En Wij Zullen Glimlachen

20160628_213357

“Ik weet niet of ik ook nog een soort blij ben dat ik hier ben. Maar dat is ook nog veel te vroeg om te zeggen”, zegt mijn dagboek. Het is maandagochtend 26 augustus 1991. Ik heb best goed geslapen in het grote eenpersoonsbed, onder het witte gesteven laken en de wollen dekens. Eens in de twee weken zal er een nieuw stapeltje – keurig opgevouwen lakens en kussensloop – voor mijn deur liggen. De rector zal dan elke keer weer verkondigen dat mevrouw M. hier de lakens uitdeelt. En wij zullen glimlachen.

Het is een donkere ruimte, daar op de eerste verdieping aan de noordkant van het statige jaren dertig pand in Voorburg. Om de zoveel minuten hoor ik de treinen van de Zoetermeer Stadslijn de spoorbrug over de Vliet oversteken. Het geraas van de A4 en de A12 is ook niet ver. Toch is het stil in Park Vronesteyn. Een verwachtingsvolle stilte zou het moeten zijn. Maar ze blijkt eerder verontrustend. “Natuurlijk heb ik ook last van heimwee, dit eigenaardige verschijnsel dat je jezelf uit je vel gerukt voelt”, schrijf ik ernstig. Achttien ben ik.

De avond ervoor bij de bushalte achter het benzinestation in Leimuiden. Mijn moeder huilt, mijn vader slikt zijn tranen in en zegt nog eens “Voorzichtig en kijk uit. Let op je portemonnee!” Ik ben opgelucht als ik, mijn splinternieuwe OV-kaart in de hand, bus 144 achter de gereformeerde kerk vandaan de provinciale weg op zie draaien. Ik stap in, mijn te grote blauwe sporttas over de schouder. De chauffeur is gelukkig deze keer geen bekende. Ik zwaai nog eens naar de twee, plotseling oude mensjes, terwijl ik ga zitten. Tien minuten later sta ik op station Nieuw Vennep op de trein naar Den Haag te wachten. En weer een half uurtje later loop ik van Mariahoeve naar mijn nieuwe huis. Tot aan mijn pastorale stage, over een jaar of zes, is het de bedoeling dat ik daar woon.

Een weekje eerder heb ik samen met ome Gerard mijn spullen gebracht. De oude rotan stoelen, de sinaasappelkistjes van wijlen pastoor Thomas, die als boekenkast dienst zullen doen. Mijn radio met cassettedeck. Boeken, bandjes, een foto van de kerk van Leimuiden, en één van het orgel. Mijn keyboard en het wandkleed met de zwanen. De achterklep past ternauwernood dicht. Het is drukkend warm als we over de snelweg rijden en koetjes en kalfjes bespreken. De bomen zitten dik in het blad en werpen een donkerblauwe schaduw over “Vronesteyn, Centrum voor Priesteropleiding van het Bisdom Rotterdam”. Het grote ijzeren hek staat open, maar het is nog vakantietijd en het huis schijnt leeg als ik de deur open maak met de sleutel die me al eerder plechtig is overhandigd. Samen sjouwen we mijn bezittingen via de zijtrap en het donkere gangetje mijn kamer in.

Bed en bureau staan er al. Het bed is van de rector geweest. Voor zijn rug moest hij een nieuw. En omdat ik net zo lang ben als hij, mag ik het oude hebben. Ik weet niet of ik het een voorrecht of een beetje vreemd moet vinden. Ach, mijn leven lang loop ik al in broeken, overhemden, jassen en schoenen van anderen. Alles wat heel is, is zonde om weg te doen.

Een gedachte over “En Wij Zullen Glimlachen

  1. Olga Tieman

    Hallo Piet
    Met veel plezier de bloemlezing gelezen die je opstuurde naar Jean. Prachtige verhalen.
    Gelijk door gegaan met de verhalen op FB. Ook heel mooi en in sommige opzichten herkenbaar voor mij: mijn verpleegstersopleing op Vronestein. De kleine kamer(” het bed en bureautje stonden er al”), heimwee naar mijn ouderlijk huis, vooral als ik ’s avonds naar de verlichte huiskamers keek.
    De A4 en A12 waren in 1966 grlukkig nog niet te horen.
    Ik kijk uit naar de verhalen die komen gaan.
    Olga

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *