Stoom

20170211_105850

“Er is een hoofddouche, zijdouches en voetmassage, waterval en een pulserende douchefunctie” staat te lezen in de verfrommelde en gescheurde handleiding.

Ik heb hem ook al op de site van het huisje gezien, maar nu, koud op Ameland gearriveerd kan ik het desbetreffende apparaat met eigen ogen bewonderen. De Computergestuurde Stoomgenerator. Naast de ultramoderne keuken en het diepe bad dé trots van de eigenaars.

Waar is de tijd gebleven dat we ons tijdens het jaarlijkse waddenweekend nog moesten (of wilden) behelpen met tochtige, vochtige slaapkamertjes, klapperende deuren, gebarsten gootsteentegeltjes, gebutste pannen en een piepkleine badkamer met geknakte douchekop en beschimmeld douchegordijn.

Na een verfrissende wandeling door een ouderwets winters kaal duinlandschap besluit ik me er toch aan te wagen. Een stoombad om de verstopte luchtwegen weer open te maken. Weldadige warmte voor verstijfde ledematen.

Het blijkt nog niet zo eenvoudig. De handleiding is niet voor niks verfomfaaid. Andere eilandgasten hebben er ook mee geworsteld. De volledig waterbestendige afstandsbediening doet het bijvoorbeeld niet. Dus om de diverse elementen met heet water door te sproeien – aangeraden teneinde de kans op een legionellabesmetting tot een minimum te beperken – moet ik de knoppen handmatig bedienen. Hetgeen betekent dat ik de kraan van de hete massagesproeiers alleen aan en uit kan zetten als ik de schuifdeuren vliegensvlug open en sluit, waarbij ik, met mijn kleren nog aan, word aangevallen door een woeste straal.

Desalniettemin, een half uurtje later is alles er klaar voor. Ik ga in de cabine zitten. Stoom en stromend water voeren me een droomwereld binnen. Op het bedieningspaneeltje ontdek ik met half geloken ogen nog meer ongekende mogelijkheden. De kleurenmassage bijvoorbeeld. Afwisselend word ik omgeven door blauw, groen of rood licht, waardoor ik me even in een aflevering van Baantjer waan. “Moord in het bordeel” of zoiets.

Dan, overmoedig geworden, of bedwelmd door de warmte, doe ik iets wat ik beter niet kan doen. Naast het knopje van de telefoonfunctie (blijkbaar kun je vanuit deze positie ook bellen) zit de bediening van de ingebouwde waterbestendige radio. Ik, stommeling, druk er op. En van het ene op het andere moment blaast hij me met orkaansterkte uit mijn betovering: André Hazes. “Met bloed, zweet en tranen, zei ik rot hier nu maar op”. Dit komt niet meer goed.

Mare Nostrum – Onze Zee

20161228_112410

Schijnbaar boven tijd en plaats verheven. De wenteltrap op, de zware schuifdeur door, en dan, vanaf het kleine balkon het uitzicht. Waddenzee links, IJsselmeer rechts, Holland achter me, voor me Friesland. En deze dijk daar tussenin. Wie uit verre buitenlanden Nederland bezoekt, beschouwt deze plaats als een wereldwonder. De zee bedwongen, het land verbonden.

Voor mij is het anders. Vooral een rustpunt waar ik regelmatig even stilsta. Als ik de reis tussen de Randstad en Friesland weer eens maak. Alsof ik tussen deze twee werelden half droom. Ik ben niet hier, ik ben niet daar. Niet bij mijn oude ouders en bij de vrienden van mijn geboortegrond met alle veelkleurige herinneringen en ballast. Ook niet bij mijn gezin en mijn werk, met alle dynamiek, verbondenheid en verantwoordelijkheden.

Alléén maar híer zijn, deze windstille tijd tussen Oud en Nieuw. Geen 2016 meer. 2017 nog oningevuld. Hoe ingevuld ben ik, zijn wij? Is er links en rechts voldoende wilde zee en open water? Is er een rechte weg voor ons? Een “bestemming” of een pelgrimage naar ergens achter de horizon? Verknocht aan wie ons liefheeft, verstrengeld met wat achter ons ligt? Hoe vrij zijn we om te gaan en te staan? Te bewegen, te dromen, te groeien? Om soms alléén te zijn en dan weer in veilige omarming.

Een eeuwigheid geleden: kind op een grote steen aan de oever van de Westeinderplas. Het kabbelen van het water onder mijn voeten. Niemand weet dat ik hier ben, verscholen tussen het riet. Achter me de polder, de koeien, schapen, vertrouwde moedergrond. Vóór me zeeën onbestemd verlangen.

In dezelfde sfeer luister ik naar “Mare Nostrum” (Latijn voor “Onze Zee”) van Jan Lundgren, Paolo Fresu en Richard Galliano. Melodieën en harmonieën voeden melancholische zeestromen van dromen, verdriet, heimwee, hoop en hartstocht. Stroom je mee?

Geen Hand Voor Ogen

20161226_200223

Hoogwater bij Zwarte Haan. En donker, aardedonker. Hoor het water, maar zie het niet. Vermoed links naast mij het hek dat het geasfalteerde stuk van de dijk scheidt van het gras, waar normaal de schapen lopen. Hoor opspattende golven, proef af en toe zoute druppeltjes. En pas na een paar honderd tastende stappen langs het schuine oppervlak, met de snoeiharde wind in mijn gezicht, beginnen mijn ogen iets meer te onderscheiden. Schuim op water, dichterbij dan ik dacht. En ergens in de verte, geruststellend, het licht van vuurtorens. Ameland en Terschelling. Boven dit alles talloze sterren.

Gisteren was ze teleurgesteld. Eerst nog zo trots op haar “glow-in-the dark-stars”, zelf op het plafond boven haar hoogslaper geplakt. En besloten dat ze deze nacht zonder nachtlampje zou kunnen. “Pappa, ik ben niet meer bang in het donker, want dan kan ik naar mijn sterren kijken!” En toch, een uurtje later, een beteuterd “Ik ben tóch bang”. Zo bang, dat behalve het nachtlampje aan, ook de deur naar de overloop open moest. Hoeveel donker kun je verdragen?

Betrap me erop dat ik dit vaker doe: juist met overal kerstverlichting en gezelligheid, zoek ik het donkerste donker op. Een soort oerbehoefte. Ik word er ook niet bang van, als mijn dochter. Voel me – ik vind het zelf ook wel een beetje gek klinken – juist geborgen in het duister. Ondanks of misschien dankzij onnoemelijke kleinheid onder die enorme hemel, op de grens tussen vlak leeg land en ontembaar eindeloos water.

Aan de binnenkant van de dijk was nauwelijks plek om te parkeren. Door de stalraampjes van het in dit gehuchtje gevestigde restaurant zag ik de oorzaak daarvan aan lange en kortere tafels zitten. Het Tweede Kerstdag-diner. Zouden ze, tussen de kwarteleitjes en de eendenborst af en toe het geloei van de wind gewaarworden? Het donker, het water. De eeuwige dreiging ervan. En de oneindigheid van de sterren boven zee en land?

Als ik weer in de auto stap, na een uur in deze nachtelijke stormwind, zet ik een CD op. Niets mooier om deze wandeling mee te onderstrepen dan Oblivion van Astor Piazolla.

Beste Meneer Snor

SUV (2)

Beste Meneer Snor,

U zult wel geschrokken zijn dat ik vanmiddag ineens met mijn fiets bij Uw auto verscheen. U stapte uit Uw beige SUV, Uw trots, waar U jaren voor hebt gespaard. Of misschien heeft U hem nog niet eens afbetaald en is hij van de bank, of van Uw schoonouders. Nee, het was niet het exemplaar dat hierboven staat. Dat is een echte. Die van U was van een B-merk. Maar dat maakt mij niet uit. Ik vind ze allemaal even weerzinwekkend. Hoe dan ook; ik stond plotseling naast U. Mijn ogen zullen vuur gespuwd hebben. En uit mijn mond kwamen allesbehalve vriendelijke klanken.

Nu was ik ook wel een beetje geschrokken dat U met een snelheid van minstens zeventig kilometer per uur door de woonwijk vlakbij school stoof. Met gierende banden de bocht om, terwijl er kinderen aan het spelen waren en er een oude man langsfietste. Maar ach, ik moet U toch Uw pleziertje gunnen. U hebt vast hard gewerkt, en U hebt het druk gehad. U bent op weg naar huis, U verlangt er misschien naar Uw vrouw weer te zien. Of U ziet er juist tegenop; dat kan natuurlijk ook. Ik zag U parkeren aan het eind van de straat. Jemig, wat fietste ik hard. Keek ik zelf eigenlijk wel uit toen ik naar U toe spurtte?

In ieder geval ben ik geschrokken. Van U, maar minstens zo van mezelf. Dat mijn brein blijkbaar in staat is om op zo’n moment zoveel taal voort te brengen. En zo hard ook. “Vind je dat normaal, terwijl hier kinderen spelen, om als een bezetene door de straat te scheuren in dat lelijke ding van je!” U keek me alleen maar vuilaardig aan en zei “Hoi”, op een, in mijn oren wat venijnige toon. Ach ja, U heeft ook gelijk. Ik had U niet ongevraagd moeten tutoyeren.

Daarna had ik natuurlijk mijn mond moeten houden, maar ik hoorde mezelf zeggen “Wat hoi? Niks hoi! Ik hou je in de gaten, vuilak, je moet niet denken dat de hele wereld van jou is!”. Toen verdween U in een portiek. Met Uw snor. Wat heeft U gezegd tegen Uw vrouw. “Wat me nu toch overkwam. Werd ik uitgescholden door een rooie baardaap!” Of heeft U niks gezegd, omdat Uw vrouw misschien al honderd keer tegen U gezegd heeft dat U rustiger moet rijden, en dat er nog eens ongelukken van komen?

Ik schaam me natuurlijk. En ik heb het thuis wél verteld. “En, denk je dat het iets heeft opgelost?” vraagt mijn vrouw aan me. Nee, natuurlijk niet. Ik heb wél gevoeld dat er ook in mij een flinke stoot agressie zit. Is dat nou de testosteron? En gaat die woede eigenlijk wel over dit voorval? Zijn er misschien andere, diepere dingen die ik eronder houd? En heb ik geen boter op mijn hoofd? Want ik betrapte mezelf er laatst ook op dat ik illegaal via de verkeerde rijrichting een parkeerplaats opreed omdat ik om duizend redenen haast meende te moeten hebben.

Beste meneer snor, ik wens U nog een fijne avond. En dat U morgen weer veilig op weg gaat met Uw gouden kalf. Kan het voortaan wat zachter? Dan zal ik dat ook proberen.

Schaapachtig

schaap en vogel

Easterskar, bij Heerenveen, een donderdag in oktober. Eén van de eerste herfstdagen dit wonderlijke jaar, waarin de late zomer maar niet wilde wijken. Nu is het guur, ook in mijn hoofd. Of het door de port van gisteravond komt, of door de weerbarstigheid van de kinderen vanmorgen weet ik niet. Of welt het op het uit de krochten van mijn ziel? Is het melancholie, boosheid, bezorgdheid of onbestemd verdriet? Guur is het in elk geval als ik de auto parkeer en het wonderlijk moerassige landschap betreed.

Ik loop in stilte, mijn kop bonkt bij iedere stap die ik op de drillende veengrond zet. Langs de berken en het riet, het vettige water in de sloten. Richting de vogelkijkhut waar vandalen het glas uit de raampjes hebben geslagen zodat het er tocht als een oordeel. Ik loop maar gauw door. Geniet ik doorgaans van de lange wandelingen die ik op de schaarse lege ochtenden maak, vandaag is het een zwoegen, geploeter. Er willen mij geen creatieve gedachten, hoopvolle melodieën of gloedvolle betogen te binnen schieten. Ik loop met mezelf en ben mezelf tot last.

Dan, ergens halverwege de route, waar het pad me over een stukje extensief begraasde weidegrond voert, strompelt me een schaap tegemoet. Blaat een keer of twee naargeestig, en loopt dan voor mij uit, alsof het mij wil leiden. Vijftig meter verder blijft het staan. Het begrip “schaapachtig kijken” krijgt nu volle betekenis. Zeker een halve minuut staren we samen naar de vogel die uitgestrekt op de grond ligt. Ik maak een paar foto’s, terwijl er langzamerhand wat consistente gedachten zich een weg banen door mijn brein.

20161013_095310

Was ik een vogelaar, dan zou ik de naam weten. Misschien zelfs kijken of het prachtige gave dier soms geringd of gechipt is. Misschien de doodsoorzaak achterhalen. Ik ben geen vogelaar. Zie alleen maar een onwerkelijk beeld. Een mank schaap en een chagrijnige man turen naar zo’n mooi dier, in volle vlucht neergestort. Neergeschoten? Hartinfarct? Hersenbloeding? Kunnen vogels een hersenbloeding krijgen? Mensen wel. Die zie ik elke dag. Ook in volle vlucht neergestort. Jonge mensen, in de bloei van hun leven, die de dag ervoor ook lange wandelingen maakten, kinderen naar school brachten.

Ik loop door na deze ontmoeting. Laat de vogel liggen. Over een uur hebben zullen de kraaien er wel aan begonnen zijn hem te verorberen. Het manke schaap loopt achter me aan en sluit honderd meter verderop aan bij zijn kudde. Ik voel opluchting als ik de auto bereik. Naar huis. Koffie.

20161013_095329

Pappa, Is Sinterklaas Echt?

IMG-20161010-WA0001

“Pappa, is sinterklaas echt?” vraagt Vera aan tafel. Ik heb geleerd om bij dit soort vragen de bal terug te kaatsen, dus ik zeg: “Hoe denk je er zelf over?” “Sinterklaas is een verhaal, en verhalen zijn best echt”, zegt ze, met een lichte ondertoon van twijfel in haar stem. Al is het nog maar half oktober, ze weet nu al precies welke festiviteiten er de komende maanden aan komen. Eerst Sint Maarten, dan Sinterklaas, dan Kerst.

Minder dan een minuut later vraagt ze dan ook of wij in God geloven. Zijn die verhalen echt? Of zijn verhalen verhalen? Zoals Pinkeltje. Ik heb er wel mijn volwassen gedachten over. Dat verhalen misschien niet echt gebeurd zijn, maar dat ze dan nog wel waar kunnen zijn. Maar dat is vast een te ingewikkeld antwoord. Een soort theologisch antwoord. Iets waar ik mijn eigen geweten een beetje mee verdoof. Want voeden we onze kinderen niet teveel op met ofwel te weinig vaste waarden, ofwel teveel dichtgetimmerde ideeën? Moeten we antwoorden geven of met een mond vol tanden blijven staan? Gelukkig verandert ze van onderwerp voordat ik klaar ben met nadenken. “Gaat dat blousje weg? Dat is te klein en ik vond het toch al niet meer mooi!”

Vandaag hoorde ik dat “The Passion” komend jaar vanuit Leeuwarden wordt uitgezonden. Ik zie nu al voor me hoe Jezus straks na zijn verrijzenis de Achmeatoren abseilt. Ben wel benieuwd wie die rol gaat spelen. De onvermijdelijke Syb van der Ploeg is in 2011 al eens Messias geweest, dus die veilige weg hoeft niet te worden bewandeld. Ik hoop dat de anti-autoritaire Friezen nu eens voor een originele keuze gaan. Een vrouw bijvoorbeeld. Een roodharige lesbische vrouw van boven de zeventig die níet kan zingen. Kijk, dan maak je een statement. Een verhaal. Om in te geloven, of om er een beetje van in de war te raken. Misschien moet religie dat allebei een beetje zijn: troost en verbinding en veiligheid geven. En tegelijk de boel eens flink opschudden.

Het worden boeiende maanden. Toen Vera en Jonathan afgelopen maandag trots naar beneden kwamen in Sint-en Piet-uitdossing moest ik onwillekeurig aan pastoor Thomas en Riet denken. Mijn oude originele pastoor Thomas die samen met zijn trouwe maar even eigenzinnige metgezel Riet ieder jaar zorgden voor schmink en kostuums van talloze Klazen en Pieten in de wijde omgeving van Leimuiden. In het Witte Weekblad elk najaar de advertentie: “Sint bestellen, Thomas bellen. Wilt U Piet, bel dan Riet!” Dat deden ze naast hun bloedserieuze pastorale taken. Ontheemden opvangen, zieken bezoeken, Gods woord verkondigen en niet te vergeten vlierbloesemwijn vervaardigen en rijkelijk uitschenken. God met een lach en een traan, echt én fantasie tegelijk. Humor en ernst ineen.

Dus bestaat Sinterklaas nou echt? En God? En verhalen? Voor mij wel, als ze ons een beetje losweken uit de snelle wereld van nut, haast, efficiency, vastgeroeste meningen en oordelen. Als ze liefde, vrijgevigheid, troost en fantasie aan het licht brengen. Met een knipoog en vooral met veel liederen en muziek. Dan hoop ik dat onze kinderen er nog lang in geloven.

Dans!


Los

Dans en weet dat je bestaat
dans een dans op hete kolen
dans de gaten in je zolen
dans tot de planeet vergaat

dans tot alles is gezegd
dans tot je de tijd vergeet
dans zoals je ademhaalt
dans tot je de weg weer weet

dans om nooit meer stil te staan
dans de sterren en de maan
dans de bomen en het bos
niets meer vast en alles los

(Ingmar Heytze)

Afgelopen maandag kreeg ik zomaar een cadeautje. Ik was met een collega in Ede op een congres voor muziek en zorg om een workshop te geven. Maar voorafgaand daaraan mocht ik zelf ook een andere workshop bijwonen. Ik koos er op de gok één waar nog plek was. Andrew Greenwood zou iets vertellen over muziek en beweging bij mensen met MS, Reuma, Parkinson en Alzheimer. Ik verwachtte een informatief verhaal, met een enkel filmpje of een pakkende casus. Wellicht bruikbaar voor mijn eigen werk. Maar ik heb gedanst, bijna anderhalf uur lang. Met handen en voeten, met mijn buik en mijn nek, mijn voeten en mijn vingers. Met voortdurend een lach op mijn gezicht een een brok in mijn keel. Wat een ervaring.

Greenwood, een Brit, en voormalig professioneel danser, “balletmaster”, heeft een jaar of vier jaar geleden zijn roeping ontvangen, toen een goede vriend op zijn zevenendertigste de diagnose Parkinson kreeg. Ze zijn gaan dansen, om te ervaren hoe ze vorm zouden kunnen geven, hoe ze de blokkades met muziek en beweging zouden doorbreken. Ze zijn het samen, voor en mét anderen gaan doen. “Dance for Health” heet hun project. Met dus onder andere Parkinsonpatiënten, samen met professionele dansers. Workshops en uitvoeringen met bekende dansgezelschappen. Lerend van elkaar. En voor het eerst, na bijna veertig jaar dansen, zo vertelde hij, danst hij van binnenuit. Niet voor de buitenkant, niet voor de perfectie, maar vanuit zijn passie en zijn hart.

Wij, twintig deelnemers, zaten in een halve cirkel tegenover hem. Hij had een laptop met geweldige muziek, met jazz, met klassiek, met meditatieve en opzwepende klanken bij zich, en hij liet ons bewegen. “You beautiful dancer, dance for me a jellyfish” zei hij, waarbij wij onze handen als het zeedier op en neer bewogen. We dansten een dolfijn, een zonsopgang en een krokodil. En ik voelde iets wat ik al jaren weet, maar wat ik een beetje ben kwijtgeraakt: muziek is dans en dansen is vrij zijn.

dans

Ik leerde het als jochie, als ik op een feestje naar mijn vader keek. Nog voordat ik het een beetje gênant begon te vinden dat hij zo losjes met zijn heupen kon bewegen. Ik danste met hem mee. Ik was trots op hem en ik durfde meedoen. Toen ik puber was danste ik ‘s avonds wel met mijn moeder, die me altijd heeft geleerd dat dansen leven is, in de woonkamer. En ik leerde dus dansend leven, met de Foxtrot en de Weense wals, hoewel dat misschien niet zo bij mijn toekomstperspectief als priesterstudent paste.

20150112_135628

En één van de eerste dingen die ik deed nadat ik de toch stoffige, en weinig lichamelijk/passionele wereld van de theologie verlaten had, was op dansles gaan. Weliswaar braaf stijldansen in keurig Zeist, maar toch. Ik heb de Engelse Wals, de Tango, de Rumba en de Merengue gevoeld. En het lekkerste ging dat op vrije dansavonden, na een biertje. Met mijn danspartner van toen.

20160929_195725

Muziek heb ik altijd, maar ik vergeet zo vaak te dansen. Maandag voelde ik weer: dansen is leven. Zal ik het op mijn drieënveertigste aandurven om het weer meer te gaan doen. Stijldansen, een wilde Tango, een plechtige Engelse Wals. Of vrij en onbeteugeld? Me niet afvragen of het er een beetje uitziet? Zoals Vera wel eens doet als ik piano speel. Zingen met je lijf, licht op muziek gezet. In elke geval heeft Andrew Greenwood me geraakt en geïnspireerd. Iedereen kan dansen, en als je dans uit je hart komt, ben je mooi:

Een Weg Terug, Een Kamer Voor Me Klaar

20160917_21561120160915_161359

Vijfentwintig jaar later, en minstens vijfentwintig kilo zwaarder. Zoek gerust meer dan tien verschillen. Maar als ik er op deze hete donderdagmiddag 15 september 2016, na een wandeltocht van ruim dertig kilometer sta, voelt het even alsof ik in de tijd terug ben. De voordeur van Vronesteyn, priesteropleiding in Voorburg, gaat wagenwijd voor mij open. Walter, mijn medestudent van toen, nu rector, laat mij binnen. Ik ruik dezelfde geuren, mijn hand vindt vanzelf de deurklink naar het halletje, en ik moet me bedwingen om niet in een impuls het tweede postvakje linksonder open te schuiven. Er staat een andere naam op. Geen post meer voor mij.

Het oude huis omarmt me na deze pelgrimage. ‘s Morgens ben ik voor dag en dauw van Leeuwarden naar Leimuiden gereden, om daar om acht uur vanaf het kerkplein de wandeling aan te vangen. De weg die ik vijfentwintig jaar geleden ging. Toen op de fiets, of in de auto met mijn vriend Martien. Nu lopend, om traag en aandachtig te kunnen gaan. Om tot me door te laten dringen wat het echt betekende. Die tijd van omvorming, groei en pijn.

20160915_161057

Weliswaar heb ik al veel gedacht en geschreven over Vronesteyn, over de vrolijke anekdotes en over heimwee en twijfels. Maar durfde ik het gevoel eronder aan te raken? Me erin onder te dompelen? Om een eerlijk verhaal te kunnen vertellen, met nuances, en met het risico dingen te ontdekken over mezelf? In een opwelling schreef ik laatst aan Walter: “Mag ik eens komen logeren?” En zonder voorbehoud klonk er een gul en warm “Ja natuurlijk, meer dan welkom, we maken een kamer voor je klaar!”

Door Rijnsaterwoude ga ik in de morgen. Ik kijk naar de huizen, waar inmiddels anderen wonen, waar vroeger vertrouwde gezichten handen opstaken. “Daar gaat Piet, hij gaat weer naar het seminarie”, zullen ze tegen elkaar hebben gezegd. Nu ben ik een anonieme passant met een rugzak, hoewel ik ook een paar korte ontmoetingen heb, een enkeling die mij herkent en met wie ik een paar hartelijke zinnen wissel. Dan door Woubrugge, waar ik koffie drink in het huis van pastoor Van Zoelen, nog maar zo kort geleden doodgegaan. Zijn huisgenoot en ik halen herinneringen op. Een betekenisvolle halte. Door Hoogmade, waar ik ook nog dirigent en organist ben geweest, en Leiderdorp, waar ik mijn vertrouwde geboortestreek echt achter me laat.

20160915_145209

En vanaf Leiden, langs de Vliet, ga ik het voelen. De vochtige hitte van deze vervreemdend warme septembermaand. De vertrouwde route die zo onvoorstelbaar is veranderd in die kwarteeuw. Van boerenland naar recreatiegebied. Een file van rijkeluissloepen op het water. Maar vooral voel ik een borrelend mengsel van verlangen en spanning in mijn buik. Leidschendam nadert, het sluisje, en dan al spoedig de spoorbrug, waarmee ik de Vliet oversteek, om via een trap en een tunneltje middenin het Voorburgse wijkje “Park Vronesteyn” te belanden. Een paar bochtjes om nog. En daar ben ik dan.

Ik krijg tijd om te acclimatiseren. Na een douche vind ik de piano in de eetzaal. Ik speel een paar akkoordjes als toen. En een student van nu komt kennismaken. Ik ontmoet ze in de loop van de avond allemaal. Zes jongens, in diverse stadia van hun ontwikkeling, met verschillende achtergronden, allemaal gelovig, en allemaal weer op een andere manier. De een praktisch, de ander bolleboos. De een nuchter, de ander gepassioneerd. Net als wij toen waren. Ik bid en zing het avondgebed mee, eet mee. Niet plechtig zoals vroeger in de eetzaal, maar lekker informeel buiten. En wie zin heeft in een biertje gaat dat gewoon zelf uit de koelkast pakken. Ik ook, en ik weet zowaar na al die tijd nog feilloos waar de opener ligt.

20160916_112410

Hoe vertrouwd het huis en zijn sfeer ook zijn, ik proef ook onmiddellijk verschillen. Het is er open nu en luchtig, en ik heb niet het gevoel steeds op mijn hoede te moeten zijn. Ik meen te zien dat deze jongens dat ook niet zijn. Mijn rector van vroeger was helaas een emotioneel geremde en vergroeide man, die bang was voor echte nabijheid. De rector van nu nu doet het, op kennis en intuïtie heel anders. Ik zie hem met de jongens omgaan zoals een vader met zijn adolescente en volwassen kinderen omgaat. Het ontroert me.

“Zou je, als de leiding destijds anders was geweest, misschien wél priester zijn geworden?” wordt later op de avond aan me gevraagd. Ik vermoed van niet, want de weg die ik gegaan ben heeft me naar het vaderschap geleid. En dat zou ik niet willen missen. En in mijn werk en mijn leven van nu voel ik dat ik dichtbij mijn bron en mijn kern ben. Het past ook beter bij me om me qua geloofsbeleving aan of over de rand van de kerk op te houden, en niet in het centrum ervan. Teveel hoofdletters daar, te weinig twijfel en transparantie.

Nee, heimwee naar mijn priesterideaal heb ik niet. Ook al omdat ik het verplichte celibaat een ongezond fenomeen vind. Ik heb teveel goede, lieve, getalenteerde priesters gekend die eraan ten onder zijn gegaan. Eenzaam en wanhopig verslaafd aan drank of aandacht.

20160916_091435

Maar tegelijkertijd voel ik hier, in dit oude huis de warmte van een groep jonge mannen die elkaar voeden en dragen in hun ideaal. Met wie je het zomaar over kwetsbaarheid en God kunt hebben. Die, net als ik, wars zijn van materialistische bezitsdrang en het nuttigheidsdenken van onze dagen. Die het aandurven om dwars tegen de hoofdstromen in te gaan. Ik voel respect voor ze, en ik ben er trots op dat ik hiervan deel uit mocht maken. Ik voel me gekend en gezien, al is het alleen al om hun gulle lach als ik de smakelijkste verhalen van toen vertel.

Ik slaap er, vier vrijdagmorgen de Mis met hen, blijf na het ontbijt nog hangen tot de koffie. De studiecoördinator van nu, met wie ik kennismaak, is een vrouw. De rector is een vader. Wat een betere tijd. En wat gun ik deze oprechte jongens goede jaren onder dit dak. En vooral: dat ze in openheid en veilig mogen groeien. En dat ze nog net zo gekoesterd en gestimuleerd mogen worden als hun groei, hun levensweg hen eventueel niet naar het priesterschap zou leiden. Niet die krampachtigheid en benauwdheid van toen. Maar creatieve ruimte voor het Geheim dat we ook wel God noemen. Die soms heel iets anders voor ons in petto heeft dan wat we zelf hebben bedacht.

Voor ik vertrek haal ik mijn rugzak uit de logeerkamer. Via het trappenhuis dat naar het studentenverblijf voert. Ik betrap mezelf erop dat ik nog precies weet waar het kraakt. Ik voel mezelf twee, drie treden tegelijk nemen. In de enthousiaste huppelbeweging van toen. Ik ben er gelukkig geweest. Misschien ben ik er iets te lang gebleven, toen de twijfels aan me knaagden en ik ze angstig inslikte en verborgen hield. Maar toch: ik ben hier ook gelukkig geweest. Dankbaar trek ik de deur achter me dicht.

20160916_111643

“Captain Fantastic”: De Wereld Omgekeerd

Captain Fantastic

Het lukte zowaar gisteravond om ons los te rukken uit de vanzelfsprekendheid. We hadden oppas geregeld voor een afspraak die niet doorging, en zo hadden we ineens een avond voor onszelf. Het werd het Filmhuis, waar “Captain Fantastic” draaide.

Zo’n film die ik me over twintig jaar nog verwacht te herinneren. In elk geval heeft mijn onderbewuste er nogal wat van opgestoken, want ik heb er de hele nacht van gedroomd. Dat ik met mijn eigen kinderen in een groot bos woonde en hen met pijl en boog leerde schieten. En dat we met elkaar zongen bij een kampvuur. En rondtrokken in een verbouwde oude schoolbus.

Niet dat ik mezelf tot dergelijke buitenissigheden in staat acht, maar het weerspiegelt wel een stil en oud verlangen: de wereld omgekeerd. Het loslaten van de zogenaamde norm. Aandurven om het anders te doen.

De hoofdpersoon, Ben, voedt zijn zes kinderen op in een zelfgebouwde en zelfvoorzienende nederzetting in een afgelegen bos. Met bewonderenswaardige discipline leert hij zijn kinderen alles wat hij meent dat ze nodig hebben. Fysieke training, jagen, overleven, maar ook filosofie, talen, exacte wetenschap en literatuur.

Het zijn stuk voor stuk prachtige, eigenzinnige en fascinerende mensen. Ben zelf, en meer nog zijn drie jongens en drie meisjes. Alleen is zijn vrouw Leslie er niet bij. Ze blijkt ver weg in een ziekenhuis te liggen, geestelijk ongeneeslijk ziek. Ze sterft al snel en het verhaal gaat voornamelijk over de verwikkelingen rond haar begrafenis, waar Ben en de kinderen eigenlijk niet welkom zijn. De vader van Leslie geeft Ben en hun levenswijze namelijk de schuld van haar dood.

Ze gaan toch, met hun bus, en die reis zet van alles op zijn kop. Hun eigen veilige leven in het bos wordt verbroken. Vooral de kinderen komen voor het eerst in contact met de buitenwereld. En samen zijn ze een ongemakkelijke verschijning in de keurige rijke omgeving waaruit Leslie is opgegroeid.

Pijnlijke en hilarische momenten wisselen elkaar af. En hoewel het een volstrekt onrealistisch verhaal is, blijft het wel geloofwaardig, vooral door het ontroerend mooie spel van de kinderen, en het ambivalente, in wanhoop en kracht gedoopte personage van Ben, gespeeld door Viggo Mortensen.

Het zijn geen statische personages. De kinderen ontwikkelen zich gaandeweg de film, en ook de rigide lijkende “Captain” zelf wordt omgevormd door de pijnlijke confrontatie met zijn eigen blinde vlekken. En als duidelijk wordt waarom hij deze levenswijze heeft gekozen – uit liefde, uit wanhopig verlangen te helen wat niet geheeld kon worden – krijg je medelijden en respect.

Waarschijnlijk haalt een ander heel andere thema’s uit de film. Ik haal er natuurlijk vooral datgene uit wat aanhaakt bij míjn persoonlijkheid, mijn dromen, mijn angsten, mijn gedachten en gevoelens. Bijvoorbeeld dat er moed voor nodig is om de zuigende werking van de consumptiemaatschappij te weerstaan. Maar ook dat ook de meest krachtige persoonlijkheden kwetsbaar zijn. En dat er pas groei mogelijk is als die kwetsbaarheid gezien mag worden. Dat er altijd een ander perspectief is om naar hetzelfde te kijken. Dat zwart-wit eigenlijk niet bestaat. En dat “zijn” veel wezenlijker is dan “hebben”.

Verder moet je hem gewoon gaan kijken. Een beetje een sterke maag hebben is wel een voordeel. En de bereidheid om het verhaal als een parabel voor je eigen leven te durven zien. Een omgekeerde wereld. Dan heb je een mooie avond die je bijblijft. En, oh ja, de Telegraaf heeft een vernietigende recensie gepubliceerd. Een betere reclame kun je je als maatschappijkritische filmhuisfilm toch niet wensen, lijkt me.

Met Mijn Ogen Dicht

20160630_112158

In Leimuiden weet iedereen wie ik ben, maar hier, tijdens mijn eerste dagen op Vronesteyn moet ik nog iemand worden. ‘s Avonds speel ik in mijn kamertje op het blikkerige keyboard, terwijl ik naar de foto van “mijn” orgel in Leimuiden kijk. Is de God die hier in de modern en sober ingerichte kapel wordt aangeroepen dezelfde God die in mijn Sint Jan de Doper in mijn geboortedorp woont? Die als ik ’s avonds tegen zonsondergang op het orgel speel door het glas-in-lood naar me knipoogt. “Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen”.

Er is geen veiliger plek dan deze. De geuren van gewreven eikenhouten banken, gedoofde kaarsen, wierook en verse bloemen. Het orgel waarachter ik vanaf mijn elfde jaar zoveel tijd doorbreng. Soms studeer ik de mij opgegeven stukken uit “Old English Organ Music For Manuals”, meestal improviseer ik wat op de liedjes van komend weekend. Tussendoor ben ik stil en staar dromend vanuit die hoogte de kerk in. Af en toe slaat de klok. De geluiden van buiten dringen slechts gedempt door. Het grote glas-in-lood-raam in de toren heeft één vensterglaasje waar ik, als ik op een bankje ga staan, doorheen kan kijken. Ik zie de Willem van de Veldenweg waar bekenden voorbijfietsen. Soms komt er iemand het kerkbruggetje op om naar het kerkhof te gaan. Ze zien mij niet. Voor hen ben ik er niet. Ik ben alléén. En ik vóel me níet alleen. Want voorin de kerk brandt de godslamp. Ik heb geknield voor het tabernakel toen ik de kerk binnenkwam. Het gewelf omarmt me met oneindig wijde armen.

Het grote orgel gehoorzaamt mijn twaalfjarige vingers. Wat in mijn hoofd ontstaat, alle variatie op bestaande liedjes, melodietjes, klankwoorden wordt groot en echt als ik de toetsen indruk. Als ik er het machtige Mixture-register bijtrek, of de Trompet. Melancholisch kind dat op de zachte Bourdon iets van tranen of troost speelt. Mijn eigen gevoelens vullen de enorme ruimte en keren tot me terug. Ze omhullen mij, nemen me mee, en zetten mijn vingers weer aan tot verder dromen, fantaseren, spelen. Met mijn ogen dicht, buiten de tijd.

Ook op zaterdagavond, tijdens de Mis, improviseer ik er lustig op los. Mevrouw O., die jarenlang zelf ook speelde, maar er inmiddels te oud voor is, zegt na afloop zuinigjes tegen mijn vader en moeder: “Hij moet niet zo variëren hoor, dat is te parmantig!” Ik krimp als mijn moeder me dat ernstig overbrengt. In haar ogen is mevrouw O. een gezaghebbende autoriteit, en bovendien boerin, wat haar per definitie een hogere rang geeft. Maar mijn vader zegt gelukkig; “Je moet je niks aantrekken van dat ouwe wijf, het is gewoon jaloezie!” Dus varieer en improviseer ik. Theo, mijn jonge leraar, met wie ik eens per week, samen op de orgelbank, over muziek en het leven praat, legt niet teveel nadruk op het studeren. Blijkbaar herkent hij iets van de vrijheid en ruimte die ik nodig heb.

Die lieve verstrooide pastoor Harding die me aan het begin van de avond binnenlaat, nadat ik eerst even heb gebeld of ik mag komen spelen. Hij vergeet soms dat ik er ben. Of dat er dingen zijn die hij vooraf misschien beter even kan vertellen. Op een avond kom ik er na een uur spelen achter dat ik niet alléén ben in de kerk. Ik wil na een poosje spelen mijn benen wel eens strekken en loop een rondje door de kerk. Aan de Leimuidense kant kom ik achterin een kist tegen, met het lichaam van een mij onbekende dode. Ik schrik even, maar ben niet bang. Het zijkapelletje doet wel vaker als mortuarium dienst. Ik loop de trap weer op en speel nog een poosje door, nu ook voor mijn levenloze toehoorder. “In Paradisum Deducant Te Angeli”.

Als het begint te schemeren en ik de kerk wil verlaten, blijkt de pastoor de knippen al op de deur te hebben gedaan. Ik roep door de gang naar de pastorie, maar krijg geen reactie. Hij is vast even ergens op bezoek. En ik ben hier, opgesloten met het lijk. En met de heiligenbeelden en engelen die me omringen. God woont hier zelf, dus waarom zou ik bang zijn? En als het te lang duurt, kan ik altijd de klok nog luiden. Ik weet waar de knoppen zitten. Ik zou ze alle drie aanzetten en het machtige gebeier zou kilometers ver te horen zijn. Even later voel ik toch opluchting als ik de banden van de oude Simca van de pastoor door het grind hoor ploegen. Ik bons op de deur en hij komt me glimlachend bevrijden. Hij zegt: “Je had toch een snoekduik uit het raam kunnen maken!”

Als ik door het donker langs Dijksloot en Drecht naar huis fiets voel ik me anders dan toen ik heen fietste. Ik beweeg vrijer, krachtiger. Ik adem anders, er is ruimte en rust in mij. Ik ben bij mezelf en ik groei. Op school ben ik slim, maar onzeker. Een aparte rooie ben ik, en eenzaam. Thuis is elke dag hetzelfde. Een veilig, maar gesloten huis, waar we elkaar te stevig omklemmen, in armen van houvast. Om zes uur gaat het hek dicht en de deur op slot. De buitenwereld is gevaarlijk. Maar hier ontwaken andere dromen in mij. Misschien word ik organist en volg ik de roep van de muziek. Maar steeds meer is er ook een verlangen vanbinnen dat iets te maken heeft met die omarmende ruimte. Zal ik priester worden? Wonen daar waar woorden en muziek en rituelen wonen, waar de buitenwereld gedempt klinkt, waar het veilig ruikt en waar tegelijk eindeloos plaats is om mezelf te vinden en te verliezen?

Is er, zes jaar later, behalve die foto van het orgel, wel iets van die ruimte met mee meegereisd naar Voorburg? Daar waar het zou moeten gebeuren. Eén van die eerste dagen vertelt iemand me dat theologie studeren betekent dat je alles wat vertrouwd was eerst moet afbreken om te gaan leren waar het echt om gaat. Hij zal wel gelijk hebben, maar de moed zakt in mijn schoenen. Waar ben ik aan begonnen?

20160630_113228