Categorie archief: Geen categorie

De Man En Zijn Mes

15055886953391143532818

Ik ben er vijfendertig jaar lang net zo zuinig op geweest als in die eerste dagen. Niet alleen omdat ik het uit handen van mijn opa kreeg, maar vooral omdat de oude man er speciaal voor mij druk mee in de weer was. Het moest scherp zijn. Hij schuifelde naar het schuurtje, wette het zorgvuldig met zijn slechte ogen en sleep voor de veiligheid de scherpe punt een beetje stomp. Waarschijnlijk om de terechte bedenkingen van mijn moeder voor te zijn. Zij en mijn oma durfden er niet nu helemaal niet meer tussen te komen. Dit magische moment waarop opa het mij overhandigde, omdat “een grote jongen toch niet zonder zakmes kan”. Ik was een jongen geworden, een man bijna. Ik kreeg er nog net geen borrel en een sigaar bij. Ik was tien.

IMG_20170916_204747

Waar hij het zelf vandaan had weet ik niet. Mij is later verteld dat het een kabelmes is, bedoeld om elektriciteitskabels mee te strippen. Het hoort in elk geval tot de uitrusting van een ambachtsman. Ik zou geen ambachtsman in die zin van het woord worden en ik denk ook niet dat mijn opa dat voor ogen had. Het was meer een klassiek inwijdingsritueel. Vanaf dat moment was ik in de ogen van mijn opa namelijk niet meer het bezit van “de vrouwen”. Ik hoorde bij de mannenwereld en beleefde grote-jongens-avonturen, of ik beeldde het me in; dat maakt op die leeftijd niet zoveel uit.

Het mes van opa was er bij als ik op pad ging door rietland, bosschages of weilanden. Ik sneed er een pijl-en-boog van wilgenhout mee. “Altijd van je af snijden” was de begeleidende boodschap. Totdat muziek, boeken en spiritualiteit mijn dagen gingen kleuren, en het mes in de doos met “waardevolle herinneringen” belandde. Ik haalde het zo nu en dan tevoorschijn, snuffelde er aan omdat ik meende dat het nog naar opa’s sigaren rook.

IMG_20170916_204725

Deze zomer heb ik besloten dat ik het mes weer ga gebruiken. Het gaat mee in mijn wandelrugzak. Veel spannender dingen heb ik er nog niet mee beleefd dan het schillen van een appel en het afsnijden van een rafelig stuk veter. Maar toch. Ik ga het niet meer bewaren “voor later”, want “later is allang begonnen”, zoals in dat liedje van Klein Orkest. De man draagt zijn mes. Het afgelopen jaar zijn belangrijke mannen uit mijn leven weggevallen. Mijn onvergetelijke vrienden ome Cors, dichter Jean en priester Henk. Zij waren als vaders voor me. Misschien is het daarom dat ik juist dit jaar de kwetsbaarheid van volwassenheid meer dan ooit voel.

In het boek “Eindelijk Thuis” van Henri Nouwen, dat ik aan het herlezen ben, staat het prachtige Bijbelse schilderij van Rembrandt “De Terugkeer Van de Verloren Zoon” centraal, waarin een man berooid en kwetsbaar terugkeert tot zijn vader. Zijn kleren zijn versleten, zijn schoenzolen vergaan. Alleen het mes dat hij nog aan zijn riem draagt symboliseert zijn waardigheid. Hij hoort nog bij de familie. Hij is niet opgegeven. Hij mag zijn plek innemen.

verloren zoon

Jouw Blik

IMG_20170415_072534

Het door dauw betraande blikje. Verwijst het naar jou? Heb jij het gisteravond of vanmorgen vroeg, wie weet, haastig geleegd en achteloos in de goot gegooid? Net als jij zelf, achteloos in de goot gegooid.

Ik zie je regelmatig. De eerste keer werd ik zelfs een beetje vrolijk van jou. Hoe je in de verte kwam aangehuppeld, je dochtertje aan de hand. Tot je dichterbij kwam en ik de viezigheid op je veel te koude jurk zag. En de wallen onder je ogen. De vlekkerigheid van je huid. En wat ik aan had gezien voor huppelen, bleek koortsige haast te zijn. Je sleurde je dochter mee, op weg naar de supermarkt. Voor het goedkoopste bier.

Bij de kassa zag ik je even later weer. Je dochtertje kreeg snoep. Ze keek je aan met een liefdevolle én bezorgde blik. Ik zag tot mijn schrik dat je zelf nog een kind bent. Een gewond kind, een verwaarloosd kind. Met een gescheurde plastic zak vol blikken wankelde je weg, aan de hand van je dochter, die de weg wist naar huis.

Wie wacht jou thuis? In welke omgeving heeft de drank de regie over je leven overgenomen? Is er een moeder die van je houdt? Een vader, een zus of broer? Welke pijn moet je met bier verdoven? Wat is jou door wie aangedaan?

Laatst zag ik je met een man. Een jongen nog. Je man, je vriend? Met een groezelig autootje, weer bij de supermarkt. Een winkelwagen vol bier en snoep laadde hij met je in. Hij leek me lief en zachtaardig. Hij zag er opgeblazen en moe uit. Net zo bleek en onverzorgd als jij. Misschien beleef je met hem nog zoiets als omfloerste hartstocht. Of is elk vuur gedoofd?

En terwijl ik aan je denk, komt er een liedje in mijn hoofd. Van Herman van Veen. En als ik er thuis nog eens goed naar luister, ontdek ik in dit lied hoe jouw verhaal ook nog eens alles met Pasen te maken heeft:

Wie heeft de zon uit jouw gezicht gehaald
Wie heeft het licht in jou gedoofd
Wie heeft je rooie wangen bleek gemaakt
Wie joeg dromen uit je hoofd
Wie brak jouw kleine hart
Kleurde je ogen zwart
Wie is niet nagekomen wat hij heeft beloofd

Wie heeft het lachen in jouw keel gesmoord
Heeft je vuisten zo gebald
Wie heeft dat onbevangen kind vermoord
Dat altijd opstaat als het valt
Wie boog jouw rechte rug
Trapte je speelgoed stuk
Wie brak jouw vleugels in de vreugde van een vlucht

Wie is er zo aan jou voorbij gegaan
Wie verraadt hier jouw geloof
Wie hield zich voor het kraaien van de haan
Na de derde keer nog doof
Wie is het die vergat
Dat jij de toekomst had
Wie heeft jou net als ik
Te weinig lief gehad

Wie heeft jou net als ik
Te weinig lief gehad

Verlaten Decor

IMG_20170414_101052

Leeuwarden, Goede Vrijdag. Op de ochtend na “The Passion” worden de decors afgebroken. Zo te zien niet met zachte hand. Scheurenderwijs worden de witten doeken die het schouwspel omlijstten verwijderd. Een staketsel van steigerpijpen blijft over. De Achmeatoren staat op de achtergrond al klaar om het plein zijn oude uitzicht terug te geven. Alle koffiebekertjes en flyers zullen zijn verdwenen, en niets herinnert ons aan het verhaal dat hier is verbeeld.

Uitzicht op het Schedelveld: de haat en het kwaad hebben hun werk gedaan. Aan het verlaten kruis nog bloed, hier en daar een flard gescheurde kleren. Een geur van dood en verschrikking. Een enkeling die er nog ronddwaalt, in shock, verbijsterd over wat zich hier heeft afgespeeld. Zijn idool is vermoord, haar vriend is haar afgenomen. Eerst vernederd, geslagen en bespuugd. Belachelijk gemaakt en vervolgens aan een langzame pijnlijke marteldood overgegeven. Niks heldhaftigheid. Geen gelikte show. Zijn doodsschreeuw hangt nog in de lucht.

Vanavond kijk ik “Des Hommes Et Des Dieux”, die betoverend mooie film, het ware verhaal, over een groep mannen die samen zingen, wonen, eten, werken en bidden in de Algerijnse bergen. Franse katholieke monniken. Vrienden, tochtgenoten. Die leven van wat de aarde hen geeft, die het land bewerken, honing verzamelen, geiten hoeden. Die de arme islamitische dorpelingen, hun naasten, op liefdevolle wijze steunen. Zoals Luc, de bejaarde broeder en arts, al tientallen jaren de zieke kinderen van het dorp geneest en hun moeders van nieuwe schoenen voorziet als de oude niet meer op te lappen zijn. En die jong en oud helpt door naar hun levensvragen te luisteren.

Deze groep mannen besluit níet weg te gaan als hun dorp en hun huis en hun manier van leven in gevaar zijn. Gevaar omdat extremisten zich ongemakkelijk voelen bij hun vredelievendheid. Omdat hoop en liefde ongemakkelijk zijn voor wie door haat is gevormd. Een net van dreiging en aanslagen sluit zich langzaam om hen heen. Maar ze gaan niet weg als het gevaar nadert. Als een gevechtshelikopter de stilte van hun gebed dreunend verstoort gaan ze arm in arm zingen over een God die menselijk is geworden, zichzelf heeft geïdentificeerd met zachte kracht. Vertwijfeld zijn ze, en bang. Maar ze kijken niet weg. Ze blijven staan. En zingen.

De slotscènes van de film: broeder Luc trekt tijdens de laatste maaltijd samen voor één keer twee flessen wijn open. Vandaag gul in plaats van sober. Om het leven en de verbondenheid te vieren in het zicht van de dood. Er zijn geen woorden meer. Het Zwanenmeer klinkt uit de oude cassettespeler. In die nacht worden ze ontvoerd en gegijzeld. En tenslotte, lopend, als in een kruisweg, weggevoerd in de mist. Om, wie weet hoe pijnlijk, te sterven.

Goede Vrijdag. Misschien betekent het: dat er gesproken wordt over, dat er een vermoeden is van een kracht, een God , een levensbron die niet ver weg of wereldvreemd is. Die dáár is waar leven is. Dus ook, of juist daar waar lijden is. En die dat lijden niet weg kan nemen. Maar die wel de pijn kan delen. Nabij zijn, niet wegkijken. Of andersom gezegd: misschien ontstaat er, middenin lijden en pijn zoiets als goddelijke liefde. Als wij niet wegkijken, niet vluchten in makkelijke oordelen over anderen of over onszelf. Zachte kracht tegenover geweld en cynisme. Aan het kruis nog te kunnen stamelen: “Vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!”

IMG_20170414_220123

Dichtbij De Grondtoon

IMG_20170409_103941

En zo ben ik dan opeens minstens dertig jaar terug in de tijd.
Ik loop ruim voor tijd mijn oude kerk in
Vol ballonnen
Een zonnige Palmzondag in Leimuiden
Waar het kinderkoor haar veertigste verjaardag viert
Het koor waar ik als vijfjarige al bij mocht zingen in de kerstnacht
En waarmee ik vanaf mijn achtste elke dinsdagmiddag oefende
Waar lange tijd
Te midden van tientallen meisjes
Mijn heldere jongensstem zo vrijuit klonk

Zo’n kleine honderd kinderen in onze gloriedagen
Terwijl Els ons dirigeerde
Zij, die mij op mijn tiende achter het orgeltje plaatste
Omdat zij het in mij zag en hoorde
De oude pastoor glimlachte
En jarenlang speelde ik,
Met mijn vrienden, de drummers
Mijn eerste eigen lied
In de kerk, in zoveel opzichten bron
Waarvan ik later leerde leven

Nu ben ik er weer, vijfentwintig jaar gestopt al
Andere muzikanten, andere dirigente, andere kinderen, andere pastoor
Maar toch heel even
een liedje samen met Els
Zij dirigeert,
Ik speel piano
Mijn vingers vinden de weg
En spelen me jaren terug
Een nieuwe generatie
Zingt mee

Ik voel me op handen gedragen
Zo dicht bij de grondtoon
Waar het eens begon
Later komt er een lied voorbij
Waarvan ik dertig jaar geleden de melodie bedacht
Ik was het vergeten, nu zing ik het weer
Zoals zoveel liedjes, lichte gedichten
De bedding van de stroom van mijn eigen rivier

Die kerk van toen, vandaag weer mijn huis
De mensen vooral
En de lichte glimlach
En vertrouwde tongval
Van toen en van nu
Geen zware drukkende theologie
Geen wetten en regels
Zijn me uit die tijd bijgebleven
Nee, flarden van liedjes
Vol hoop, energie
“Wees niet bang, kom tevoorschijn
Laat je horen laat je zien!”
“Want je hebt een droom,
Die altijd sterker is, dan alle duisternis!”

IMG_20170409_202618

In Het Diepe

IMG_20170325_161347

Zaterdagmiddag was het dan zover. Ze mocht afzwemmen. Samen met twee andere waterratjes, beide een kop kleiner dan zij. En dat is niet voor niks. Want Vera heeft er lang over gedaan om zover te komen. Vijf was ze toen ze begon met les, en nu is ze ruim zeven. Aan de inzet en het plezier lag het niet, maar het waren haar oortjes die haar steeds zo dwars zaten. Elke keer als de zwemles een beetje leek op te schieten, kreeg ze door het chloorwater of door een verkoudheid weer oorontsteking en mocht ze van de KNO-arts het water niet in.

Daarom was het een bijzonder moment gisteren. En er lag onbedoeld nog wat extra spanning op ook. Want al is Vera tegenwoordig voorzien van twee op maat gemaakte oordopjes (een rode voor rechts en een groene voor links), die weer met watervaste pleister op hun plek worden gehouden, en al gaat het goed met haar oren tegenwoordig, toch is er zo nu en dan een vleugje pijn (of angst voor pijn), vooral als ze diep onder water door het gat moet zwemmen. En dat is nu eenmaal een vast onderdeel van de opleiding.

We waren dus trots op haar toen ze met woest beengespartel onder water verdween en aan de andere kant van het gat weer met een brede glimlach bovenkwam. Alle andere onderdelen gingen probleemloos. Want ze geniet van het water en van het bewegen. En mede omdat ze vanwege de overdadige gehoorbescherming niet veel meekrijgt van omgevingsgeluid (inclusief de met stentorstem geroepen aanwijzingen van de badmeester), lijkt ze in het warme water in een gelukzalige droomwereld te verkeren.

Het is zo’n 37 jaar geleden dat ik zelf leerde zwemmen. De Kleine Oase in Leimuiden. Het buitenbad. Daar kreeg ik mijn eerste lessen in het ondiepe. Van die lieve mevrouw Van Dijk, die mij, bibberend roodharig ventje waarschijnlijk wel aandoenlijk vond. Ik deed mijn best, vond het ook fijn in het water, maar elke keer als ze me vertelde dat ik nu bijna wel aan het diepe bad toe was, kreeg ik spontaan een terugslag. Tot het niet meer te voorkomen was. Ook ik mocht naar het diepe. En dat was geen kattenpis.

Want daar, in en om Het Diepe Bad regeerde haar man, Meneer Van Dijk. Een gigant van minstens twee meter, met een enorme stem. En vooral met een grote stok met een indrukwekkende ijzeren haak eraan. Als ik bang was om erin te springen sloeg hij – kennelijk ter geruststelling – die haak om mijn buik en bulderde “Springen!”.

14905537899411177554108

Ook ik moest dus een angst overwinnen, zodat ik bij het ontvangen van het diploma uit de handen van deze reusachtige man, minstens net zo gelukzalig keek als Vera.

Is het toeval dat ik vandaag in de veertigdaagse online-retraite die ik volg ook een tekst voorgeschoteld krijg over door het diepe water gaan? Jezus wordt gedoopt in de Jordaan en hoort daarna pas wie hij is en waartoe hij wordt geroepen. Betekent voor mij zoiets als dit: Dat je eerst door water heen moet om echt geboren te worden. In het echt, want we komen allemaal uit vruchtwater. En ook symbolisch. Pas als je bent ondergedompeld in water van angst en dood en twijfel kom je herboren weer boven en hoor je dat je geroepen wordt bij je naam. Klauter je op het droge om bevrijd op weg te gaan.

Hoe het ook zij: Vera is trots en heeft vandaag de hele dag met haar medaille om de nek gelopen. Ze was er zelfs een beetje van in de war. Toen pake en opa belden om haar te feliciteren, durfde ze hen bijna niet te woord te staan. Misschien een beetje verlegen met het feit dat ze voor het eerst werd gelukgewenst met iets dat ze op eigen kracht had gepresteerd. Door de angst van het diepe gat heen gezwommen, en weer een kop groter boven gekomen.

IMG-20170326-WA0000

Stoom

20170211_105850

“Er is een hoofddouche, zijdouches en voetmassage, waterval en een pulserende douchefunctie” staat te lezen in de verfrommelde en gescheurde handleiding.

Ik heb hem ook al op de site van het huisje gezien, maar nu, koud op Ameland gearriveerd kan ik het desbetreffende apparaat met eigen ogen bewonderen. De Computergestuurde Stoomgenerator. Naast de ultramoderne keuken en het diepe bad dé trots van de eigenaars.

Waar is de tijd gebleven dat we ons tijdens het jaarlijkse waddenweekend nog moesten (of wilden) behelpen met tochtige, vochtige slaapkamertjes, klapperende deuren, gebarsten gootsteentegeltjes, gebutste pannen en een piepkleine badkamer met geknakte douchekop en beschimmeld douchegordijn.

Na een verfrissende wandeling door een ouderwets winters kaal duinlandschap besluit ik me er toch aan te wagen. Een stoombad om de verstopte luchtwegen weer open te maken. Weldadige warmte voor verstijfde ledematen.

Het blijkt nog niet zo eenvoudig. De handleiding is niet voor niks verfomfaaid. Andere eilandgasten hebben er ook mee geworsteld. De volledig waterbestendige afstandsbediening doet het bijvoorbeeld niet. Dus om de diverse elementen met heet water door te sproeien – aangeraden teneinde de kans op een legionellabesmetting tot een minimum te beperken – moet ik de knoppen handmatig bedienen. Hetgeen betekent dat ik de kraan van de hete massagesproeiers alleen aan en uit kan zetten als ik de schuifdeuren vliegensvlug open en sluit, waarbij ik, met mijn kleren nog aan, word aangevallen door een woeste straal.

Desalniettemin, een half uurtje later is alles er klaar voor. Ik ga in de cabine zitten. Stoom en stromend water voeren me een droomwereld binnen. Op het bedieningspaneeltje ontdek ik met half geloken ogen nog meer ongekende mogelijkheden. De kleurenmassage bijvoorbeeld. Afwisselend word ik omgeven door blauw, groen of rood licht, waardoor ik me even in een aflevering van Baantjer waan. “Moord in het bordeel” of zoiets.

Dan, overmoedig geworden, of bedwelmd door de warmte, doe ik iets wat ik beter niet kan doen. Naast het knopje van de telefoonfunctie (blijkbaar kun je vanuit deze positie ook bellen) zit de bediening van de ingebouwde waterbestendige radio. Ik, stommeling, druk er op. En van het ene op het andere moment blaast hij me met orkaansterkte uit mijn betovering: André Hazes. “Met bloed, zweet en tranen, zei ik rot hier nu maar op”. Dit komt niet meer goed.

Mare Nostrum – Onze Zee

20161228_112410

Schijnbaar boven tijd en plaats verheven. De wenteltrap op, de zware schuifdeur door, en dan, vanaf het kleine balkon het uitzicht. Waddenzee links, IJsselmeer rechts, Holland achter me, voor me Friesland. En deze dijk daar tussenin. Wie uit verre buitenlanden Nederland bezoekt, beschouwt deze plaats als een wereldwonder. De zee bedwongen, het land verbonden.

Voor mij is het anders. Vooral een rustpunt waar ik regelmatig even stilsta. Als ik de reis tussen de Randstad en Friesland weer eens maak. Alsof ik tussen deze twee werelden half droom. Ik ben niet hier, ik ben niet daar. Niet bij mijn oude ouders en bij de vrienden van mijn geboortegrond met alle veelkleurige herinneringen en ballast. Ook niet bij mijn gezin en mijn werk, met alle dynamiek, verbondenheid en verantwoordelijkheden.

Alléén maar híer zijn, deze windstille tijd tussen Oud en Nieuw. Geen 2016 meer. 2017 nog oningevuld. Hoe ingevuld ben ik, zijn wij? Is er links en rechts voldoende wilde zee en open water? Is er een rechte weg voor ons? Een “bestemming” of een pelgrimage naar ergens achter de horizon? Verknocht aan wie ons liefheeft, verstrengeld met wat achter ons ligt? Hoe vrij zijn we om te gaan en te staan? Te bewegen, te dromen, te groeien? Om soms alléén te zijn en dan weer in veilige omarming.

Een eeuwigheid geleden: kind op een grote steen aan de oever van de Westeinderplas. Het kabbelen van het water onder mijn voeten. Niemand weet dat ik hier ben, verscholen tussen het riet. Achter me de polder, de koeien, schapen, vertrouwde moedergrond. Vóór me zeeën onbestemd verlangen.

In dezelfde sfeer luister ik naar “Mare Nostrum” (Latijn voor “Onze Zee”) van Jan Lundgren, Paolo Fresu en Richard Galliano. Melodieën en harmonieën voeden melancholische zeestromen van dromen, verdriet, heimwee, hoop en hartstocht. Stroom je mee?

Geen Hand Voor Ogen

20161226_200223

Hoogwater bij Zwarte Haan. En donker, aardedonker. Hoor het water, maar zie het niet. Vermoed links naast mij het hek dat het geasfalteerde stuk van de dijk scheidt van het gras, waar normaal de schapen lopen. Hoor opspattende golven, proef af en toe zoute druppeltjes. En pas na een paar honderd tastende stappen langs het schuine oppervlak, met de snoeiharde wind in mijn gezicht, beginnen mijn ogen iets meer te onderscheiden. Schuim op water, dichterbij dan ik dacht. En ergens in de verte, geruststellend, het licht van vuurtorens. Ameland en Terschelling. Boven dit alles talloze sterren.

Gisteren was ze teleurgesteld. Eerst nog zo trots op haar “glow-in-the dark-stars”, zelf op het plafond boven haar hoogslaper geplakt. En besloten dat ze deze nacht zonder nachtlampje zou kunnen. “Pappa, ik ben niet meer bang in het donker, want dan kan ik naar mijn sterren kijken!” En toch, een uurtje later, een beteuterd “Ik ben tóch bang”. Zo bang, dat behalve het nachtlampje aan, ook de deur naar de overloop open moest. Hoeveel donker kun je verdragen?

Betrap me erop dat ik dit vaker doe: juist met overal kerstverlichting en gezelligheid, zoek ik het donkerste donker op. Een soort oerbehoefte. Ik word er ook niet bang van, als mijn dochter. Voel me – ik vind het zelf ook wel een beetje gek klinken – juist geborgen in het duister. Ondanks of misschien dankzij onnoemelijke kleinheid onder die enorme hemel, op de grens tussen vlak leeg land en ontembaar eindeloos water.

Aan de binnenkant van de dijk was nauwelijks plek om te parkeren. Door de stalraampjes van het in dit gehuchtje gevestigde restaurant zag ik de oorzaak daarvan aan lange en kortere tafels zitten. Het Tweede Kerstdag-diner. Zouden ze, tussen de kwarteleitjes en de eendenborst af en toe het geloei van de wind gewaarworden? Het donker, het water. De eeuwige dreiging ervan. En de oneindigheid van de sterren boven zee en land?

Als ik weer in de auto stap, na een uur in deze nachtelijke stormwind, zet ik een CD op. Niets mooier om deze wandeling mee te onderstrepen dan Oblivion van Astor Piazolla.

Beste Meneer Snor

SUV (2)

Beste Meneer Snor,

U zult wel geschrokken zijn dat ik vanmiddag ineens met mijn fiets bij Uw auto verscheen. U stapte uit Uw beige SUV, Uw trots, waar U jaren voor hebt gespaard. Of misschien heeft U hem nog niet eens afbetaald en is hij van de bank, of van Uw schoonouders. Nee, het was niet het exemplaar dat hierboven staat. Dat is een echte. Die van U was van een B-merk. Maar dat maakt mij niet uit. Ik vind ze allemaal even weerzinwekkend. Hoe dan ook; ik stond plotseling naast U. Mijn ogen zullen vuur gespuwd hebben. En uit mijn mond kwamen allesbehalve vriendelijke klanken.

Nu was ik ook wel een beetje geschrokken dat U met een snelheid van minstens zeventig kilometer per uur door de woonwijk vlakbij school stoof. Met gierende banden de bocht om, terwijl er kinderen aan het spelen waren en er een oude man langsfietste. Maar ach, ik moet U toch Uw pleziertje gunnen. U hebt vast hard gewerkt, en U hebt het druk gehad. U bent op weg naar huis, U verlangt er misschien naar Uw vrouw weer te zien. Of U ziet er juist tegenop; dat kan natuurlijk ook. Ik zag U parkeren aan het eind van de straat. Jemig, wat fietste ik hard. Keek ik zelf eigenlijk wel uit toen ik naar U toe spurtte?

In ieder geval ben ik geschrokken. Van U, maar minstens zo van mezelf. Dat mijn brein blijkbaar in staat is om op zo’n moment zoveel taal voort te brengen. En zo hard ook. “Vind je dat normaal, terwijl hier kinderen spelen, om als een bezetene door de straat te scheuren in dat lelijke ding van je!” U keek me alleen maar vuilaardig aan en zei “Hoi”, op een, in mijn oren wat venijnige toon. Ach ja, U heeft ook gelijk. Ik had U niet ongevraagd moeten tutoyeren.

Daarna had ik natuurlijk mijn mond moeten houden, maar ik hoorde mezelf zeggen “Wat hoi? Niks hoi! Ik hou je in de gaten, vuilak, je moet niet denken dat de hele wereld van jou is!”. Toen verdween U in een portiek. Met Uw snor. Wat heeft U gezegd tegen Uw vrouw. “Wat me nu toch overkwam. Werd ik uitgescholden door een rooie baardaap!” Of heeft U niks gezegd, omdat Uw vrouw misschien al honderd keer tegen U gezegd heeft dat U rustiger moet rijden, en dat er nog eens ongelukken van komen?

Ik schaam me natuurlijk. En ik heb het thuis wél verteld. “En, denk je dat het iets heeft opgelost?” vraagt mijn vrouw aan me. Nee, natuurlijk niet. Ik heb wél gevoeld dat er ook in mij een flinke stoot agressie zit. Is dat nou de testosteron? En gaat die woede eigenlijk wel over dit voorval? Zijn er misschien andere, diepere dingen die ik eronder houd? En heb ik geen boter op mijn hoofd? Want ik betrapte mezelf er laatst ook op dat ik illegaal via de verkeerde rijrichting een parkeerplaats opreed omdat ik om duizend redenen haast meende te moeten hebben.

Beste meneer snor, ik wens U nog een fijne avond. En dat U morgen weer veilig op weg gaat met Uw gouden kalf. Kan het voortaan wat zachter? Dan zal ik dat ook proberen.

Schaapachtig

schaap en vogel

Easterskar, bij Heerenveen, een donderdag in oktober. Eén van de eerste herfstdagen dit wonderlijke jaar, waarin de late zomer maar niet wilde wijken. Nu is het guur, ook in mijn hoofd. Of het door de port van gisteravond komt, of door de weerbarstigheid van de kinderen vanmorgen weet ik niet. Of welt het op het uit de krochten van mijn ziel? Is het melancholie, boosheid, bezorgdheid of onbestemd verdriet? Guur is het in elk geval als ik de auto parkeer en het wonderlijk moerassige landschap betreed.

Ik loop in stilte, mijn kop bonkt bij iedere stap die ik op de drillende veengrond zet. Langs de berken en het riet, het vettige water in de sloten. Richting de vogelkijkhut waar vandalen het glas uit de raampjes hebben geslagen zodat het er tocht als een oordeel. Ik loop maar gauw door. Geniet ik doorgaans van de lange wandelingen die ik op de schaarse lege ochtenden maak, vandaag is het een zwoegen, geploeter. Er willen mij geen creatieve gedachten, hoopvolle melodieën of gloedvolle betogen te binnen schieten. Ik loop met mezelf en ben mezelf tot last.

Dan, ergens halverwege de route, waar het pad me over een stukje extensief begraasde weidegrond voert, strompelt me een schaap tegemoet. Blaat een keer of twee naargeestig, en loopt dan voor mij uit, alsof het mij wil leiden. Vijftig meter verder blijft het staan. Het begrip “schaapachtig kijken” krijgt nu volle betekenis. Zeker een halve minuut staren we samen naar de vogel die uitgestrekt op de grond ligt. Ik maak een paar foto’s, terwijl er langzamerhand wat consistente gedachten zich een weg banen door mijn brein.

20161013_095310

Was ik een vogelaar, dan zou ik de naam weten. Misschien zelfs kijken of het prachtige gave dier soms geringd of gechipt is. Misschien de doodsoorzaak achterhalen. Ik ben geen vogelaar. Zie alleen maar een onwerkelijk beeld. Een mank schaap en een chagrijnige man turen naar zo’n mooi dier, in volle vlucht neergestort. Neergeschoten? Hartinfarct? Hersenbloeding? Kunnen vogels een hersenbloeding krijgen? Mensen wel. Die zie ik elke dag. Ook in volle vlucht neergestort. Jonge mensen, in de bloei van hun leven, die de dag ervoor ook lange wandelingen maakten, kinderen naar school brachten.

Ik loop door na deze ontmoeting. Laat de vogel liggen. Over een uur hebben zullen de kraaien er wel aan begonnen zijn hem te verorberen. Het manke schaap loopt achter me aan en sluit honderd meter verderop aan bij zijn kudde. Ik voel opluchting als ik de auto bereik. Naar huis. Koffie.

20161013_095329