Meneer Poliep En Zijn Vrouw

Dat ik nu toch zo dichtbij de plek zou bivakkeren waar ik zo’n veertig jaar geleden mijn eerste indruk van de Waddeneilanden opdeed. Een mooie, maar uiteindelijk ook huiveringwekkende herinnering dringt zich op.

Naast de typisch Texelse “schapenboeten”, de mooie, met de rug naar de wind gekeerde stalletjes, springt, en sprong ook toen bij het verlaten van de boot het ranke kerkje van Den Hoorn onmiddellijk in het oog, terwijl mijn moeder een zucht van verlichting slaakte, aangezien we de – voor haar – barre tocht met de veerboot hadden overleefd. Deze verlichting was van voorbijgaande aard, want ze zag ongetwijfeld toen ook al ernstig tegen de terugreis op. Om de boot, én om het feit dat de chauffeur van de bus tijdens het rijden met de passagiers práátte en af en toe zelfs even ómkeek.

Maar je moest er wat voor overhebben. Een slapeloze nacht bijvoorbeeld, omdat mijn vader uit wantrouwen jegens “dat rotding” weigerde de wekker te zetten. In plaats daarvan werd hij de nacht voor een dergelijke gebeurtenis ieder half uur wakker, en stommelde hij uiteindelijk rond half vijf alvast grimmig zijn bed uit.

Het zal op een zaterdag in het voor- of naseizoen zijn geweest dat we al vroeg in de morgen op het dorpsplein de touringcar van “De Snelle Vliet” instegen voor een zogeheten “dagtocht”. Een advertentie in de krant enkele weken eerder had mijn ouders overtuigd dat dit een geschikte vakantietrip zou zijn. En ik kan nog steeds meewarig voelen dat ze hiermee oprecht meenden mij iets van “de wereld” te laten zien. Maar dan wel op een manier die voor hen enigszins behapbaar was. Want echt avontuurlijk was het niet, en al helemaal niet afgestemd op een negenjarig kind.

De medereizigers van gemiddeld een jaar of vijfenzeventig waren allemaal grijs of kaal, bebrild en gehuld in beige outfits. En in mijn herinnering praatten ze allemaal oorverdovend hard en met consumptie, en vooral tegen mij. Ik mocht gelukkig af en toe een stuk naast de chauffeur zitten. Die heette ook Piet, en de verwondering over zo’n jonge naamgenoot in de bus spoorde hem aan menig grap te maken, tegen mij, maar ook door de microfoon. “Het is hier een Pieterig zooitje”, en natuurlijk “Als u nu hier naar links kijkt, ziet u rechts niks”.

Tot aan de lunch was het best interessant. Ik vond de koffie met appeltaart en slagroom in een grote “gelegenheid” ergens in de kop van Noord-Holland erg lekker. Het eiland was mooi; er lag een ander licht over het landschap en zoiets maakt onbewust indruk op een gevoelig kind. En de lunch met witbrood, en de kleine kuipjes jam en pindakaas, was ook nieuw en smakelijk. Maar toen we daarna een paar uur vrij te besteden hadden op het eiland, ging mijn vader natuurlijk al snel op zoek naar een “gelegenheid” waar hij bier kon krijgen, om de spanning van zo’n verre reis enigszins te verzachten. En vanaf dat moment verarmde de sfeer. Anderen gingen winkelen, maar pa hoopte vooral dat hij er voor het vertrek van de bus “nog één kon nemen”.

De terugreis werd ronduit zwaar. Vooral omdat mijn vader in de bus een echtpaar uit zijn geboortedorp ontdekte. De vrouw deelde voortvarend aan ons mede dat haar man “een poliep” in zijn neus had, en daar was verbazingwekkend veel over te vertellen. Dat hij onderzoeken onderging, dat nog niet duidelijk was of het goed- of kwaadaardig was, maar dat hij er door snurkte en uit zijn mond stonk. Ik dacht eigenlijk dat ál deze mensen uit hun mond stonken, al wisten ze dat met overvloedige eau de cologne te verdoezelen.

De man met de poliep – voorzien van een buitengewoon nurks uiterlijk – deed er vooral het zwijgen toe. Maar zijn vrouw vertelde spetterend en veel te dichtbij, vanaf de bank vóór ons, achterstevoren over de leuning heen hangend, met een dik en verhit hoofd, dat er af en toe bloed uit zijn neus kwam, dat de poliep gestaag groeide, en dat het allemaal niet meeviel.

Moe, misselijk en murw van het gehobbel én van de poliep hing ik in mijn stoel, tot het moment dat we in weer een andere “gelegenheid” het diner gebruikten. De twee consumpties die bij de prijs waren inbegrepen, waren al ruim vóór het hoofdgerecht – schnitzel ongetwijfeld – achterovergeslagen, zodat mijn vader ongeduldig met zijn vingers knippend de aandacht van de ober probeerde te krijgen, voor nóg een biertje.

Waren er foto’s gemaakt, dan had je daarop temidden van de bejaarden mijn bleke of juist roodgloeiende koppie kunnen zien, tegen mijn lieve moeder aangeleund, terwijl mijn eindelijk ontspannen vader, met dubbele tong, begonnen was mensen uit te nodigen voor een avondje bij ons thuis, en de vrouw van Meneer Poliep probeerde haar man te overreden zijn neusgat met het betreffende euvel aan de disgenoten te tonen.

Van de thuiskomst in het donker herinner ik me niet veel meer dan een allesoverheersende moeheid en zinnen als “Hij is het zo zat als uitgespogen spek!” Ja, vind je het gek? Waarschijnlijk viel ik uitgeput in slaap.

Of ik die nacht gedroomd heb hoe de bloederige torenspits van Den Hoorn langzaam ondersteboven uit de neus van Meneer Poliep kwam zakken, heb ik wellicht verdrongen. Wel is hij enkele weken later met zijn vrouw, onder het genot van meer dan één drankje, nog een avond over de voortgang van de kwaal komen praten. Ook daar mocht ik bij zijn. Gezellig.

Alles is Anders dan Anders

“Nazomer ’72, Alles is anders dan anders. Al ons denken en doen is gericht op de toekomst, op het nieuwe jonge leven dat in januari ’73 wordt verwacht”. Twee foto’s op de pagina. Mijn vader Piet, druk bezig met het oogsten van grauwe erwtenbonen in zijn tuintje, en mijn moeder Agatha, gehurkt bij het vogelhuis, met de oude zwarte kat Coby op schoot. Het kon wel eens de enige “zwangere foto” van mijn moeder zijn. Vijftig jaar geleden gemaakt, in hetzelfde seizoen als dat waarin ze kortgeleden stierf.

Ik zie ze voor me, een halve eeuw geleden. De tuin van het boerendaggeldershuisje is zwanger van voldragen leven. Binnen de door mijn vader zorgvuldig geteerde houten omheining heeft het jaar haar zwaartepunt bereikt. Mijn moeder fotografeert hem met hun oude Agfa Click, die nog stamt uit hun huwelijksjaar 1958, terwijl hij in de nazomerzon rustig en zelfverzekerd met behendige handen de bonen afritst. Ze zal met vertedering naar hem hebben gekeken. Hoe hij, met zijn dunner wordende rode haren, doelgericht door het vertrouwde, van oorsprong Veense gewas gaat, zoals hij dat sinds zijn vroege jeugd gewend is. Ze houdt van hem, deze sterke maar ook aandoenlijke man, terwijl ze zijn zoon in haar schoot draagt.

Hij ziet haar, en probeert met zijn slechte ogen ook een kiekje te maken. Zijn vrouw, zijn alles, die neerhurkt onder het vogelhuis dat ze ongetwijfeld zelf heeft gemaakt. Dat ze nu, na ruim veertien jaar huwelijk alsnog zwanger is, is voor hem een onwerkelijk verhaal. Al die jaren van verlangen en vruchtbaarheidsonderzoeken en -behandelingen, en sinds een paar jaar de rust van “nou ja, dan proberen we zonder kinderen gelukkig te zijn”. Het is voor hem, die niet zo van veranderingen houdt, een hele stap. Het betrekkelijk zorgeloze kleine leven dat ze leidden was voor hem eigenlijk groot genoeg. En dan nu, toch, dit wonderlijke, dit ongekende.

De kat op haar schoot zoekt haar nog méér op dan anders. Aan het einde van haar eigen levenslustige leven gekomen, voelde Coby het nieuwe leven aankomen. Zal ze jaloers zijn geweest, of vooral zorgzaam? Ik denk het laatste. Ze zal het aangevoeld hebben, al die jaren, het verdriet en het verlangen. Enkele dagen voor mijn geboorte heeft mijn moeder Coby, die terminaal was, laten inslapen. “Een dier…..O, een dier….daar kun je zóveel van houden!” zei ze zo dikwijls. Zelfs zoveel dat ze het eigenlijk later nooit meer aandurfde om een kat te nemen. Ik denk dat de kat in al die kinderloze jaren een onmisbare troosteres is geweest. En dat haar taak was volbracht toen ik kwam.

Ik gun het mezelf om tijdens deze langgerekte nazomer van 2022 met tederheid en nostalgisch terug te kijken in de vergeelde pagina’s van het oude fotoboek. In januari word ik 50, zo’n tien jaar ouder dan mijn ouders toen waren. Het is soms alsof ik na hun dood dichterbij ze kom dan ik tijdens hun leven was. Alsof zij nu zelf hun verhaal van toen aan me vertellen, zonder de vertroebelingen van het hier-en-nu, de interpretaties achteraf. Ik zie eenvoudige mensen in een eenvoudig leven, in een veilig omheinde tuin, een zelfgeschapen paradijsje. En ik zie er mijn oorsprong, tussen de kat en de erwtenbonen in de najaarszon.

Hoe moet het nou met Tante?

Anderhalve week nadat we mijn moeder na een ingewikkelde periode in haar oude flatje in Alphen aan den Rijn, naar het verpleeghuis in Leeuwarden – bij ons om de hoek – hadden verhuisd, nam ook in de kamer naast haar een nieuwe bewoonster haar intrek. “Kijk eens, daar zit Tante”, zei ma de eerstvolgende keer dat ik bij haar op bezoek kwam, terwijl ze de kleine kordate dame toeknikte. Met een mengeling van genegenheid en bezorgdheid keek ze naar de vrouw die, net zo gedesoriënteerd als zij, haar weg probeerde te vinden in een nieuwe en verwarrende omgeving.

Of ma haar Tante noemde vanwege enige gelijkenis met een ver familielid is mij altijd een raadsel gebleven. Het ging in mijn ogen aanvankelijk dan ook eerder om een functie dan om verwantschap. Tante vervulde de rol van eerste herkenningspunt, temeer daar het verzorgend personeel destijds verplicht achter mondkapjes schuilging. Als twee schelpen aangespoeld op een vreemd strand. Vanaf dag één was het “goedemorgen Tante”, en Tante zei “goedemorgen buurvrouw” terug.

Dat het humeur van Tante soms niet zo denderend was, en haar verzet tegen de “opsluiting” vaak indrukwekkend, weerhield mijn moeder er niet van haar vanaf de eerste kennismaking onvoorwaardelijk tot steun te zijn. Ze hielp Tante – ongevraagd en nauwelijks afgestemd – in en uit haar stoel, gaf haar haar eigen – gebruikte – zakdoekjes, troostte haar als ze verdrietig was, en stelde haar gerust als ze overstuur was.

Soms werd het Tante wel wat teveel, want al die liefdevolle aandacht kon ze – wie weet vanuit welke verdrietige ervaringen in haar vergeten verleden – maar ternauwernood aanvaarden. En dan werd ze met een mooi Fries woord “gremietig”. Maar gelukkig kon ma meestal niet goed verstaan wat haar op zulke momenten werd toegevoegd. Bovendien begint, als de dementie je zo in haar greep heeft, iedere minuut de dag weer opnieuw.

Kort nadat een escalatie was gesust, kon je mijn moeder op haar knieën op de grond voor de stoel van Tante aantreffen, om de schoenen aan haar stramme voeten – die enkele centimeters boven de grond bungelden – te helpen en de veters te strikken. Tante was immers van plan de benen te nemen. En iedere hulp daarbij was welkom. Zover kwam het natuurlijk niet, dankzij de deurvergrendeling, maar meer nog dankzij de liefdevolle afleiding die de dienstdoende verzorgenden boden.

Het was al gauw weer koffietijd, of etenstijd. En op zon- en feestdagen, of als één van beiden dácht dat het een zon- of feestdag was, werd er een advocaatje met slagroom verstrekt. Toen de coronamaatregelen werden versoepeld werd de wereld gelukkig weer groter en vriendelijker. Maar ook toen, tijdens de boottocht over de Friese Meren, of het ritje met de paardentram, bleven ma en Tante trouw naast elkaar zitten. Zoals ze ook samen genoten van een ijsje in de zon, of van het draaiorgel voor de deur.

“Hoe moet het nou met tante?” vroeg ma dan ook dikwijls als ik haar op zondag kwam halen om bij ons thuis koffie te drinken. Ik vertelde ma dat we over een paar uurtjes weer terug waren, en voor Tante stond de televisie aan. Bij ons thuis had ma geen idee over wie ik het had wanneer ik Tante noemde, zoals ze ook niet kon geloven dat ze in Leeuwarden was, en in een “bejaardenhuis” woonde. Maar zodra ik haar terugbracht en we Parkhoven naderden zei ze blij: “Kijk, daar woon ik!” en als we de deur binnenkwamen klonk het liefdevol: “Kijk, daar zit Tante!”

Het schijnt dat ze elkaar ’s avonds, als ze zo rond de klok van acht uur uitgeput naar bed werden gebracht, dikwijls een nachtzoen gaven. Als een stukje veilig thuis voor elkaar. “Welterusten Tante!” “Lekker slapen, buurvrouw!” Toen ma vier weken geleden, na anderhalf jaar in Leeuwarden, vrij plotseling stierf, was dan ook één van mijn eerste gedachten “Hoe moet het nu met Tante?”. Maar toen ik gisteren wat nagezonden post ging ophalen, kreeg ik het antwoord al. Twee weken na mijn moeder, is ook Tante, nét zo plotseling, stilletjes uit het leven weggegleden.

Werkhorloge

Op doordeweekse dagen droeg mijn vader een “werkhorloge”, of zoals hij zelf zei: een “werkhorlozie”. Hij “droeg” het ook echt, want het zat niet óm zijn pols, maar meestal ín zijn jaszak. Toen het bandje in ver vervlogen tijden brak, vervaardigde mijn moeder van een oude portemonnee een foedraaltje voor het klokje. Het kost me weinig moeite om weer voor de geest te halen hoe mijn vader het er sindsdien met zijn sterke maar slanke vingers talloze keren uitpeuterde om van de juiste tijd op de hoogte te zijn.

Dat het voor zijn werk – het met de hand verscheppen van enorme hoeveelheden potgrond – helemaal niet handig was om zoiets teers als een horloge om zijn pols te hebben, werd als geloofwaardig argument beschouwd voor deze wonderlijke constructie. Ikzelf denk dat het vooral uit zuinigheid was dat van het kopen van een nieuw bandje werd afgezien.

De licht spottende opmerkingen van zijn collega’s -“Wat heb je nou toch voor een mooi dingetje, Piet? Chique de friemel man!”- nam hij lachend op de koop toe. Ze waren trouwens wel wat van hem gewend. Toen hij op een dag bijna het topje van zijn duim had afgesneden met een potscherf, en daarop categorisch weigerde naar de dokter te gaan, naaide mijn moeder een speciale – de wond min of meer beschermende – handschoen van een oude oranje onderbroek.

Nu het werkhorloge, na het overlijden van mijn moeder, plotseling weer tevoorschijn kwam, bleek het tot mijn verwondering – uiteraard nadat ik het voorzichtig had opgewonden – nog te lopen. Het zal waarschijnlijk ergens eind jaren vijftig, maar misschien zelfs eerder, mét bandje, gekocht zijn bij Kolijn in Oude Wetering. Zoals ik daar zelf zo’n veertig jaar geleden mijn eigen eerste horloge kreeg. Niets is zo tijdloos als een klokkenmaker, want dat is immers de enige die boven de tijd verheven lijkt.

Het confronteert me ook met het verstrijken van de tijd. En met het feit dat het boek van mijn ouders – nu ze er beide niet meer zijn – dicht is. Of misschien zeg ik het verkeerd. Misschien kan ik beter zeggen dat het boek voltooid is. En dat het nu juist ópen gaat in plaats van dicht. Want ik kom elke dag wel een opschrijvenswaardig hoofdstukje tegen. Hetzij in mijn herinneringen, hetzij aan de hand van een voorwerp, zoals het “werkhorlozie”. Het vertelt over hun liefde, mijn moeders creativiteit en mijn vaders bereidwilligheid om haar zonderlinge oplossingen – soms schoorvoetend, vaak glimlachend – te omarmen.

Dat mag, want men kent zijn verdriet

Bessel van der Kolk bij Zomergasten, 28 augustus 2022

Toen traumatherapeut Bessel van der Kolk afgelopen zondag bij Zomergasten uitlegde hoe zingen en dansen licht en lucht geven aan datgene wat gestold is, klonk mij dat natuurlijk als muziek in de oren.

En hij vertelde over aartsbisschop Desmond Tutu, die als voorzitter van de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika, maandenlang luisterde naar alle verschrikkelijke verhalen uit de tijd van apartheid. Als de zwaarte van dat wat gedeeld werd de slachtoffers en hem zelf naar de keel vloog, ging hij met hen zingen en dansen.

Want het lijf is de plek waar het zich allemaal ophoopt, en dus ook de plek waar je weer in beweging komt. Niet alleen maar door te praten, maar door met alles wat in je is, je handen, je voeten, je heupen en je stem, te uiten waar de pijn, het verdriet en het verlangen zit.

En het wekt en weerspiegelt een ongelooflijk sterk gevoel van “samen”. Omdat we als mensen elkaar nodig hebben. Niet omdat we elkaar altijd begrijpen, maar omdat we samen zingen en dansen. “We shall overcome” of “We zullen doorgaan”.

Desmond Tutu

Toen ik vanavond op een locatie voor kleinschalig wonen voor mensen met dementie aan het muziek maken was, vloog het mij ook even naar de keel. Vooral toen we “Roosje mijn Roosje” zongen. Omdat het zo’n oersimpele tekst heeft die zo’n universele waarheid uitdrukt: op een dag blijf je, als de helft van twee, alléén achter, en is de geliefde met wie je 50 jaren samen was er niet meer. En dan zing je in je eentje jullie liefdesliedje

“Dan plukt hij een roos uit een tuintje. Dat mag, want men kent zijn verdriet. Die brengt hij dan stil naar haar steentje, en zingt dan heel zachtjes hun lied”

Ik bedacht me dat al deze mensen overlevers zijn, die zoveel hebben moeten achterlaten. Partner, broers en zussen, kinderen soms, hun huis en haard, hun lichamelijke en mentale gezondheid. Dat ze dit door hun dementie niet continu bewust beseffen is misschien goed. Maar in de onderlaag speelt het mee. En als we zo’n liedje zingen, met een lach en een traan, zijn we niet alleen lotgenoten, maar voelen we dat ook. En dat heelt.

Ik geef je een Roosje mijn Roosje

De Grote Steen

Vanaf “De Grote Steen”, op de dijk bij het kruispunt tussen de Bakhuizenlaan en de provinciale weg ontvouwde zich mijn universum. Zittend op dat brok betonpuin zag ik links van mij het “Kleine Bos” met het geheimzinnig zoemende elektriciteitshuisje. Daarachter het altijd vochtige paadje waar ik het meest malse gras voor Floortje, mijn cavia plukte als ik uit school kwam.

Rechts het modderige stroompje waarachter het moeilijk begaanbare pad richting het “Middenbos” en het “Grote Bos”. Vlak om mij heen de grashalmen, wuivend in de wind. De sprinkhanen en hommels. En mijn hoofd vol dromen.

Van het lawaaierige vrachtverkeer en de haastige forenzen achter me, sloot ik me schijnbaar moeiteloos af. En ook de woeste bedrijvigheid van de autosloperij tegenover me, waar met grof geweld oude bussen met een grijpkraan uiteengereten werden, kon mijn dromen niet verstoren. Ik zat op mijn steen in de zon als een fakir op zijn vliegend tapijt. Met een autonomie en een overzicht waar mijn volwassen ik jaloers op kan zijn.

Als ik mezelf er even tijd er ruimte voor geef, voel ik die jongen in mij nog. Dat kind dat in staat is om te zitten, te voelen en te dromen, helemaal in het hier-en-nu, én helemaal in zichzelf. Alsof alle touwtjes waarmee ik ben gebonden aan tijd en loyaliteit, plicht en verantwoordelijkheid, even zijn doorgesneden.

Ik ben wel blij dat ik ooit geleerd heb mezelf “te vervelen”. Dat niet al mijn kindertijd werd gevuld met sport, muziek en schermpjes. Dat ik naar buiten kon en dat ik ook alléén mocht zijn. En “nutteloos”. Ik ben het aan het herontdekken in onze achtertuin. Dat je een hele wereld gewaar wordt, op een vierkante meter, in de zon, op je blote voeten, onder de appelboom. En daar dan een stukje over schrijven. Dat dan weer wel.

Graaf

met de “graaf” van mijn vader

“D’r staat hier nog een spitschep van je vader!” Oom Gerard aan de telefoon. “Toen je vader en moeder naar de serviceflat verhuisden hebben ze hem aan mij gegeven. Wil jij hem hebben, je hebt nou toch ook een tuintje?”

Op dat moment was het lapje grond achter ons huis niet veel weelderiger begroeid dan met een kwijnend grasveldje, temidden van wat borders met goedbedoelde sierplantjes. Maar het tij is de afgelopen maanden gekeerd. Op mijn negenenveertigste ben ik voor het eerst in mijn leven een moestuintje begonnen. En toen oom Gerard de schep laatst op mijn moeders negentigste verjaardag meenam naar Leeuwarden aten we de eerste tuinkers en radijs van eigen bodem.

Vanavond eten we verse tuinbonen, en de afgelopen weken hebben we ons tegoed gedaan aan overvloedige sla en snijbiet. Tomatenplantjes, minikomkommers, worteltjes, rabarber, krootjes, aardbeien, uien en andijvie schieten onder de huidige gunstige omstandigheden als paddenstoelen uit de grond. En zo lijkt de spitschep, of de “graaf” zoals mijn vader hem noemde, de plek waar ik woon symbolisch nieuwe vruchtbaarheid te geven.

Mijn vader hield van tuinieren. En hij was er nog goed in ook. Het gekke is dat ik daar in mijn leven nooit veel van heb gezien. Ik ken zijn tuinderschap slechts uit verhalen, en van een enkele onscherpe foto. Voordat ik geboren werd had hij altijd een tuin, maar toen ik kwam werd de plaats die er was blijkbaar opgeofferd aan zandbak en speelruimte. Ik vrees dat mijn geboorte letterlijk en figuurlijk ten koste ging van mijn vaders eigen plek. Deze bescheiden man, die nauwelijks iets voor zichzelf opeiste.  

mijn vader, ergens in de jaren zestig, in zijn tuintje aan de Bakhuizenlaan

Wel had hij zijn graaf nog. En vele jaren heeft hij zich dienstbaar gemaakt door in zijn vrije tijd  – naast zijn werk waar hij ook dag in dag uit met een schep in zijn handen stond om grond voor de potplanten te mengen – tuinen van vrienden en familie om te spitten. Toen hij op zijn negenenvijftigste met vervroegd pensioen ging, was hij bovendien ook van harte welkom op het kerkhof, waar hij nog lang diepe kuilen groef voor menig overleden dorpsgenoot.

Maar zelf tuinieren zat er niet meer in. Terwijl hij er best ruimte voor had, zeker toen ik opgroeide en het huis uit ging. Het kwam kennelijk niet meer in hem op om plek op te eisen. Toen hij vier jaar geleden overleed pasten zijn persoonlijke bezittingen in een klein doosje. Een paar puzzelboekjes, wat potloodstompjes, en een flessenopener.  Plus een zondags én een doordeweeks horloge. 

Meer dan ik voor mogelijk hield, geniet ik van het zelf telen en bereiden van groente. En vooral als ik ’s morgens vroeg, als de wereld nog stil is, even mijn ronde maak door het minuscule paradijsje achter ons huis, denk ik vaak aan mijn vader. En, ook al staat alles tegenwoordig uitvoerig op internet, toch was het fijn geweest als ik juist hém even had kunnen vragen hoe groot je tuinbonen eigenlijk moet oogsten, en wat je het beste kunt doen tegen luis.

mijn eerste tuinbonen

Geurinneringen

De zuidoostenwind voerde zachtjes de van uien en azijn doordrongen lucht vanuit de “augurkenfabriek” van Uyttewaal naar Leimuiden. Kilometersver, van de inleggerij daar bij de Kattenbrug, over de polders en de Langeraarse Plassen naar de Oosterweg waar ik het als kind gebiologeerd in me opzoog. Ik meen dat het vooral in de nazomer was, als de verzadigde lucht trilde in de nog warme stralen van de zon.

En als ik naar school liep, achterlangs de koekfabriek van Beuk, rook ik in de zomer al dat de speculaas- en pepernotencampagne er van start was gegaan. Leimuiden was trots op koek van Beuk. Het was een onlosmakelijk onderdeel van haar geschiedenis. Van mijn persoonlijke voorgeschiedenis ook, daar de opa van mijn moeder, Andries de Rijk, er in de oorlog, na een leven lang zwaar werk op het land op zijn oude dag, versleten en slechtziend, terecht kon als manusje van alles. Vloeren vegen. En vooral bakblikken schoonmaken. En de kruimeltjes en afsnijsels die overbleven, mocht hij meenemen, zodat hij de grote arme gezinnen van zijn zoon en dochter in die barre jaren regelmatig wat extra’s toe kon stoppen. Dat ik die verhalen kende, maakte dat ik de kruidige geur des temeer kon waarderen.

En wat rook het magisch als in de wintermaanden de rietlanden van rietsnijder Poelgeest achter de Bakhuizenlaan in brand werden gestoken, zodat de verkoolde resten weer een vruchtbare laag zouden vormen voor het nieuwe seizoen. Of als jaarlijks de bodem van de kassen van Knelange, onze overburen, werd gestoomd. Die gronderige lucht die dan een paar dagen in onze buurt hing. Als de geur van rokerige Schotse Islay Whisky die ik later leerde kennen. En op woensdag, als slager Van der Meer een koe had geslacht, die in twee helften achterin in de slagerij hing, rook ik door de weeïge lucht van het pas geslachte dier ook het heerlijke eerste gebraad – rosbief meen ik – als ik na schooltijd geïnteresseerd in zijn deuropening bleef staan.

Toen ik twee maanden geleden, zoals zovelen, corona kreeg, raakte ik mijn reukvermogen tijdelijk kwijt. Hoe diep ik mijn neus ook in de koffiebus en het potje met couscouskruiden stak, ik kon niks onderscheiden. Niet levensbedreigend, en vergeleken met de IC uiteraard peanuts (dat doet me onwillekeurig denken aan pindakaas; als ik Delft binnenfietste, op bezoek bij vrienden in mijn studietijd rook ik de Calvé-fabriek), maar toch: er is iets van diepte uit je wereld verdwenen. Ik was dan ook buitengewoon verheugd toen ik twee weken na mijn besmetting langs de oliebollenkraam fietste en héél in de verte iets van haar geur ontwaarde. En toen er de volgende dag iemand met een brandend sjekkie langsliep, man wat was ik gelukkig dat ik de geur van Zware Van Nelle kon onderscheiden.

Dromenderwijs

Ze ligt al een poosje genoeglijk op schoot. Af en toe bewegen haar pootjes driftig in haar slaap. Ze schudt met haar kopje, maakt “kekkerende” geluidjes. Poes droomt.

Waarvan? Van de merels in de tuin, of de pimpelmezen in de appelboom? Van mijn zevenjarige zoon die het elke ochtend als hij uit bed komt als zijn onvervreemdbare verantwoordelijkheid ziet om haar van een scheutje kattenmelk te voorzien.

Of droomt poes wellicht van gebeurtenissen uit haar recente of verre verleden? Met haar veertien jaar heeft ze inmiddels immers een respectabele leeftijd bereikt. En ze heeft in al die jaren best wat meegemaakt. Zoals die keer dat ze een dag en een nacht opgesloten zat in de garage van een buurman. Wat rende ze na haar bevrijding opgelucht naar huis. Of, na de geboorte van onze oudste, toen ze drie avonden achter elkaar goudvissen uit de vijver van de buurman viste en ze al flapperend onder de wieg legde. Cadeautje!

Ik droom ook regelmatig. En sinds ik voor mijn opleiding “Focussen in Therapie” onlangs een weekend over dromen heb gereflecteerd, is mijn herinnering eraan levendiger dan ooit. Omdat ik niet alleen word uitgedaagd de details, personages en enscenering van mijn dromen te onthouden, maar vooral omdat ik de gevoelde sfeer van de droom leer erkennen en verkennen.

Ik leer de droom zien als een soort wijze boodschap vanuit mijn binnenwereld. Het product van een innerlijk proces waarin gebeurtenissen uit het dagelijks leven worden gefermenteerd en bewerkt tot nieuw voedsel voor onderweg. Iets wat het op zijn minst waard is om even over na te denken en na te voelen.

Zo droomde ik laatst dat ik had toegezegd mee te werken met “het project”. Ik werd opgehaald met een busje en naar de projectplaats gebracht. Ik dacht dat ik muziek zou maken, maar tot mijn verbijstering hield mijn bijdrage in dat ik van materiaal dat het midden hield tussen klei en gesmolten marshmallows puntige voorwerpen moest boetseren, in een verzengende atmosfeer, onder grote tijdsdruk. Vriendelijk ogende mensen die vaaglijk leken op collega’s en ouders van klasgenoten van onze kinderen, liepen gedreven en met holle ogen in het rond. Hun voornaamste taak leek te zijn om mij aan te sporen vooral verder te kleien. Zwetend werd ik wakker. Gelukkig lag ik in bed en mocht ik die dag gewoon naar mijn eigen werk.

Toen ik na-voelde waar de sfeer van deze droom op leek, ontdekte ik dat ik misschien iets te vaak en te gemakkelijk “ja” zeg tegen dingen, uit loyaliteit of plichtsbesef, zonder precies te weten wat er eigenlijk van me wordt gevraagd. Wie bepaalt mijn agenda, en wie brengt me waar naartoe? En steek ik mijn beste energie misschien in dingen die me geen voldoening geven? Omdat ik nou eenmaal een keer toegezegd heb mee te werken aan “het project”?

Of die droom waarin ik ineens naast mijn vader in de auto zat. We reden over een bochtige weg door een zomers moeraslandschap. Pa zat achter het stuur, terwijl hij bij leven wel over slechte ogen, maar niet over een rijbewijs beschikte. Als het in het echt zou zijn gebeurd had ik doodsangsten uitgestaan. Maar in de droom had ik het volste vertrouwen in zijn stuurmanskunsten. Hij reed als een dolleman, en ik voelde me veiliger bij hem dan ik me ooit heb durven voelen. Hij was immers onzeker, toch? Heb ik hem onderschat, of word ik hiermee nieuw vaderschap in mezelf gewaar? Meer vertrouwen dat er “daar vanbinnen” wel iets weet welke kant het op zal gaan.

Ik ben benieuwd wie of wat ik vannacht ontmoet….

Als Op Het Leidseplein

Zondagmorgen 21 februari, zeven uur. En de merel zingt. Buitengewoon vroeg dit jaar. Maar kennelijk kan hij zijn vreugde over het plotselinge begin van de lente niet meer binnenhouden. Het was ook lang geleden dat hij zo’n kou had meegemaakt. Overal sneeuw, ijs, harde ondergrond. De meeste van zijn soortgenoten hebben het zelfs nog nooit ervaren. Zo diep in je veren weggedoken zitten en dan nog beven van de kou. Niet wetend of het ooit nog overgaat.

En nu zingt hij uitbundig van spelen en liefde, versieren, afgewezen worden, veroveren en paren. De hormonen gieren door zijn lijf. En het mág weer. Voor de merel geen lockdown of avondklok. Anarchie en levenslust in de toppen van de bomen.

Toen ik klein was hoorde ik mijn moeder dikwijls zingen: “Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan, dan gaan we kijken naar het sprookje, lieve schat!” Het schiet me de laatste tijd vaak te binnen. Dit liedje van zoet verlangen, uit de donkerste tijden die haar generatie heeft meegemaakt. De hongerwinter, toen het koud was, en donker, en uitzichtloos.

Ze vertelde me erover. Hoe de mensen in de avonduren moesten binnenblijven. En hoe de ramen verduisterend werden. De straatlantaarns gedoofd. Nergens was nog licht te zien. Geen teken van leven. De dreunende dreigende bommenwerpers die in de duisternis overvlogen mochten niet zien waar ze hun dodelijke last moesten lozen.

Nu is er weer een avondklok. Er is geen honger, en er zijn geen bommenwerpers. En achter de ramen brandt licht. Maar iets van het verlangen naar een wereld die weer opengaat, herken ik. En vooral voor de jongste vogels die ernaar verlangen om uit te vliegen en de wereld te verkennen. Gelukkig is er muziek, en zijn er liedjes. Zoals toen.