Een Zware Jongen?

20151022_094712

Het zenuwcentrum van de hele onderneming bevindt zich op mijn oude zolderkamertje aan de Oosterweg. Behalve de oude grijze telefoon staan mij nog meer, grotendeels onbegrijpelijk piepende en suizende apparaten ter beschikking. Uit muren en plafond komen rode, blauwe en zwarte buizen en snoeren. Allemaal om me in verbinding te houden met J. en M. die zich inmiddels bij de Rabobank aan de Dorpsstraat bevinden. Op een flikkerend, sneeuwend schermpje zie ik hoe J. zich bij de glazen voordeur geposteerd heeft om de wacht te houden, terwijl M. zich aan de zijkant van het gebouw aan een touwconstructie met haken naar beneden laat zakken. Uit zijn rugzak steekt een snijbrander met gasfles.

Af en toe werp ik een korte blik naar buiten. Over de autowrakken van de sloperij zie ik door de populieren heen de provinciale weg. Het is er stil en grijs. Geen auto te bekennen, geen geluid dringt van buiten naar binnen. Zelfs niet het gegons van vliegtuigen, terwijl er normaal elke minuut wel een Boeing of Airbus vanaf Schiphol overvliegt. Ook op het beeldscherm waarop ik de Dorpsstraat in de gaten houd, is geen mens, geen beweging te zien. Het is alsof ik zwartwitfoto’s bekijk van een verdwenen dorp. Alsof iedereen is vertrokken, en wij drieeën de enige overgeblevenen zijn. Is er een ramp gebeurd? Is iedereen dood of gevlucht? Zoals in “Weerwater” van Renate Dorrestein, waarin de hele wereld is vergaan, behalve Almere. Is hetzelfde aan de hand met Leimuiden? Er gaat een rilling over mijn rug. Achter me duw ik de deur naar de overloop open. Ook daar lijkt alle leven verdwenen. Alsof ik een lege koelkast opendoe. Gauw dicht!

Een pieptoon dringt tot mij door. Uit een zwart kastje op mijn bureau klinkt vervolgens een krakerig stemgeluid. Het is M. die meldt dat hij erin is geslaagd de eerste twee deuren open te krijgen. Nu verwacht hij van mij een instructie. Als complicatie blijkt de elektriciteit in de kelder van de bank niet te werken. De mijnwerkerslamp geeft echter voldoende licht om in het ingewikkelde gangenstelsel de weg te vinden. Ik navigeer M. met behulp van de plattegrond die ik voor me heb liggen door de onderaardse wirwar naar de juiste kluisdeur. Ik zie hoe hij de de gasfles opendraait en de brander ontsteekt. Een felle gloed ontneemt mij het zicht op de kluis, maar als het licht enkele ogenblikken later zwakker wordt, staat de deur open en stapt M. naar binnen.

J. houdt intussen nog steeds de wacht. Ze heeft haar handen in de zakken van haar blauwe winterjas gestoken en haar capuchon opgezet. Het is blijkbaar buiten ook koud. Een flauw zonnetje beschijnt vanachter de dorpskerktoren het tafereel. Hier klopt iets niet. Met een schok realiseer ik me dat de zon blijkbaar vanuit het noorden schijnt! Is dat het? Is de aarde gekanteld? Is daarom alles in de war?

Weer de pieptoon. “Ik heb het geld!” zegt M. Dat het zo gemakkelijk zou gaan! Angstaanjagend. Twee miljoen euro. Op het schermpje zie ik hoe hij gasfles en brander in de sloot dumpt, waarna hij met een uitpuilende rugzak aan het touw omhoog klautert. Hij steekt de weg over, terwijl J. zich bij hem voegt. Ook M. zet zijn kraag op, en samen lopen ze ogenschijnlijk rustig in de richting van de auto, die ze bij het oude postkantoor aan de Drechtlaan hebben geparkeerd. Zie ik daar aan de zuidgevel van de bank een camera? Zou onze actie opgenomen zijn? Of heeft niemand ons opgemerkt? Is er iemand die de twee miljoen euro zal missen? Is er nog ergens een plek waar we het uit kunnen geven? Een zwaar gevoel van teleurstelling maakt zich van me meester.

Op het moment dat J. en M. met de rugzak in de grijze auto stappen, is het alsof alles ineens op kleur springt. Ik hoor verkeer voorbijrazen, bladeren ruisen in de wind. Een pieptoon, harder nu, naast mijn oor. De auto wordt blauw, het geboomte herfstig geel, er lijkt beweging achter de ramen van het postkantoor. Nu moet ik mijn ogen wel openen. De klok naast mijn bed wijst zeven uur aan. In de kamer naast de onze hoor ik mijn zoontje murmelen. Een nieuwe dag, oktober 2015. Leeuwarden. De zware jongen ontmaskerd.

20151022_93340

Ik hou van dromen. Ik hou van de onvoorspelbare perspectieven die ze me geven, de inkijkjes in mijn belevingswereld van toen, van nu. Dromen zetten me aan het denken. Maar deze was wel erg onwerkelijk en onheilspellend. Is het het boek van Renate Dorrestein dat ik laatst in één adem heb uitgelezen? Of komt het door mijn schrijfactiviteit van de laatste weken. Natuurlijk, het verhaal speelt zich af in het Leimuiden van dertig jaar geleden, toen dit gebouw als Rabobank in bedrijf was. Maar het kamertje aan de Oosterweg bevindt zich in een verder leeg huis. Mijn ouders zijn er al weg; ik ben er geen kind meer. Bovendien spelen mijn vrouw en één van mijn beste vrienden de hoofdrollen. Hen kende ik als kind nog niet. En ik zelf, wie ben ik? Een zware jongen blijkbaar, het brein achter criminele activiteiten. Is dit mijn schaduwkant?

Wat heeft het voor zin een bank te beroven als de wereld vergaan lijkt te zijn? Is dat de boodschap? Of gaat het erover dat ik onbewust anderen voor mijn karretje span, om duistere doelen na te streven? Wat betekent het dat alles zich in zwart-wit afspeelt, totdat de auto wordt gestart? Wat betekent het dat de zon vanaf de verkeerde kant schijnt? Ben ik afscheid aan het nemen van mijn jeugd? Of juist het tegenovergestelde? En hoe komt het dat ik haast teleurgesteld ben als we niet worden ontmaskerd? Gaat het over ambivalentie? Over licht en donker? De laatste tijd verdiep ik me nogal eens in het brave jochie dat ik was, herkenbaar in de brave man die ik ook tegenwoordig uithang. Leeft er ergens, diep in mij, in een vervreemdende werkelijkheid, een zware jongen? Wie zal het zeggen?

Als je je geroepen voelt mijn droom uit te leggen, ga gerust je gang! Ter inspiratie kan ik je er nog een soundtrack bij leveren. Want niemand anders weet de sfeer van mijn droom zo te verklanken als William Basinski. Ik raad je aan jezelf er iets alcoholisch bij in te schenken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *