Maandelijks archief: januari 2016

Zes Is Klein En Groot

20160130_135623

Zes is wakker en beweeglijk en slaperig en loom
Zes leert cijfers en lijnen en letters
Zes droomt van golvende kleuren

En op de grens van dromen en waken
houdt zes van mooie verhalen
die goed aflopen, maar die ook best
even spannend mogen zijn

Zes is klein en groot
Zes is één en al leven
en soms ‘s avonds heel even
bang voor de dood

Zo ongeveer beschrijft Hans Korteweg in “Nog Vele Jaren”, waarin hij van elk levensjaar een symbolische betekenis onthult, de zesjarige. En voor mijn zesjarige Vera klopt het heel aardig. Want de laatste tijd vraagt ook zij er vaak naar: “Wanneer ga je dood, wat gebeurt er als je dood gaat, gaan er ook weleens kindjes dood?” Vandaar dat ik het haar voorstelde: “Als we vandaag naar opa en oma zijn geweest, zullen we daarna dan eens op het kerkhof gaan kijken, waar pappa’s opa en oma, ooms, tantes, neven, nichten en vrienden begraven zijn? “Jaaa!” roept ze enthousiast.

Het is een bijzondere ervaring om samen het gietijzeren hek te openen. Ik weet precies hoe ik de klink moet draaien. Hetzelfde gepiep, het grind onder mijn voeten en daar staan we dan. Onder de machtige platanen. De talloze stenen met de bekende en overbekende namen. Ik zie er gezichten bij, hoor nog de klank van hun stemmen, al zijn sommige al een kwarteeuw verstomd.

Vera, die in een mengeling van eerbied en opgetogenheid over de smalle paadjes schrijdt, houdt mijn hand vast. Steeds nieuwsgieriger vraagt ze naar de grafteksten. De beertjes op kindergrafjes trekken haar aandacht. En natuurlijk het prachtige beeld voor de doodgeboren en ongedoopte kindjes. “Zielig” vindt ze het soms, maar vaak ook “Wat mooi!” en “Als wij dood gaan kunnen we hier ook wel gaan liggen, pap!” Ik vertel haar dat opa hier jarenlang de graven heeft gemaakt, wat ze met bewondering aanhoort.

Ik wijs haar familieleden en bekenden aan. Sommige graven zoek ik vergeefs, en op andere stenen zie ik met een schok namen van mensen die ik nog onder ons waande. Het is een volle, bijna gezellige plek. Ik snap wel waarom Vera zich er zo op haar gemak lijkt te voelen, zozeer dat ze op een gegeven moment zelfs huppelend één van haar Pippi-liederen aanheft. Tijd om zo zoetjesaan het hof te verlaten.

Maar dan lokt me de andere kant van de kerk. De pastoriedeur. Er staat een auto voor, dus er kan wel eens iemand thuis zijn. In een opwelling bel ik aan. De jonge pastor doet open, en na een korte uitleg over wie ik ben, is hij bereid de deur naar de kerk voor me te ontsluiten. Hij laat ons voorgaan door de pastorie, en als hij ziet hoe ik haast blindelings de deuren, knipjes en lichtknoppen weet te vinden, zegt hij “Nou, ik zie het al: jullie redden je verder wel!”.

En zo sta ik, voor het eerst samen met Vera in “mijn” kerk. Waar het licht door het glas-in-lood binnenvalt zoals het dat altijd op zaterdagmiddagen in januari deed. De banken ruiken hetzelfde. De Godslamp brandt. Het is er stil. Als vanzelfsprekend kniel ik voor het tabernakel, en Vera volgt mijn beweging. Eerbiedig lopen we naar achteren. De trap op naar de koorzolder.

Daar is “mijn” orgel. Het sleuteltje zit er gelukkig in. Ik draai het om. Mijn handen vinden de registers. En ik speel “Zo vriendelijk en veilig als het licht”. Mijn lied, dat ik er als elfjarig jongetje al speelde. Vera luistert met open mond. Eerst staat ze aan de reling naar beneden te turen, en dan kruipt ze stil naast me op de orgelbank. Ik speel voor haar twee liedjes die ze kent. “Ubi caritas” uit de kerk, en “Er zit een duifje op het dak” van school.

Het is zo’n impulsieve actie geweest dat ik zelfs mijn mobiel in de auto heb laten liggen. Geen foto’s dus van Vera en mij achter het orgel. Maar dat is niet erg. Misschien zelfs wel beter. Zo’n “heilig” moment valt niet vast te leggen. Buiten poseren we dan nog maar even bij de toren. Als we in de auto zitten zegt Vera: “Zullen we nu ergens een ijsje gaan eten?”

20160130_135603

Opblijfglas

20160123_105527

Jaren niet meer gezien. Eerlijk gezegd bijna vergeten. Ineens staat hij er, voor Vera’s neus, gevuld met appelsap. Mijn opblijfglas! Als ze haar sap op heeft, pak ik het voorzichtig vast. Ik herinner me de avonden dat ik mocht opblijven en ik proef de sinas die ik dronk. Ik voel de ribbels aan de buitenkant, ik weet weer hoe ik gebiologeerd langs het gouden randje keek. En hoe de woonkamer er uitzag, als ik door het glas tuurde. Vera heeft nu de leeftijd om het leuk te vinden als oma erover vertelt: “Dit glas was vroeger voor pappa, als hij mocht opblijven, of bij een feestje!, zoals nu!” We zijn bij opa en oma om met hen mijn verjaardag te vieren. Tompoezen mee voor bij de koffie, en patatjes toe.

Oma was altijd al melancholisch ingesteld, maar met het voortschrijden van de tijd gaat ze het steeds meer over vroeger hebben. Uitgebreide, zorgvuldig opgebouwde verhalen, al dan niet aan de hand van foto’s. En als mijn kindertjes erbij zijn, gaat het steevast over de tijd dat ík een jochie was. “Zie je dat dit pappa is?” En “Pappa praatte ook zo vlug al, en met anderhalf kon hij de “R” zeggen.” Ook opa, die toch over het algemeen niet zo’n verhalenverteller is, weet zich uit die tijd nog levendig de details te herinneren. Van mijn tranen over gesmolten sneeuwballen, en hoe ik leerde lopen op de camping van de buren. Hoe ik in een restaurantje beleefd met oude mensen praatte.

“Heb je het al over het wonder van de verdubbeling verteld?” vraagt oma aan opa als we hebben geproost. Eerst kijkt hij verbaasd, maar dan begrijpt hij de boodschap. “Ja, jij bent nu net zo oud als ik was toen jij werd geboren! Jij bent 43 geworden, ik ben 86!” Ik heb het me al eerder gerealiseerd. Ik ben op de helft van zijn leven. Wat zijn hun herinneringen aan de gebeurtenissen van toen nog levend. En wat wordt het voor mijn ogen van nu toch duidelijk hoe intens ze mijn komst hebben verlangd; en óók hoe het hen heeft verward. Hun bezorgdheid om dat gekoesterde kleine leven.

Ik zie hoe intens ze genieten van onze kindertjes, en tegelijkertijd is het soms pijnlijk om te zien hoe heftig ze schrikken als Vera springt, of als Jonathan valt of zich stoot. “Och kind, kijk toch uit!” Ik vermoed dat ik destijds zelf met soortgelijke overbezorgdheid ben omringd. Als mij maar niks overkwam. Alsof ik in een glazen stolpje moest worden rondgedragen. Ik zie het ook met enige schaamte terug in mijn eigen gedrag tegenover Vera en Jonathan. Ik moet echt mijn best doen om niet op elk potentieel gevaar af te stormen.

Het is heerlijk en gezellig. En het is óók heerlijk om samen met Vera eventjes aan het knusse samenzijn te ontsnappen. Wat is het fijn dat opa en oma even niet zien hoe wild Vera de trappen naar de tiende verdieping op stormt om van het wijdse uitzicht te genieten. En hoe ze zich van geen beleefdheidsregels bewust is als we oudjes achter rollators passeren. Met een iets te enthousiaste kreet huppelt ze door de gang van de tiende. Een deur gaat open en een gebloemjurkt bloemkoolkapsel kijkt zuur naar buiten. “Hoi!” roept Vera met een onbeschaamde blik. Met een klap wordt de deur dichtgeslagen. Ze heeft het gelukkig niet door. “Kijk eens pappa, daar buiten is een speeltuin!”

Kapot

20160108_084612

“Is van pappa!” roept Jonathan triomfantelijk. Hij komt er enthousiast mee aangelopen. Zoals hij elke dag kopjes, bordjes, bestek gevraagd en ongevraagd naar het aanrecht brengt. Hij heeft het waxinelichthoudertje op mijn meditatietafeltje gevonden. Ik heb het lichtje vanmorgen vroeg wel uitgeblazen, maar daarna ben ik vergeten het op veilige afstand van de grijpgrage handjes op te bergen. En nu wordt het me met stralende ogen aangereikt.

Ik ben druk bezig om mijn klonterige couscous van de ondergang te redden; ik roer alsof mijn leven ervan afhangt. De korrels vliegen in het rond en ik wil niet dat het kleine mannetje geraakt wordt of dat hij te dichtbij het vuur komt. Dus helaas, ik pak het liefdevol gebrachte kleinood niet even vlug aan, maar ik zeg tegen Jonathan: “Geef maar aan mamma!”. Teleurgesteld druipt hij af. Achter me hoor ik hoe mamma probeert hem te bewegen het lichtje op zijn plek te zetten. En ook hoe Vera zich ermee bemoeit. “Kijk eens Jonathan, hier hoort hij!” “Nee!” roept hij, in peuterwoede ontstoken. Schermutselingen hoor ik, en dan ineens het geluid van brekend glas, gevolgd door hartstochtelijk gehuil.

Kapot is het. Jonathan schrikt van het effect van zijn eigen boosheid. Dat iets kan breken als je ermee gooit. En Vera, wat is juist zij verdrietig. Met lange uithalen giert ze het uit, bij Judith op schoot. Het was zo’n mooi lichtje. En het was van pappa, die er ‘s avonds, zolang als ze zich kan herinneren “kerkje mee speelt”, zoals zij het noemt.

Zo fijn dat het even mag, dat grote verdriet. Dat we niet zeggen “Je hoeft toch niet te huilen om zo’n stom ding”, en zelfs niet “Het stelde toch niks voor, we kopen wel een nieuwe”. Want voor haar was het zo mooi, zo dierbaar. Ze leert huilen om en verdragen dat ook het mooie en gekoesterde kapot kan gaan. Niet door het weg te stoppen maar door het aan te gaan. Een talent dat ze haar leven lang nodig zal hebben.

En ik? Hoe zit het met mijn vaardigheid om te huilen om dat wat breekt. Dat wat mooi was en gekoesterd? Of denk ook ik doorgaans dat ik het beste gewoon weer door kan gaan, niet te lang stilstaan bij dat wat in de prullenbak verdwijnt. De verloren vriendschappen, de dof geworden glans van een passie, verbondenheid van voorheen, wat vertrouwd was maar vervaagt in de mist van ouderdom. Ik wil er graag nog wat beter mee leren omgaan. Misschien wel vooral door het bij mijn kinderen te zien: boos en verdrietig mogen zijn, om dan ook ineens weer ruimte en licht te ervaren. De bevrijding van het durven delen van pijn.

En het waxinelichthoudertje? Objectief gezien was het niks bijzonders. Maar het heeft me wel vergezeld, minstens een jaar of twaalf. Het kende de teksten, de gedichten die ik erbij heb gelezen en geschreven. De talloze lichtjes die erin hebben gebrand voor zorgen of dromen die ik had. En als teken van verwachting en overgave tijdens de de bevalling van onze kinderen. Maar ook voor lieve doden die ik wilde gedenken. Of gewoon als een dagelijkse markering van momenten van stilte. Ik zal er vast weer één vinden. Eén die het zelfde licht anders breekt.