Auteursarchief: pkoek

Dromenderwijs

Ze ligt al een poosje genoeglijk op schoot. Af en toe bewegen haar pootjes driftig in haar slaap. Ze schudt met haar kopje, maakt “kekkerende” geluidjes. Poes droomt.

Waarvan? Van de merels in de tuin, of de pimpelmezen in de appelboom? Van mijn zevenjarige zoon die het elke ochtend als hij uit bed komt als zijn onvervreemdbare verantwoordelijkheid ziet om haar van een scheutje kattenmelk te voorzien.

Of droomt poes wellicht van gebeurtenissen uit haar recente of verre verleden? Met haar veertien jaar heeft ze inmiddels immers een respectabele leeftijd bereikt. En ze heeft in al die jaren best wat meegemaakt. Zoals die keer dat ze een dag en een nacht opgesloten zat in de garage van een buurman. Wat rende ze na haar bevrijding opgelucht naar huis. Of, na de geboorte van onze oudste, toen ze drie avonden achter elkaar goudvissen uit de vijver van de buurman viste en ze al flapperend onder de wieg legde. Cadeautje!

Ik droom ook regelmatig. En sinds ik voor mijn opleiding “Focussen in Therapie” onlangs een weekend over dromen heb gereflecteerd, is mijn herinnering eraan levendiger dan ooit. Omdat ik niet alleen word uitgedaagd de details, personages en enscenering van mijn dromen te onthouden, maar vooral omdat ik de gevoelde sfeer van de droom leer erkennen en verkennen.

Ik leer de droom zien als een soort wijze boodschap vanuit mijn binnenwereld. Het product van een innerlijk proces waarin gebeurtenissen uit het dagelijks leven worden gefermenteerd en bewerkt tot nieuw voedsel voor onderweg. Iets wat het op zijn minst waard is om even over na te denken en na te voelen.

Zo droomde ik laatst dat ik had toegezegd mee te werken met “het project”. Ik werd opgehaald met een busje en naar de projectplaats gebracht. Ik dacht dat ik muziek zou maken, maar tot mijn verbijstering hield mijn bijdrage in dat ik van materiaal dat het midden hield tussen klei en gesmolten marshmallows puntige voorwerpen moest boetseren, in een verzengende atmosfeer, onder grote tijdsdruk. Vriendelijk ogende mensen die vaaglijk leken op collega’s en ouders van klasgenoten van onze kinderen, liepen gedreven en met holle ogen in het rond. Hun voornaamste taak leek te zijn om mij aan te sporen vooral verder te kleien. Zwetend werd ik wakker. Gelukkig lag ik in bed en mocht ik die dag gewoon naar mijn eigen werk.

Toen ik na-voelde waar de sfeer van deze droom op leek, ontdekte ik dat ik misschien iets te vaak en te gemakkelijk “ja” zeg tegen dingen, uit loyaliteit of plichtsbesef, zonder precies te weten wat er eigenlijk van me wordt gevraagd. Wie bepaalt mijn agenda, en wie brengt me waar naartoe? En steek ik mijn beste energie misschien in dingen die me geen voldoening geven? Omdat ik nou eenmaal een keer toegezegd heb mee te werken aan “het project”?

Of die droom waarin ik ineens naast mijn vader in de auto zat. We reden over een bochtige weg door een zomers moeraslandschap. Pa zat achter het stuur, terwijl hij bij leven wel over slechte ogen, maar niet over een rijbewijs beschikte. Als het in het echt zou zijn gebeurd had ik doodsangsten uitgestaan. Maar in de droom had ik het volste vertrouwen in zijn stuurmanskunsten. Hij reed als een dolleman, en ik voelde me veiliger bij hem dan ik me ooit heb durven voelen. Hij was immers onzeker, toch? Heb ik hem onderschat, of word ik hiermee nieuw vaderschap in mezelf gewaar? Meer vertrouwen dat er “daar vanbinnen” wel iets weet welke kant het op zal gaan.

Ik ben benieuwd wie of wat ik vannacht ontmoet….

Als Op Het Leidseplein

Zondagmorgen 21 februari, zeven uur. En de merel zingt. Buitengewoon vroeg dit jaar. Maar kennelijk kan hij zijn vreugde over het plotselinge begin van de lente niet meer binnenhouden. Het was ook lang geleden dat hij zo’n kou had meegemaakt. Overal sneeuw, ijs, harde ondergrond. De meeste van zijn soortgenoten hebben het zelfs nog nooit ervaren. Zo diep in je veren weggedoken zitten en dan nog beven van de kou. Niet wetend of het ooit nog overgaat.

En nu zingt hij uitbundig van spelen en liefde, versieren, afgewezen worden, veroveren en paren. De hormonen gieren door zijn lijf. En het mág weer. Voor de merel geen lockdown of avondklok. Anarchie en levenslust in de toppen van de bomen.

Toen ik klein was hoorde ik mijn moeder dikwijls zingen: “Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan, dan gaan we kijken naar het sprookje, lieve schat!” Het schiet me de laatste tijd vaak te binnen. Dit liedje van zoet verlangen, uit de donkerste tijden die haar generatie heeft meegemaakt. De hongerwinter, toen het koud was, en donker, en uitzichtloos.

Ze vertelde me erover. Hoe de mensen in de avonduren moesten binnenblijven. En hoe de ramen verduisterend werden. De straatlantaarns gedoofd. Nergens was nog licht te zien. Geen teken van leven. De dreunende dreigende bommenwerpers die in de duisternis overvlogen mochten niet zien waar ze hun dodelijke last moesten lozen.

Nu is er weer een avondklok. Er is geen honger, en er zijn geen bommenwerpers. En achter de ramen brandt licht. Maar iets van het verlangen naar een wereld die weer opengaat, herken ik. En vooral voor de jongste vogels die ernaar verlangen om uit te vliegen en de wereld te verkennen. Gelukkig is er muziek, en zijn er liedjes. Zoals toen.

Geschonden

Op de radio hoorde ik de reclame van een van de grote supermarktketens: we nodigen u uit om bij ons vroegtijdig uw kerstinkopen te komen doen, om de drukte te vermijden. Behalve dat er natuurlijk vooral een commercieel belang aan deze boodschap zit, haakt het ook bijzonder aan bij onze behoefte om dit jaar lang en intens kerstfeest te vieren. Een feest van licht in donkere tijden.

Ook thuis hebben we, hoewel de advent nog maar in de tweede week is, al vroeg de kerststal staan. Het is de oude kerstgroep van opa en oma Koek, die ik vorig jaar, bij onze grootse familiereünie mocht krijgen. Ik, als jongste kleinkind, mag deze antieke groep weer verder door de tijd dragen. En dat doe ik met liefde. De oorspronkelijke Jezus ontbrak echter. Waarschijnlijk ergens in de turbulente familiegeschiedenis gesneuveld. Er zat wel een meer kitscherig exemplaar van later datum bij. Daarom hebben we via marktplaats een oud en meer oorspronkelijk kindje geadopteerd. Een Jezus met een geschonden neusje.

Het heeft iets moois, vind ik, dat het kindje niet perfect is. Zoals het hele verhaal niet perfect is. God die op aarde komt als een mensenbaby. Je zou een hoop heisa verwachten, een gelikte show, neonlicht en glamour. Maar het tegenovergestelde wordt verteld: arm, ontheemd, en dit keer zelfs zonder volwaardige neus, wordt het goddelijke op aarde geboren.

Het “goddelijke” is identificeerbaar met het kleine, kwetsbare en geschondene. Voor mijn part zien we in het beschadigde reukorgaan solidariteit met mensen die door corona hun vermogen om te ruiken zijn kwijtgeraakt. Je zal maar chef-kok zijn, of wijnproever. Elk leed is onvergelijkbaar. En tegelijkertijd hoef je je kruis blijkbaar niet helemaal alleen te dragen. Het verhaal dat verteld wordt en dat zichzelf opnieuw vertelt, heeft heel wijde armen: jouw en mijn verhaal past er ook in.

In de verte zien we de drie koningen zelfs al een beetje opdoemen. Vanwege de reisbeperkingen die dit jaar gelden, zijn ze extra vroeg op weg gegaan, met hun kameel, het goud, de mirre en de wierook.

De werkelijkheid en de toekomst zijn ongewis. Zullen we elkaar daarom verhalen vertellen? Want zoals Herman Finkers vaak benadrukt: in verhalen, in kunst, rituelen, muziek, religie, humor, wordt het onmogelijke mogelijk…. en, voeg ik eraan toe, het ondraaglijke dragelijk. Goede Advent!

Spertijd

“Je was eigenlijk altijd bang”, zegt mijn moeder. “Het was al spertijd toen pa me naar dokter droeg, vlak langs de controlepost van de Duitsers”. “Halt”, klonk het in het diepe donker. De straatverlichting brandde niet, en de huizen moesten verduisterd zijn om geallieerde vliegtuigen geen oriëntatiepunten op de grond te bieden. Uit het duister doemde een Duitse soldaat op. De hevige oorpijn van die avond ten spijt, voelt mijn moeder vooral de spanning van dat moment vandaag nóg. “Pa zei ‘krank’ en wees op mij, en toen mochten we door. De Duitser liep mee naar de dokter, en bracht ons zelfs weer naar huis. Hij vertelde dat hij thuis “in meine Heimat” ook “eine Tochter” had, en hij had lieve bruine ogen”.

Ze zit op haar praatstoel, en de oorlog ligt voortdurend op het puntje van haar tong, zeker als het op het journaal en in de krant over “avondklok” of “scholen dicht” gaat. “Je was eigenlijk altijd bang, want je wist niet wat je te wachten stond. Of de oorlog nog een week zou duren, of een jaar, of misschien wel voor altijd. Dan zaten we een poosje op school en ineens werd het gebouw weer gevorderd door de moffen. Hadden we een week of wat les in een boerenschuur, waar het koud was en het naar stront stonk. Of ergens achterin een loods van de koekfabriek van Beuk. Daar rook het lekkerder”.

“Je was eigenlijk altijd bang”, ook voor de soldaat met de lieve bruine ogen, die ’s zondags zelfs ook gewoon in de kerk kwam. Die thuis een dochter had, en van wie ze wel eens wat restjes eten uit de grote legerkeuken meekreeg. Bang voor de geallieerde bombardementen ook, voor het nachtelijke geluid van het afweergeschut. De oranje gloed van brand in de verte. Bang om te moeten vluchten. Bang voor de besmettelijke ziektes, waardoor je vader of broer of oma zomaar kon worden weggerukt. Bang als de kachel uit was en het hout op, terwijl het buiten het eensteensmuurtje vroor dat het kraakte. Bang voor de marcherende soldaten, voor hun gezang tijdens de met drank en heimwee overgoten “Weihnachten”. Bang om bang te zijn, want je moest dapper zijn, en niet huilen. “Daar kopen we niks voor”. Bang voor de openlijke en omfloerste angst van de anderen. Voor de woede en de onberekenbaarheid van de wanhoop.

“Bidden!, beval moe als het luchtalarm klonk. Allemaal op de knieën, rozenkrans in de hand.” Bidden tot de storm is geluwd, de vliegtuigen over zijn gevlogen, de epidemie is uitgewoed. Tot het “vrede” is. Maar als het kind uit de oorlog is, is de oorlog tachtig jaar later nóg niet uit het kind. Want ook vanavond, als het spertijd is, en de angstaanjagende buitenwereld lijkt te gonzen van gevaar, belt mijn moeder me op en zegt: “Ik ga maar vroeg naar bed, en ik bid onder de dekens de rozenkrans, misschien gaat het dan over”.

Uitgewist

Overal op de droge zanderige bodem sporen van enorme bouwvoertuigen. Hekken, afzettingen, bergen puin van gesloopte paviljoens, en verderop al de contouren van de nieuwe wijk die hier verrijst. Het uitgestrekte, door geboomte omgeven terrein van “De Bavo” in Noordwijkerhout, onttakeld en herbestemd. Ik vind het indrukwekkend. Meer dan een eeuw lang zijn hier psychiatrisch patiënten uit de wijde omgeving verzorgd, hebben ze hun therapieën gevolgd, arbeid verricht, elektroshocks, medicijnen, rust, reinheid, regelmaat en experimentele behandelingen ondergaan. In isoleercellen gezeten, groepssessies meegemaakt. Velen uiteindelijk tot het einde toe.

Als kind hoorde ik het nog regelmatig, op fluistertoon uitgesproken: “Hij zit in de Bavo”, of dreigender nog: “Het wordt tijd dat hij naar de Bavo gebracht wordt!” Want als het echt niet goed met je ging, als je echt “niet goed” was, werd dat vroeg of laat je bestemming. Mannen gingen naar de Bavo, vrouwen naar het nabijgelegen Sancta Maria. Door opleiding, stages en documentaires heb ik, en hebben veel anderen heden ten dage een genuanceerder beeld van de psychiatrie. Maar voor mijn ouders en opa’s en oma’s was “De Bavo” een met ontzag en angst uitgesproken begrip. Het “gekkenhuis”, of “gesticht”. Hoe het voor de patiënten zelf was? Meer een gevangenis of juist een veilige haven? Het zal per periode ook wel verschillend zijn geweest.

Maar ergens aan de rand van het immense terrein, waarover ik met een vriend aan het wandelen ben, vind ik, verscholen tussen bosschages, een scheef en verveloos hek. Daarachter, tussen kniehoog gras, doorgeschoten coniferen en koningskaarsen de steentjes. Het is er stil. Insecten zoemen tussen de hoogzomerbloemen. Op de ene helft van het gestichtskerkhof zijn de inscripties niet meer te lezen, op de andere helft zijn de graven van meer recente datum. Kleine metalen plaatjes met slechts een naam en een datum erop. J.de Groot, 23-07-1981. Eén datum, alleen de sterfdatum. Alsof deze mensen alleen maar zijn gestorven, niet hebben geleefd. Pas op de achterste rijen, de laatste graven, uit de jaren negentig, staan ook de geboortedata erbij.

Ik weet er het fijne natuurlijk niet van, en wellicht hebben de organisatie en de nabestaanden andere manieren gevonden om hun doden blijvend te gedenken. Maar deze begraafplaats wordt zichtbaar niet of nauwelijks meer verzorgd. Aan het ongerepte lange gras is te zien dat wij de eersten zijn die hier sinds lange tijd een bezoek brengen. Deze mannen hebben geleefd, zijn zoon, broer, vriend, oom of vader van iemand geweest. Toch lijkt hun bestaan, hun herinnering, hun verhaal, amper dertig jaar na hun dood nagenoeg uitgewist.

Aan de andere kant van het kerkhof ontdekken we een beeldengroep. Een calvarievoorstelling. De betonnen beelden van Jezus aan het kruis, en van Maria en Johannes onder het kruis zijn verminkt. Roestig betonijzer steekt uit de geamputeerde ledematen. Ze kijken uit over de verlaten graven. Een leeg bierblikje aan de voet van het kruis getuigt ervan dat hier laatst toch nóg iemand was. Misschien kende hij J. de Groot of een van de anderen. Misschien heeft hij hier ooit zelf gewoond maar bleek hij goed genoeg om begeleid zelfstandig te gaan wonen. Ik draai me om, maar het kost me moeite om me los te maken van deze triestig mooie plek.

Geheimen

Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest toen ik met touw en doorzichtige lichtgroene kralen zelf deze rozenkrans knoopte, gevoelig als ik was voor rituelen en religie.

Ik leefde in die jaren zelfs met het romantische ideaal om priester te worden. Ik denk dat ik in het geloof deels ontsnapping zocht uit een leven vol bekende, onbekende en onbestemde gevaren. Zo leerde ik het immers van mijn ouders die – beide kind in de Tweede Wereldoorlog – gewend waren om de buitenwereld te wantrouwen en genoegen te nemen met een klein, overzichtelijk bestaan.

In mijn kinderlijk geloof zocht, verlangde en vond ik echter óók ruimte die ik in het dagelijks leven niet aantrof. Een rijk en open landschap waarin ik voor het leven werd geraakt door natuur, kunst, muziek, poëzie en spiritualiteit. Misschien ontsnapte ik ermee aan de harde werkelijkheid. Of ontwikkelde ik juist gevoeligheid voor een andere dimensie ín die werkelijkheid? In ieder geval heb ik veel ontvangen in die tijd, en de verwondering geleerd waar ik ook nu nog veel aan heb en waar ik aan groei.

De toegangspoort naar kunst, muziek, natuurbeleving en mystiek is in mijn leven soms lange tijd zoek, en dan weer ineens is ze levensgroot aanwezig. Een andere werkelijkheid ín of áchter of ónder déze werkelijkheid? Misschien júist wel als de zogenaamde realiteit ineens een stuk minder betrouwbaar is als zij lijkt, zoals nu, wereldwijd en in het klein.

In ieder geval haal ik de rozenkrans nog wel eens tevoorschijn. Eigenlijk is de rozenkrans een soort mantra-achtig gebed, waarin je, terwijl je je handen rustig voortbeweegt langs de kralen, mediteert over een thema. Vandaag bijvoorbeeld over het “geheim” of “mysterie” van de “verrijzenis”. Voor mij, zoals ik er nu mee bezig ben, gaat dat niet over een historische gebeurtenis of een wetenschappelijk al dan niet te verklaren natuurverschijnsel. Maar veel meer over zoiets als de kracht van het leven en kíezen vóór dat leven te midden van onzekerheid óver dat leven. Over ambivalentie en schijncontrole uit handen geven.

De lichtgroene kralen van mijn oude rozenkrans corresponderen met het jonge groen van de lente.

Geachte Mevrouw/Meneer Corona

,

Geachte Mevrouw/Meneer Corona,

De afgelopen maanden hebben we geleidelijk met u kennis gemaakt. Dat wil zeggen: eerst dook uw naam op in verre oorden maar steeds meer zijn we ook in onze eigen omgeving van u gaan vernemen. Enerzijds klinkt uw naam inmiddels dus vertrouwd, maar anderzijds boezemt de klank ervan ons ook vooral veel angst in. Uw naam wordt geassocieerd met schrik, ziekte, dood en een enorme ontregeling. Dat moet voor u toch ook niet leuk zijn om te horen.

U bent gekomen om te blijven, zo lijkt het. Tijd dus om misschien wat nader kennis te maken. Als we elkaar iets beter leren kennen en we het aandurven om elkaar in de ogen te kijken, worden we wellicht iets minder bang. Doordat wij u “demoniseren” en voor u op de vlucht slaan, wordt u in onze ogen en nachtmerries misschien nog veel angstaanjagender dan u in werkelijkheid bent. En waarschijnlijk bent u ook wel een beetje bang voor ons geworden, als je nagaat dat wij het voortdurend hebben over een “strijd tegen” en het “overwinnen van” Corona.

Wat we van u weten is dat u voortkomt uit de levende natuur, net zoals wij. En, al bent u klein, onzichtbaar voor onze ogen zelfs, u bent buitengewoon vitaal en krachtig. En het schijnt dat u zich vooral daar laat zien waar wij zwak en uitgeblust zijn, waar onze leefomgeving is vervuild, waar onze gewoontes ongezond zijn en waar de ongelijkheid tussen mensen het meest schrijnend is. Wilt u ons daar iets mee zeggen? Heeft u misschien de mening dat wij als mensheid ziek, oud en moe zijn? Dat wij inmiddels zo lijden onder onze eigen leefstijl dat u gekomen bent om ons uit ons lijden te verlossen?

Alstublieft niet, want misschien begrijpen wij het principe van de “survival of the fittest” wel met ons verstand, maar ons hart kan dat niet aan. Er is namelijk ook nog zoiets als liefde. En wij houden zielsveel van onze kwetsbare ouderen, en we hebben onze breekbare broeders en zusters lief. Dat kunt u toch wel zien?

Hoewel, in onze geglobaliseerde samenleving laten we zeker steken vallen. Waar we anderen als tweederangsburgers behandelen, waar geen gelijke kansen zijn, dragen we indirect zelf bij aan datgene waar u mee bezig bent: de zwaksten treffen. En daarom is het misschien in deze kennismaking niet alleen goed dat we u aankijken, maar ook dat we onszelf weer eens met andere ogen gaan zien. Als u ons daar een beetje tijd er ruimte voor zou willen geven, graag.

Zo lijkt het het ons ook zinvol om eens beter te kijken naar onze leefomgeving. Hoe we omgaan met de aarde, de lucht, het water, de andere levende wezens. Onze eigen gulzigheid en expansiedrang. Misschien krijgen we nu de gelegenheid en de tijd om een beetje bescheidener te worden.

Meneer en/of mevrouw Corona, laten we in gesprek gaan en kijken of we elkaar op één of andere manier kunnen respecteren. Misschien wilt u dan stoppen om ons zo onvoorspelbaar en beangstigend te treffen. Aangezien u bent gekomen om te blijven en wij nog lang niet van plan zijn om weg te gaan, zullen we het voortaan samen moeten rooien. Hoe we dat het beste kunnen doen, zullen we van elkaar moeten leren. We horen van u,

Met vriendelijke groet,

De familie Mensheid

Ongesnoeide Wildernis

Het is een hele zoektocht om in deze wildernis nog een mens te ontwaren. De vergelijking met in natuurgebieden gehouden oerrunderen ligt voor de hand.

Ik heb doorgaans al de neiging om een bezoek aan de kapper zo lang mogelijk uit te stellen, maar dit keer is het overmacht, aangezien de kappers vanwege de maatregelen rond het coronavirus nog wel een poosje gesloten zullen blijven.

Vroeger was het anders. Dorpskapper Lou beschikte over een wonderlijke techniek. In mijn beleving bewoog hij constant zijn schaar – ongeveer in hetzelfde razende tempo waarmee hij, al roddelend, zijn mond opende en sloot – waarbij ik min of meer per ongeluk het grootste deel van mijn haar verloor. Bij zijn pensioen kreeg ik al de oude Donald Duckjes uit zijn naar Tabac en Fresh-Up ruikende salon.

Later werd ik jarenlang tot volle tevredenheid geknipt door Jacques, met wie ik de voorliefde voor dorpsverhalen en geschiedenis deelde, maar bij wie ook de variatie qua kapsels beperkt bleef; dat wil zeggen dat we ons hielden aan het basiskapsel: kort en makkelijk. Tevens helemaal passend in het straatje van mijn ouders. Fatsoenlijk en niet aanstootgevend.

Pas toen ik op mijn twintigste de priesteropleiding verlaten had, ben ik mezelf wat meer vrijheid gaan permitteren. Ik kweekte een baard aan en liet de bossages op mijn hoofd ongesnoeid. Wat bij mijn moeder de opmerking ontlokte: “Als je maar niet denkt dat je daar eer mee inlegt!” Ik speelde immers nog wel orgel in de kerk. Daar paste lang haar uiteraard niet bij.

Ik denk nu aan een staartje, of speldjes. Of toch zelf aan de slag met een schaar of een tondeuse. Er schijnen ook allerlei “tutorials” te circuleren. Misschien is een hanenkam nog een idee. Als ik maar een manier vind om mijn haar uit mijn ogen te houden. In dat geval zullen we het zien.

Nu

Nu…zwijgen de bomen, strekken hun takken over wijdse stilte uit

Nu…geurt bosgrond zoet en vult hoofd en hart met zinderend lome herinnering

Nu… wervelen vlinders van een onbestemd witgeel tussen groen dat jonger dan jong

Nu…overstemt de merel voor het eerst het verkeer dat raasde maar trager en trager en minder

Nu… ben ik niets meer en minder passerend getuige van een wereld niets nodig

Nu…heeft het bos genoeg aan zichzelf, het leven ontwaakt, rekt zich uit en ís.

Nu