gestopt, weet je eigenlijk niet. Het zit bij je rozenkrans in het kleine borstzakje. En hoe je ook je éigen “hoor-oor” inspant, je ontwaart geen zachte tik. Je zou het naar de horlogemaker kunnen brengen. Maar misschien is het voorlopig juist goed dat het niet meer loopt. Om de onherroepelijkheid ervan. En om af en toe even te luisteren hoe de stilte klinkt.

Een gedachte over “Effe Stil

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *