Auteursarchief: pkoek

Gestold

Zorgvuldig tegen de lantaarnpaal geplaatst. Ketting eromheen. Niemand zal ze weghalen. De twee fietsen, verstrengeld in het groen.

Misschien heb ik juist nu oog voor de bijzondere symboliek van het tafereeltje vanwege de wandeling die ik heb gemaakt. Want ik kom net uit volkstuinencomplex Amstelglorie in Amsterdam. Stiltezee van groen tussen het ruisen van snelwegen, onwerkelijk bloeiend dal tussen torenhoge hotels en kantoren.

Laatst las ik een tuindagboek over deze bijzondere oase midden in de stad, door een van beroemdste bewoners van die groene enclave: Jan Wolkers, die er in de jaren voordat hij naar Texel verhuisde met Karina een ware Hof van Eden creëerde.

En als er iemand is die de hele dynamiek van leven en dood, verval en bloei hartstochtelijk heeft beschreven en verbeeld is het Jan Wolkers. Met rode konen las ik juist in mijn wat stoffige theologiejaren zijn grote, rauwe en nietsverhullende romans. En in zijn achtertuin werd leven en sterven één troostrijk groots verband.

En nu dus, schuin tegenover de ingang van Amstelglorie, sta ik, op een drukkend hete zomermiddag oog in oog met verbondenheid en vergankelijkheid. De twee fietsen, als gestold in hun snelheid. Haagwinde en ander enthousiast groen ontneemt ze hun contouren.

Ik stel me het oudere echtpaar voor, dat ze eens hebben gedragen. Eén is plotseling onwel geworden. Afgevoerd met de ambulance. En na zíjn dood heeft zíj nooit meer aan de fietsen durven denken. De vroegere snelheid van hun bestaan achter zich gelaten. Hun herinneringen overwoekerd. De toekomst samen uitgewist.

U Staat Niet In Het Systeem!

Hoopvol rijd ik deze stralende woensdagmorgen de slagboom tegemoet. Vandaag zal hij voor mij opengaan. Het ziekenhuis van deze middelgrote Friese stad zal mij gastvrij ontvangen, omdat ik er, als medewerker van het revalidatiecentrum, een muziektherapeutisch steentje kan bijdragen. Al jaren, met tussenpozen, mag ik ook daar, samen met de logopedisten, mensen wekelijks behandelen met muziek en zang, om hun spraak weer te helpen verbeteren. Heerlijk, eens een andere route. Geen straf om wat extra kilometers door het lentegroen te rijden.

Dat de nummerbordherkenning aanvankelijk, een week of acht geleden niet werkte, en ik dus een parkeerkaartje – en op de terugweg een uitrijkaartje – moest regelen, zou van tijdelijke aard zijn. Eerst gewoon het nummerbord van mijn auto doorgeven. Geen probleem. Onze eigen receptiemedewerker zou het per mail regelen, en mijn collega logopediste ging er ook nog een keer achteraan. Dat het na drie weken nog niet lukte, was een kwestie van geduld. Iedereen heeft het druk. De mail was waarschijnlijk nog niet geopend, of door de medewerkers in de centrale hal nog niet doorgegeven aan de beveiliging.

“Nee, we hebben storing”, klonk het in week vier. Braaf regelde ik telkenmale uitrijkaartjes of drukte ik op de knop bij de uitgang, om in gesprek te gaan met de beveiliger aan de andere kant van de intercom. Dat daar tijd en moeite in gaat zitten, ach…een kniesoor die daar aanstoot aan neemt. “U moet eerst het oude kenteken laten verwijderen, anders kunnen we het nieuwe niet invoeren!” zeiden ze, enigszins verwijtend. Geen probleem. Geven we dat gewoon ook door. Een keer of vier.

“Ja, maar u kunt er niet van uitgaan dat de slagboom altijd opengaat! Als de lichtinval eens anders is door de felle zon, of u heeft uw auto niet gewassen. Gebruik uw ziekenhuispas dan!” Mijn ziekenhuispas? Die was toch juist overbodig geworden, was mij ooit verteld. Bovendien was dat een nogal oude, met een jeugdige foto, en mijn naam stond er niet goed op. “Misschien kunt u een nieuwe voor me maken?” “Nee, dat gaat niet zomaar, daar moet u hier permanent werken en niet af en toe”, klonk de stem uit de krakerige intercom. “We geven het nog wel een keer door”, zei mijn collega vorige week, “en dan leveren we gelijk het oude pasje in, dan kunnen ze je identiteit verifiëren.” Het betreffende kaartje had ik na enig speurwerk weer opgegraven. Maar een geluk dat ik niet zo weggooierig ben. Dus vanmorgen zou het goed komen, dacht ik. Dat kan niet anders. Het is immers lente.

Maar vandaag – hoe stralend de zon ook schijnt, hoe wit de wolken en hoe blauw de lucht daartussen – blijft wederom de slagboom hermetisch gesloten. Een rood wit geblokte wolk van teleurstelling en frustratie vult mijn hoofd. Moedeloos druk ik op de knop voor een kaartje. En na de – zoals meestal, gelukkig – vrolijk en zinvol verlopen behandeling, besluit ik zelf maar even naar de centrale hal te lopen en een medewerker van de overkoepelende organisatie aan te spreken. Aanvankelijk kijkt ze me vriendelijk en welwillend aan, maar naarmate ik, op rustige, misschien zelfs wat onderdanige toon, probeer mijn verhaal te vertellen, zie ik haar bijna onmerkbaar achteruit rijden op haar bewielde bureaustoel, terwijl haar blik verstart.

“Ik loop wel even naar de beveiliging”, zegt ze uiteindelijk met tegenzin, om vijf minuten later terug te komen met de bitse mededeling: “U staat niet in het systeem!”, mij daarbij boosaardig aankijkend, alsof dit uitsluitend en alleen mij kan worden aangerekend. “U werkt hier niet vaak genoeg om in het systeem te kunnen; daar kunnen we niet aan beginnen. Maar als u op de knop drukt laten we er u wel uit, dan weten we wel wie u bent!”

Met een onmiskenbaar gevoel van afwijzing slenter ik naar de auto. Ik stap in, rijd schoorvoetend in de richting van de slagboom. Druk op de knop. Eerst klinkt er een zoemtoon. Dan een mannenstem: “Goedemorgen, wat is er aan de hand?” “Ik ben medewerker van de revalidatie en ik wil er graag uit, zeg ik moeizaam vriendelijk. “Wie bent U?!?” klinkt het bars.

Je Zit Gauw Een End Weg

“Je zit gauw een end weg!”, zei pa als we samen een eindje aan het toeren waren met de auto. Een kwartiertje onderweg en ik draaide bij Bodegraven de A12 op. In de verte de contouren van Utrecht, en de zendmast van Lopik.

Als je jezelf altijd verplaatst hebt per fiets, voet of praam, is de snelheid van een auto astronomisch. En als Utrecht al een eind weg is, behelst de reis naar Friesland natuurlijk helemaal een onoverbrugbare afstand.

Ik wilde wel eens weten of ik inderdaad zo ver weg woon. Door de afstand tussen Friesland en mijn geboortestreek eens niet per auto of trein af te leggen, maar op de fiets. Op spierkracht. Om mijn eigen fysieke en mentale grenzen te verleggen, en om de psychologische afstand te verkleinen.

Nadat ik de kinderen op school had gebracht, vertrok ik op donderdag 23 mei rond half tien, tegen een behoorlijk straffe wind in, in de richting van Sneek. Een route die ik wel kende, want ik had in de afgelopen maanden al wat meer langere afstanden gefietst, om aan de hardheid van het zadel te wennen. Na koffie in Sneek kwam ik op minder bekend terrein. De Zuidwesthoek, Gaasterland. Met verwondering heb ik de on-Friese glooiingen en bossen weergezien. En ik heb een vriendin uit mijn studietijd opnieuw ontmoet. Liefdevolle gastvrijheid. Onder een heerlijke lentezon.

Tegen de avond vis in de haven van Stavoren, en een verstilde overtocht met het veer naar Enkhuizen. Een fijn bed en vriendelijk gezelschap, gevonden via Vrienden Op De Fiets. Voor weinig geld een overnachting met ontbijt. En nog wat goede tips voor het vervolg van mijn reis op vrijdagmorgen.

Langs de IJsselmeerdijk naar Hoorn en Edam. Langs dorpen die ik alleen van horen zeggen ken. Scharwoude, of Venhuizen, een plek met een voor mij bijna mythische klank, omdat mijn oude leermeester pastoor Thomas daar volgens de overlevering in 1908 is geboren. Volendam, met uitzicht op zeeën Japanners. Monnickendam, Broek In Waterland.

Tot ik ineens in Amsterdam-Noord was. Met het pontje over het IJ, en daar fietste ik, van het Centraal Station over Damrak, Dam en Rokin. Fluitend en zingend. In de wereldstad Amsterdam, waar je volgens mijn vader zomaar, om niks een mes in je rug kon krijgen.

In Uithoorn bezocht ik mijn tante Nellie en ome Gerard, die me een pot zelfgemaakte bramenjam meegaven. “Wel het potje weer terugbrengen hoor, dan zien we je wéér eens!” En dan het meest ontroerende stukje: tegen de avond, langs de Amstel en de Drecht, langs wat eens het domein van mijn zo bijzondere ome Cors en zijn vrouw tante Barry was. Waar ik me gekend voelde en waar ik zo onbedaarlijk geleefd en gelachen heb. Ze zijn beide overleden. Wat rest is het vertrouwde smalle pad, het water, het riet, het wuiven van het gras en de grutto’s daarboven. In de richting van Leimuiden.

In een stil hoekje bij de Chinees in mijn geboortedorp, met door een vettig raam uitzicht op de Stapenseastraat, at ik wat onbestemde kost. Wat volgde was weer een avond van ontmoeting en gastvrijheid. De buren van mijn oude vrienden pastoor Thomas en Riet, bleken ook bij Vrienden Op De Fiets te horen. Als de verloren zoon werd ik binnengehaald, zeker twintig jaar elkaar niet gezien. En in het voormalige huis van pastoor Thomas blijkt inmiddels een oude lagere schoolvriend van mij te wonen. Met zijn gezin. Die met een brandende vuurkorf, koffie en whisky op mij wachtte. Er was op mij gerekend op deze historische plek tegenover kerk en kerkhof, waar ik mijn vaders graf gezocht, zijn steen trof ik beschenen door de laatste avondzon.

Zaterdagmorgen naar mijn oude moeder in Alphen. Die zich niet eens verbaasde over mijn aankomst per fiets. “Je bent vanochtend zeker wel vroeg weggegaan”? Dat ik inmiddels een kleine tweehonderd kilometer had afgelegd, leek haar te ontgaan. Helemaal goed. Ik wilde immers een afstand verkleinen.

Via de veenweidegebieden tussen Alphen en Utrecht verder. De kronkelende Meije. Thee bij mijn nichtje in Woerdense Verlaat. Via Breukelen, de Loosdrechtse Plassen en Hollandsche Rading in de richting van de Utrechtse Heuvelrug, die je plotsklaps ziet opdoemen uit het moeras. In Baarn de ontvangst en de warmte van mijn vrienden die al vaker een letterlijke en figuurlijke pleisterplaats voor me hebben bereid.

Omdat ik nog een halve zondag over had en ik ’s middags in Amersfoort op de trein wilde stappen, maakte ik een rondrit langs mijn oude woonplaatsen in Baarn, Zeist, Doorn en Amersfoort. Melancholie, vertrouwde geuren van bos, brem en gestolde jeugd, tot ik in de laatste kilometer van de 330 nog één bijzondere ongeplande ontmoeting had: Martin, mijn leraar filosofie van tweeëntwintig jaar geleden. Met wie ik in een mum van tijd een diepzinnig gesprek had over ouderschap, religie, loyaliteit en tijd.

In de trein maakte ik de balans op. Wat een fijne ervaring om zo rustig en open en alleen op weg te zijn gegaan. Om de apen en beren die ik voorheen altijd voor me zag nu eens thuis te laten. En: “Je zit gauw een end weg!”

Wonen overal nergens thuis,
Aarde, mijn aarde, mijn moeders huis.
Vallende sterren, de schim van de maan,
Mensen die opstaan en leven gaan,
Mensen, veel geluk.

Wonen overal even thuis
Handel en wandel en huis na huis
Loven en bieden op waarheid en waan,
Wagen en winnen en verder gaan
Mensen, veel geluk.

Wonen overal bijna thuis
Aarde mijn hemel mijn vadershuis
Stijgende sterren, de lach van de maan
Mensen die dromend een stem verstaan
Mensen, veel geluk.

Huub Oosterhuis

Pak

“Jouw zoon gaat toch komend jaar naar het seminarie? Dan heb ik nog een goed pak voor hem. Dat zal hij daar wel kunnen gebruiken, want er zijn daar zoveel officiële gelegenheden. Het is van míjn zoon geweest. Wat zeg je daarvan?” zei ze. En het kwam uiteraard niet in mijn moeder op om eerst aan míj te vragen wat ík daarvan vond. Nee, natuurlijk zei ze dankbaar en onderdanig “Graag!” tegen mevrouw M., die onmiddellijk aanbood het betreffende kostuum voor mij te vermaken. Dat was ook wel nodig, want haar zoon was behalve tien jaar ouder ook een kop kleiner dan ik. Mevrouw M. was echter meer dan vaardig met naald en draad, en spoedig werd het – tot het uiterste uitgelegde en gladgestreken helblauwe pak – keurig ingepakt afgeleverd.

De eerste gelegenheid diende zich zelfs al enkele maanden vóórdat ik naar het seminarie zou vertrekken aan. Het betrof het veertigjarig priesterjubileum van onze eigen dorpspastoor. Op het hoogtepunt van het feest zou ik, temidden van de massaal toegestroomde dorpsgemeenschap, het speciale loflied voor de jubilaris begeleiden, mijn keyboard uitversterkt in de tot feestzaal omgetoverde fabriekshal van Beuk. “Heer pastoor bedankt, voor alles wat u deed, en wat u voor ons blijven zal: een vriend en steun een herder” op de melodie van “Stay with me till the morning” van Vicky Brown.

Daar stond ik, net achttien, in mijn blauwe pak. Alle ogen op me gericht. De jubilaris, de hoogwaardigheidsbekleders, alle zangers en zangeressen die onze parochie rijk was, en niet in de laatste plaats mijn ouders, én mevrouw M. Daar stond háár pak. Met een toekomstig priester erin. Wat een eer. Mijn moeder had gedacht dat een paar beige suède schoenen mij – en daarmee haar – tot extra eer zou strekken. En ik speelde. En over een halve eeuw zou men ook voor mij vast zo’n feestlied zingen.

Ik had toen geen woorden voor het gevoel dat zich van mij meester maakte. Maar in mij was het allesbehalve feestelijk. Niet omdat het pak een beetje ouderwets was. Ook niet omdat de schoenen er niet bij pasten, want van mode had ik geleerd geen verstand te hoeven hebben. Maar om de verwachtingen waarvoor het pak symbool stond. De verantwoordelijkheid om het waar te maken. Dat blijkbaar de hele dorpsgemeenschap (dús de hele wereld) in mij een soort bewonderenswaardigheid zag. Dat zat natuurlijk vooral in mijn eigen hoofd, net zoals het hele idee om priester te willen worden. Maar op één of andere manier was het ook hecht verweven met het eergevoel en het zelfbeeld dat ik van mijn ouders had geërfd. De enige manier om iemand en niet niemand te zijn, was uitzonderlijk zijn. En iedereen gelukkig maken, behalve mezelf.

Had ik maar zoiets gehad als het typetje van Koot en Bie. “Nee moeder, ik wil niet met een blauw pak aan naar het seminarie, ik wil met een bermuda en een gebloemd hemd naar de Bahama’s met een lekkere vriendin”. Maar dat kwam niet in me op. Ik durfde geen nee te zeggen tegen het pak, omdat ik het mijn moeder niet durfde aandoen nee te moeten zeggen tegen mevrouw M. Het was alsof ik de droom die men rond mij koesterde zou verwoesten. Dus trok ik het aan, die zondag in mei, die verder in een roes aan mij is voorbijgegaan.

Toch is er die dag wel iets veranderd. Want ik heb het pak nooit meer gedragen. Ik heb het achterin de kast gehangen, alsof ik toen al voorvoelde dat ik drie jaar later het seminarie zou verlaten. En dat ik géén priester zou worden, maar dat ik mijn oude ik zou verliezen in verwarrende verliefdheden en níets meer zeker weten. Totdat ik het bij één van mijn verhuizingen opgelucht aan een goed doel doneerde, negeerde ik het blauwe pak jarenlang in mijn kast, zoals men na een scheiding de oude trouwjurk negeert, die op zolder kwijnt, in een stofvrije zak, als een stil verwijt.

Over Sodoma, En Daarna

Uit! Anderhalve week en 670 bladzijden verder sinds ik het geruchtmakende boek kocht. Ik heb het razendsnel, en met verbijstering gelezen, al ging het na verloop van enige tijd wel wennen. Hup, weer een verhaal over een oerconservatieve kardinaal die samenwoont met een mooie jonge privé-secretaris. Weer een prelaat die aan de achterzijde van het priesterhuis waar hij woont een escortjongen ontvangt. Weer een gezaghebbende bisschop die na zijn pensionering een paleisachtig appartement met twaalf kamers meent te moeten bewonen. In zijn kast een “cappa magna” (een bespottelijke vuurrode jurk met een meterslange sleep) en overal zelfportretten en spiegels aan de wanden. En alles achter gesloten deuren. En naar de buitenwereld een aura van heilige onwrikbare moraliteit.

Maar het zijn niet de smeuïge anekdotes – soms vals en vilein beschreven, dan weer met humor en een zekere compassie – die het boek zo onthutsend maken. Het is de analyse van de wereld die achter de anekdotes schuilgaat die mij treft. Eigenlijk betoogt de schrijver: kerkelijke bestuurders, kardinalen en pausen die de afgelopen vijftig jaar de leer en het beleid van de kerk hebben bepaald zijn zo bang voor seksualiteit in het algemeen, en voor homoseksualiteit (meestal hun eigen geaardheid) in het bijzonder, dat ze alles wat daarmee te maken heeft, hebben weggestopt in het donkere vooronder van hun bewustzijn en hun leven. En wat ze zelf stiekem, in gespletenheid beleven, verbieden ze hun gelovigen. En daarbij maken ze zichzelf dikwijls chantabel. Omdat ze elkaar de hand boven het hoofd houden, onder het mom van “ik vertel niet wat ik over jou weet, zolang jij niet vertelt wat je over mij weet”, worden soms ook misdadigers beschermd. Mannen die geld, voor goede doelen bestemd, gebruiken om hun dure hobby’s te betalen. Of nog erger: zieke geesten die kinderen misbruiken.

Waarom lees ik dit boek? Waarom ben ik avonden te laat naar bed gegaan om maar weer vijftig of honderd bladzijden verder te komen? Ik ben immers geen priester geworden. Ik woon niet in Rome. De kerk is in Nederland al lang geen factor van betekenis meer. En ikzelf heb praktisch niet zoveel meer met de kerk te maken. Toch raakt het me. Want ooit zat ik zelf op een priesteropleiding. Ooit legde ik mezelf de strenge normen van de kerk over seksualiteit op. Ooit is mij, toen ik verliefd werd op een meisje, door de staf aangeraden de priesteropleiding te verlaten. En dat, terwijl ook daar, op die plek……. Er zijn laatst verhalen in de krant verschenen dat onze plotseling opgestapte toenmalige bisschop met enkele van mijn (overigens volwassen en wilsbekwame) medestudenten seks had. Natuurlijk vind ik nu dat iedereen op seksueel gebied mag doen wat met gelijkwaardige en wederzijdse instemming gebeurt. Maar toen? Wat gebeurde er en waarom? Wie beschermde of chanteerde wie? Welke kwetsbare zielen zijn hiervan misschien het slachtoffer geworden? Kortom: hoe werd geestelijk gezag vermengd met wereldlijke én seksuele macht? En wat maakte dat allemaal kapot?

Ik heb een loyaliteitsconfict, want ik hou van die kerk. Ik heb van mijn twaalfde tot mijn twintigste geloofd dat ik geroepen was om priester te worden. Omdat ik geloofde dat het rake verhaal moest worden doorgegeven. En omdat ik, ook nu nog, geroerd word door de prachtige rituelen, de muziek, het gregoriaans, het zintuiglijke van onze liturgie. Vorig jaar nog: de ziekenzalving en de uitvaart van mijn vader. De troost, de mildheid en liefde voor de kwetsbaarheid die daarin niet te evenaren voelbaar is. Omdat ik geloof dat wat er daadwerkelijk toe doet, niet in woorden te vatten is. Dat we het nodig hebben om in een meerdimensionale wereld te leven. Dat we het nodig hebben dat God mens wordt om ons te verlossen van onze vernietigende drang om zelf god te spelen en alles in de hand te hebben.

Laat dan in Godsnaam de les van “Sodoma” zijn dat we ons bekeren. Dat we loslaten wat overbodig, corrupt, zelfbeschadigend en ongeloofwaardig is geworden. Misschien betekent dat wel zoiets als het loslaten van de kerk om echt kerk te kunnen worden. Zonder verplicht celibaat en angst voor seksualiteit en intimiteit. Bescheiden, open, kwetsbaar en gastvrij.

Waar De Deur Openstaat

“Maak ons vrij van onrecht en verzwijgen, verzacht ons oordeel over elkaar” en “Schep toekomst hier en nu, kom met kracht ons bevrijden”. Zomaar wat lieve zinnen die we oefenen onder leiding van de dirigent als ik net op mijn vaste plaats ben gaan zitten. De vaste plaats van vijfentwintig jaar geleden, bedoel ik dan. Ik ben om acht uur per trein uit Leeuwarden vertrokken om een beetje op tijd in Amsterdam te zijn.

Het was heerlijk om zo vroeg het Friese land te doorkruisen. De half ondergelopen weilanden wit bevroren onder het licht van de opkomende zon. Geleidelijk komen er mensen bij, tot we in de stad zijn gearriveerd die altijd leeft. De geur van wiet en het rode schijnsel van de ramen hangt vertrouwd rond het Spui en de Korsjespoortsteeg. En daar midden in het wilde gewemel staat hij nog altijd fier overeind. Mijn Dominicuskerk. De oecumenische basisgemeente, die ik ontdekte toen ik haar, na mijn moedige maar verwarrende afscheid van de priesteropleiding zo hard nodig had.

Zo’n vijfentwintig jaar geleden ben ik er zo’n vijfentwintig keer geweest. Genoeg om een onuitwisbare indruk in mij na te laten. De open, intelligente, warme, uitdagende taal die er werd gesproken. Dat je ook twijfelend over God mag stamelen. En dat er zulke mooie muziek bestaat. Het prachtige spel op orgel en vleugel van Thom Jansen, het koor van Tom Löwenthal. Om hartstochtelijk mee te zingen, of bij weg te dromen, kijkend naar ochtendlicht tegen het schitterende gewelf. Pioniers van de vrijheid waren er kind aan huis. Pater van Kilsdonk had er een vaste plek. Zelfs Ramses Shaffy kwam er wel eens.

Voorgangers als Sieds Prins, Jan Nieuwenhuis, Erik Borgman schiepen nieuwe taal en een nieuw lied om te zingen over zoekend en tastend gelovig en ongelovig zijn. Zo troostrijk in die jaren, toen ik vaak niet wist waar ik het zoeken moest.

Nu, vijfentwintig jaar later ben ik er weer. De kerk nog steeds vol de muziek prachtig. Thom Jansen speelt weergaloos. Claartje Kruijff houdt een mooie toespraak. En ja, ook de anderen zijn vijfentwintig jaar ouder geworden. Ik schrik van de rimpels, de gekromde rug en de trillende handen van sommige, voorheen vitale medekerkgangers. Ook hier lijken “de beste peren reeds geplukt”.

Maar ik ben blij dat ik er ben. Hier wordt nog steeds een taal gesproken en gezongen die vrijheid schept. En ik schiet vol bij de eerste klanken van het openingslied:

Dit huis is een huis waar de deur open staat,
waar zoekers en zieners, genood of gekomen,
hun harten verwarmen, van toekomst gaan dromen,
waarin wat hen drijft tot herkenning gaat komen,
de vonk van de Geest in hun binnenste slaat.

Dit huis is een huis waar gemeenschap bestaat,
waar zangers en zeggers bijeen zijn gekomen
om uiting te geven aan waar zij van dromen
waardoor een beweging ontstaat die gaat stromen,
die nooit meer, door niemand zich inperken laat.

(M. Poortstra/T. Löwenthal)

Nog Zulke Beste Stoelen

“Nou, ma, het wáren beste stoelen”, zeg ik, in een poging haar lofzang op de betreffende zitmeubelen wat te temperen. En schoorvoetend stemt ze ermee in dat ik ze in de kofferbak van mijn auto leg om ze af te voeren naar het grofvuil. Gelukkig voor haar passen er maar twee in en kan ze de andere zeven aftandse keukenstoelen houden.

Naast de genoemde keukenstoelen staan er ook nog een bank, drie leunstoelen, een loodzware salontafel en twee keukentafels in haar bescheiden seniorenappartementje. Allemaal tweede- of derdehands en stuk voor stuk met gebreken.

Waarom ze die dan toch allemaal wil houden. “Nou ja, als er eens een verjaardag is, natuurlijk!” Wie ze dan allemaal verwacht. Van de potentiële verjaarsvisitie die ze opnoemt, is driekwart al jaren geleden naar de eeuwige jachtvelden afgereisd. De anderen zijn doorgaans te oud en te gebrekkig om nog te komen. Als ik haar dat vertel schrikt ze eerst en vervolgens weet ze het ook wel weer. Er glijdt een opgeluchte glimlach over haar gezicht. Gelukkig hoeft ze niet meer zulke grote potten koffie te zetten als destijds, toen drie keer per jaar een schier eindeloze stoet familieleden onze verjaardagen bezocht. Tot diep in de nacht zag het huis blauw van de rook en menig oom en tante dito van de drank.

Zij zijn er niet meer. De stoelen nog wel. In tegenstelling tot onze generatie die zich steeds vaker van overbodige ballast probeert te bevrijden, hebben mijn ouders vooral geleerd om alles te bewaren. Voor later. Niets kan weg. Dat is toch zonde. “Je ken d’r beter mee as om verlegen zitten!”

Ik heb er wel eens een mening over als ik ontdek dat ze weer eens een deur van de kast heeft gerestaureerd met elastiek en leukoplast. Dat de foto’s die ik voor haar heb laten afdrukken, worden ondergebracht in van plakband aan elkaar hangende goedkope lijstjes die met touwtjes en punaises aan de wand worden bevestigd. De vijf splinternieuwe lijstjes die ik voor haar kocht, blijven tot het einde der tijden in hun verpakking onder in de la liggen.

Maar wie ben ik om er over te oordelen. Het is hoe ze is. Het maakt deel uit van de romantiek van haar bestaan. Hoe ze vertelt over het eerste haveloze huisje dat ze met mijn vader bewoonde. De vochtplek aan de binnenkant van het gewitkalkte eensteense muurtje leek eerst een muis, daarna een hond en tenslotte een olifant. Met een glimlach en houtskool benadrukte ze de contouren. We maken kunst van de armoe, en verhalen van de chaos. Daden van verzet en creativiteit.

Misschien moet ik het voorlopig wel bij het afvoeren van deze twee stoelen laten. Dat we de rest gewoon maar laten staan. Omdat ze juist symbool staan voor wie er allemaal ontbreekt. Zolang er nog een stoel voor je klaar staat ben je niet helemaal dood en begraven. De kamer vult zich met verhalen en de geur van verse koffie. Hier ben je thuis.

Ademzee

Zee zee de waterzee
de aardezee de eindeloze maanverlichte golvenzee achter duinen schuimzee boven kolkend magma zee onder sterren wolken zee gedachten zee van toekomst en verleden zee van alles en van niets en volkomen overhoop zee van vissen schelpen zandstroom zee de ik-neem-je-mee-zee
eb en vloed en ach en wee kopje onder zoute zee oorverdovend stiltezee bulderende brandingzee meeuwenzee lichtzee ruimtezee in het duister ruisend zee tegen de wind in zing een liedje van verlangen zee ademzee zee

Compassiesoep

Heb je ook zoveel nieuwe en bijzondere dingen geproefd tijdens het diner op Eerste Kerstdag? Ik wel. Met veel zorg en passie klaargemaakte gerechten. We hadden de taken verdeeld in de familie en iedereen zorgde voor een uitgelezen gang. We hebben van elkaars kookkunst en gastvrijheid kunnen genieten. Bijpassende wijnen en gesprekken. Fijn.

Maar het meest bijzondere en nieuwe gerecht dat ik proefde, at ik op Tweede Kerstdag en wel op een onverwacht moment en op een onverwachte plaats. Wij zijn namelijk na het diner bij mijn schoonzus en zwager in Oegstgeest blijven logeren. En de volgende dag wilde mijn dochter er wel even uit. Rond het middaguur, op deze wat grauwe kille dag. Mét haar skateboard én met mij. Eindelijk even één-op-één aandacht van papa, na al die volwassen gesprekken van gisteravond.

Ongemerkt waren we al een hele poos op weg. Naderden zelfs Leiden al. Vera kreeg het koud. En ik beloofde haar om straks samen wat warms te eten bij het station. Een tosti of misschien stiekem een patatje. We begonnen ons er hardop op te verheugen, toen ik tot de treurige ontdekking kwam dat mijn portemonnee nog in de logeerkamer lag. Schoorvoetend vertelde ik het Vera, die haar teleurstelling dapper weg slikte.

Toch nog even bij het station gaan kijken dan. Treinen en vooral mensen bestuderen. En ze legde haar ijzige handen in de mijne. Bij het station aangekomen, wroette ik nog eenmaal schijnbaar onverschillig in mijn binnenzak en vond tot mijn verbazing een euro. Nog bedoeld voor de collecte tijdens een kerkbezoek dat ik besloten had maar over te slaan, of zoiets. We kochten twee harde broodjes die voor vijftig cent per stuk in de aanbieding waren. We hadden het dan nog wel koud maar in ieder geval hoefden we niet met een lege maag aan de terugreis te beginnen.

Maar daar, op het stationsplein, vlak voordat we onze tanden in het kale koude broodje zetten, kwamen ons twee engelen tegemoet. Twee meisjes met lange rokken en lange haren. Met een vriendelijke en open glimlach, én met gratis soep. Linzen of pompoen. Veelbelovend sloeg de geurige damp ervan af.

“Compassiesoep!” , zeiden ze. “Voor jullie en voor iedereen die wel wat warmte kan gebruiken!”

En tussen de zwervers, en andere in het leven en in deze verwarde tijd verdwaalde reizigers, genoten we dankbaar van dit heerlijke kerstmaal. En we kregen nog een tweede beker ook.

Opknapsandalen

“Het zijn nog zulke goeie schoenen, kun jij ze niet aan?” vraagt ma. Ze weet natuurlijk mijn antwoord wel. Maar ze kan zich niet voorstellen dat de grijze sandalen die pa zoveel jaar vooral binnenshuis droeg nu voorgoed ongedragen blijven. Dat de zool versleten is, het goedkope leer gebarsten en de gesp verbogen, valt haar niet op, of ze negeert het. De schoenen maakten lange tijd deel uit van pa zijn zogenaamde “opknap”. Die kun je niet zomaar wegdoen.

Toen hij nog werkte had mijn vader drie verschillende soorten kleren. Zijn doordeweekse werkkleren: een oude broek, soms zelfs een spijkerbroek, of een overall. Met daarbij een geruiten overhemd en een oud ribfluwelen jasje, met gestopte ellebogen. En, totdat hij bijna veertig jaar geleden met roken stopte, in zijn borstzak steevast het pakje shag (halfzware Drum met Mascotte).

Dan was er zijn “zondagse pak”, colbertje, licht overhemd, stropdas en schoenen met gaatjes. Voor de kerk en voor feestjes. Met Fresh Up aftershave en een pakje merksigaretten. Arsenal.

Tussen deze uitersten kunnen we het “opknappak” situeren, of afgekort “opknap”. “Agatha, zal ik m’n opknap alvast maar antrekken?” klonk het door de kamer als er “eenvoudig” bezoek kwam, door de week. En sowieso als het vrijdagavond was. Het werk achter de rug, maar nog niet echt weekend. Dan deed hij een “apenwasje” bij de gootsteen, en trok hij broek, overhemd en trui aan die bij deze specifieke situaties hoorden en die mijn moeder had klaargelegd. Meestal “krijgertjes” of doorgeschoven voormalige zondagse kleren. Zo wist ik dat het vrijdagavond was. Als pa zijn opknappak aantrok, ging ik naar de bibliobus.

Toen ze elf jaar geleden naar de serviceflat verhuisden had pa geen echte werkkleren meer nodig, behalve dan voor de wekelijkse schoonmaak van het huisje, op vrijdagmorgen, waarbij hij de stofdoek hanteerde en ma de stofzuiger. En als hij oud papier en afval wegbracht. Echte zondagse kleren droeg hij ook nauwelijks meer. Het enige wat hij in dit laatste decennium heeft gekocht is het pak voor ons huwelijk. Dat was gelijk “alvast voor in de kist”. En zo geschiedde.

Het grootste deel van de tijd droeg hij de laatste jaren dus zijn “opknap”. En zijn opknapsandalen. Daar sta ik nu mee in mijn handen. Ik zie nog hoe hij ze, een week voordat hij ziek werd (of beter gezegd: toen hij toegaf dat hij ziek was) aantrok om mee te lopen naar de hoofdingang om ons uit te zwaaien. En dat ik ervan schrok hoeveel moeite het hem kostte. Het ging eigenlijk al niet meer, maar hij wilde het. Jonathan reed dan immers altijd mee op opa’s rollator.

Bij de container moet ik even slikken. Ik maak snel nog een foto van ze, voor ik ze aan de vergetelheid prijsgeef.