Verbonden

Tot april 2021 stond hij op het kastje. Op een roodbruin kleedje. Prima functionerend sinds 1984. Tot 2007 in het woonkeukentje in Leimuiden, daarna in Serviceflat Driehoorne in Alphen aan den Rijn. Kom er maar eens om, tegenwoordig, een telefoon die langer dan een jaar of drie meegaat.

Kort voordat ik naar de middelbare school zou gaan werd het toch wel tijd voor een telefoonaansluiting, vonden mijn vader en moeder. Want je kon nooit weten wat instanties, conciërges en mentoren van je zouden gaan verwachten. Ineens werd de wereld groter dan Leimuiden en omliggende dorpen. Ik ging straks in Alphen aan den Rijn naar school, meer dan tien kilometer verderop. Dan was het bezit van een telefoon toch wel gerechtvaardigd.

Tot dan toe ging het prima zonder. Eens per week ging mijn moeder naar de telefooncel bij het postkantoor om met de kwartjestelefoon naar tante Ria, Dina of Nel te bellen. Ik mocht in de vakanties mee en ik ruik nog de bedwelmende inktgeur van de lange rij openklapbare telefoongidsen in de hitte van de glazen cabine, terwijl mamma tegen mijn tante zegt “Je hebt zeker al koffie gezet; ik ruik het bakkie!” Ook ik mocht even praten door het wonderbaarlijke apparaat. En dan rook ook ik het “bakkie”, echt waar.

Verder deed mijn moeder nagenoeg alles schriftelijk. Uitgebreide brieven schreef ze naar belastingkantoren, het ziekenfonds en kerkelijke autoriteiten. Met de hand, en plechtstatig van taal. Vol onnodige details. Maar wel in stijl.

Als er dan toch – in noodsituaties – gebeld zou moeten worden, kon ze bij opa en oma terecht, een paar honderd meter verderop. Zij hadden een grijze wandtelefoon in de woonkamer, naast de deur naar de hal. Bij de telefoon hing een gele lijst waar oma belangrijke nummers had genoteerd. “Gerat Ubink” stond er onder andere op. Het duurde even voordat ik door had dat dit mijn oom Gerard moest aanduiden.

De grote veranderingen die plaatsvonden in de eerste helft van de jaren tachtig – dat mijn opa en oma naar de Aarhoeve in Langeraar verhuisden en dat ik naar de middelbare school ging – noopten dus tot modernisering. Een eigen telefoonaansluiting. De man van de PTT joeg mijn moeder op een middag grappend de stuipen op het lijf door te beweren dat hij de hele vloer plus een deel van de binnenmuur zou moeten opbreken voor de installatie. Maar aan het einde van de dag konden wij zomaar ineens bellen. In de keuken. Waar we naast de televisie, de radio, de koelkast en de cavia nu dus ook een verbinding met de buitenwereld hadden.

Voor mijn vader ging er een nieuwe wereld open. Geen idee of hij voor die tijd ooit een telefoon had vastgehouden. En nu kon hij ineens met zijn zussen bellen, vooral met Nel en Rie die verder weg woonden. Nel in Hoogmade, Rie in Den Haag. Hij was merkbaar zenuwachtig op zulke momenten. En hij sprak op orkaankracht door de hoorn als hij vroeg hoe het weer daar was. En of ze nog eens een “daaggie” zouden komen. Binnen drie minuten waren ze uitgepraat.

Ik zie mijn moeder trouwens nog blozen toen bleek dat er ook héél belangrijke mensen konden binnendringen. “Dag mevrouw Koek, U spreekt met bisschop Bär. U heeft een zoon, Piet, die priester wil worden, toch? Kan ik hem even spreken?” Wat een eer.

Het was zo’n beetje de uiterste innovatie die ze hebben toegelaten, naast de noodgedwongen introductie van de kabeltelevisie, toen de etheruitzendingen stopten. Deze bruine draaischijftelefoon was het hipste in huis. Een telefoon met toetsen was een brug te ver. Laat staan een computer.

Ma is, totdat ze in Leeuwarden in het verpleeghuis werd opgenomen, altijd in staat geweest om mij te bellen, ook toen mijn vader al was overleden. Had ze mijn mobiele nummer in haar hoofd, ondanks de Alzheimer? Meestal kon mijn stem haar geruststellen, als ze de wereld even niet meer begreep.

Behalve die ene dag, waarop ze me zo’n vijfentwintig keer belde om te vragen waar toch die “Kleine Pietje” was. “Dat jongetje dat hier altijd rondliep met zijn rode haartjes”. Pas toen ik zei dat hij vannacht bij mij logeerde, kon ze het loslaten. ” Heeft ie nog naar mij gevraagd?” . “Jawel, maar ik heb gezegd dat jullie elkaar morgen weer zien, en nu is hij lekker gaan slapen!”. Die avond zijn we serieus gaan kijken naar een verpleeghuis. Want op een dag zou ook dit haar niet meer geruststellen.

Inmiddels staat de bruine telefoon bij ons op de overloop. Je hebt er natuurlijk niks aan, maar wegdoen lukt me niet. Want als ik de hoorn oppak, meen ik nog wel eens een echo te horen vanuit het verleden: Waar die kleine Pietje toch gebleven is? En waar zijn vader en moeder zijn?

.

Abraham – Liever een ouwe vent?

Van mijn vaders vijftigste verjaardag weet ik niet veel meer, behalve dat het uitbundig en tot in de late uurtjes werd gevierd. Maar die van mijn moeder, op 28 april 1982, staat me nog redelijk helder voor de geest.´s Morgens troffen we buiten, voor het raam van de keuken, een overtuigende Abraham aan, zittend in een een oud rotanstoeltje, ongetwijfeld door mijn oom Gerard in alle vroegte neergezet.

In die tijd van de tweede feministische golf was het overigens mode geworden om voor vrouwen die de respectabele leeftijd van een halve eeuw bereikten in plaats van de klassieke Abraham een pop van diens vrouw Sarah voor het huis te zetten. Maar ma had altijd resoluut te kennen gegeven dat niet op prijs te stellen, onder het mom van “Als het dan per se moet, dan heb ik toch echt liever een ouwe vent dan een oud wijf voor de deur!”

Uiteraard schrok mijn moeder buitensporig theatraal toen ze die ochtend bij het openen van de gordijnen het groezelige ventje gewaar werd. “Oeh, oeh, oeh!”, riep ze, met haar hand over borst wrijvend, schijnbaar hyperventilerend. Als negenjarige schrok ik daar dan weer van. Ik wist uit alle verhalen namelijk dat “oude mensen” zomaar ineens amechtig ter aarde konden storten. Misschien was het nu zo ver? Want vijftig jaar was oud. “Wij zijn al ouwe mensen!” zeiden pa en ma immers regelmatig tegen me. Geen wonder dat ik er niet eens van op keek dat regelmatig aan me werd gevraagd of zij mijn opa en oma waren.

Dat ze beiden nog heel veel ouder zouden worden en ook nog heel lang vitaal zouden blijven, kon ik me op basis van wat me toen werd verteld niet voorstellen. Vijftig was stokoud. Nu ben ik het zelf. Hoe onwerkelijk het voelde dat er afgelopen zondag zo’n bordje op de deur hing, had ik van tevoren niet ingecalculeerd. Overigens was ik wel heel opgelucht dat er geen vier meter hoge opblaaspop voor het raam stond. Zou me kapot schamen. Maar “50” was ook al een heel ding. Ik weet wel dat het “maar een getal” is, maar dat zeggen ze nooit tegen iemand die vijfentwintig wordt, dus helemaal neutraal is het niet. En als mensen zeggen dat ik er nog goed uit zie voor mijn leeftijd, blijft vooral het woordje “nog” in mijn hoofd rondzingen.

Ik ben hoe dan ook wel aan het reflecteren op deze mijlpaal. Want ik merk dat ik toch in een ander gebied aan het binnenwandelen ben. Minder nadruk op “Wat wil ik allemaal worden?” of “Later ga ik dit of dat” en meer een gevoel van “Wat ga ik nú doen?”, “Waar ligt nu míjn schat, waarvan ik kan uitdelen?” en ook “Wat wil ik níet meer?” Ik heb het in ieder geval als levendige wens of voornemen. Minder pleasen, meer achteroverleunen. Minder verbreden en meer verdiepen. En bij dat alles een beetje zorgen dat ik niet verbitter of verstar. En me niet jonger hoeven voordoen, maar ook niet ouder. Alles is immers relatief. Hoera!

Alone Together

woestijnjaren

“Alone Together” heet het nummer van Chet Baker, en dan in de versie met Bill Evans. Het reist al zo lang met me mee. Ik meen dat het verzamelalbum “Jazz Round Midnight” een van mijn eerste CD’s was, misschien al in mijn middelbare schooltijd gekocht. En tijdens mijn periode op de priesteropleiding, en in de “woestijnjaren” daarna, zo’n kwart eeuw geleden, draaide ik het album op alle studentenkamers en personeelsflats waar ik aangespoelde, thuiskwam en weer verdwaalde. Ik ruik er de sigaretten- en sigarenrook en de verschaalde geur van goedkope wijn vanzelf bij.

De eerste verlaten pianoklanken geven me al een soort steek in mijn binnenste, alsof ze me de adem benemen. Niet zozeer pijnlijk, maar ook een beetje lekker. Een donkerbruin gevoel met een lichtgele gloed. Verzachte, gekoesterde littekens die me herinneren aan momenten van intens geluk en intens verdriet. Ik zoek het nummer zo nu en dan weer op om dit gevoel de ruimte te geven. Omdat het onmiskenbaar deel uitmaakt van wie ik nu ben. Omdat de Piet van toen nog in mij zit, en ik hem met al zijn onhandigheden van toen niet kan vergeten of afwijzen.

Is het de eenzaamheid van alle afzonderlijke instrumenten – o, die dwarsfluit ergens halverwege – die zich tóch verenigen in dezelfde melancholie? Alsof alle instrumenten hun eigen allenigheid verdragen vanuit de herkenning en erkenning van een niet sprekende, maar spélende ander, die net zo alleen is, die net zo verlangt naar gezien en geliefd zijn, en die zich tegelijkertijd ook wil terugtrekken in zijn eigen hartepijn? Omdat die onvervreemdbaar van hem is.

Is het dat iets in mijn ziel zich heeft herkend in de intentie van het nummer? Er hoort oorspronkelijk een tekst bij die inderdaad gaat over het delen van de eenzaamheid – samen eenzaam zijn – en daarin herkenning en troost vinden.

Well, I feel that way too
Just the same as you
Like it’s getting worse before it’s getting better
I’ve got troubles of my own
But as long as you’re alone
Stick with me and we’ll be alone together

Is het zoiets als een goede vriendschap, waarin je voelt dat je helemaal thuis bent bij elkaar, en waar je je tegelijkertijd ook gekend weet in je eigen binnen- of zelfkant? Waar de ander zijn eigen licht niet opdringt aan jouw donkerte, maar waar je naast elkaar kunt zitten, zwijgend en luisterend naar wat wel of juist niet wordt gezegd. Zonder oordeel en zonder oplossing.

Waarschijnlijk is het helemaal niet nodig om er woorden aan te geven. En dat het voor mij zo’n warm en betekenisvol stuk muziek is, betekent helemaal niet dat het dat voor anderen ook zo zou moeten zijn. Bovendien voel ik me op dit moment in mijn leven geborgen in liefdevolle verbondenheid. Toch luister ik naar “Alone Together”, misschien wel uit dankbaarheid dat het er al die tijd voor me is geweest, en dat ik me er woordeloos en onvoorwaardelijk door gekend voel:

Het Maal

Het zal rond 2006 zijn geweest. Mijn ouders op bezoek in Leeuwarden. Inmiddels een eind in de zeventig zijn ze nog fit genoeg om af en toe de treinreis naar het noorden te maken. Zo gebruiken ze de zeven jaarlijkse gratis reisdagen die bij hun NS-kaart horen. Ik heb ze zo rond half twaalf opgehaald van het station. Stevig gearmd kwamen ze als laatste uit de trein het perron afgewandeld, beide met een veel te grote gewatteerde synthetische rode jas aan. Op zijn minst tweedehands. Mijn moeder heeft er knopen op gezet omdat de rits kapot was. “Het lijkt wel of ze bij de Bhagwan zitten”, dacht ik glimlachend en ook een beetje gegeneerd.

Na koffie en een glaasje is het tijd voor de warme maaltijd. Ik schenk de jenever trouwens in mooi gekleurde maar ook heel kleine borrelglaasjes. Ik ken mijn vaders haast bij het drinken, en zo kan ik meerdere keren inschenken zonder de kritische grens te overschrijden. Ik sta doodsangsten uit als ik eraan denk hoe hij vanmiddag van één of andere stationstrap met zijn wiebelige tred naar beneden zou kunnen kukelen.

“Je had wel kok kenne worden!” zegt pa, terwijl hij met smaak mijn bloemkool met gehaktbal en gekookte aardappels naar binnen werkt. Met de resten van zijn historische kunstgebit is dit gerecht beter te behappen dan de schnitzel die hij laatst in een eethuis bestelde. “Dat ding is zo taai als vetleer!”, zei hij toen, naar een kans speurend om extra bier te bestellen om er de boosdoener mee weg te spoelen. Mijn moeder heeft niet zoveel over mijn kookkunsten op te merken. Mijn vader hoefde nooit te koken. Behalve dan die ene avond per jaar, als mijn moeder een dagje met tante Dina naar Amsterdam was. Dan was pa aan de beurt.

Ik zie mezelf nog zitten, een jaar of tien oud, al aan de keukentafel, terwijl mijn vader, zijn werkkloffie nog aan, geheel volgens het voorgeschreven ritueel, zenuwachtig de soep opwarmt die mamma gisteravond heeft klaargemaakt. De soep – een onbestemd soort groentesoep met balletjes en veel vermicelli – zit in een gedeukt steelpannetje waarvan de steel nog slechts een stompje is. Je moet het met een oranje pannenlap vasthouden om je vingers niet te branden. Pa pakt een gebruikte lucifer – deze liggen in een aardenwerken bakje op het aanrecht – die hij aan de waakvlam van de geiser in het linker aanrechtkastje opnieuw tot ontbranding probeert te brengen om het gasfornuis ermee aan te steken. Ook ik pas die techniek al als vanzelfsprekend toe als ik alleen thuis ben en vuur nodig heb. Het lukt pa vandaag, zoals meestal, niet in één keer. Omdat hij het niet zo scherp ziet, en omdat de lucifer eerst onderweg een paar keer uitwaait. Maar als de soep warm is slobberen we hem in noodtempo naar binnen.

Na de soep haalt pa een vooroorlogs geëmailleerd koekenpannetje uit de kelder waarin een kliekje aardappels met boontjes, stukjes gehakt en gestolde vette jus zit. Even opwarmen en doorroeren, en klaar is Kees. Yoghurt toe. Ik met Roosvicee, hij met suiker. Soep, kliek en yoghurt overigens in hetzelfde bord. Net als hij, lik ik mijn gebarsten bord uit voordat we aan de volgende gang beginnen. In vind dat nog heel normaal, ofschoon we het niet doen als met Kerst tante Jeanet en ome Jan uit Amsterdam mee-eten. En ook als we aan het einde van de zomervakantie patat gaan eten, houden we onze tong binnenboord. Dus dat niet iedereen zijn bord uitlikt, is me wel duidelijk. Maar thuis hebben we onze eigen manieren. Zoals zowel mijn vader als ik niet mogen afwassen. Ook vandaag niet. Mamma wast nog wel af als ze vanavond thuis is.

Oud En Nieuw

Rembrandt “de presentatie in de tempel”

De oude tempeldienaar Simeon krijgt op de drempel van zijn eigen dood, het pasgeboren kindje in zijn handen gedrukt. Als hij – hoewel nagenoeg blind – het kindje zíet, en de toekomst die het meebrengt, kan hij pas in vrede heengaan. Het leven loslaten, omdat het leven dóórgaat. En nieuw en licht zal zijn.

Misschien ziet hij meer met zijn ziel dan met zijn ogen. Het kindje dat geldt als belofte voor de toekomst is immers ontheemd geboren in een stal, in een voerbak gelegd en in oude doeken gewikkeld. Een machteloos kleintje.

Daarom doet de houding van Simeon me denken aan de woorden over hoop die aan Vaclav Havel worden toegeschreven:

Hoop
Diep in onszelf dragen we hoop:
als dat niet het geval is,
is er geen hoop.

Hoop is de kwaliteit van de ziel
en hangt niet af
van wat er in de wereld gebeurt.
Hoop is niet voorspellen of vooruitzien.
Het is een gerichtheid van de geest,
Een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon verankerd.

Hoop
in deze diepe en krachtige betekenis
is niet hetzelfde als vreugde
omdat alles goed gaat
of bereidheid je in te zetten
voor wat succes heeft.

Hoop is ergens voor werken
omdat het goed is,
Niet alleen omdat het kans van slagen heeft.
Hoop is niet hetzelfde als optimisme,
evenmin de overtuiging
dat iets goed zal aflopen.
Wel de zekerheid dat iets zinvol is
afgezien van de afloop,
het resultaat.

Ik wens jullie een vreugdevol en hoopvol 2023

Effe Stil

Ze is er zuinig op geweest, al die jaren. Van haar vader gekregen, zei ze. Of het waar is weet je niet. Haar herinneringen vertekenden de laatste tijd. Ze kan het ook van haar man, je eigen vader hebben gehad. Maar dat het al heel lang bij haar was, minstens zestig jaar, betwijfel je niet.

Je hebt het, zo herinner je je al schrijvend, zélf van haar linkerpols gehaald, die laatste dag dat ze leefde. Toen ze buiten bewustzijn was geraakt na de zware beroerte en je niet wilde dat ze door welke irritatie dan ook zou worden gekweld. Bovendien kon je zonder het horloge beter “vinger aan de pols” houden. Met de twee vingers van je rechterhand aan de slagader van haar linkerpols voelde je het leven onomkeerbaar wegvloeien. Je voelde zelfs een zekere trots dat je zelf – zoon zo dichtbij – de dood kon constateren. Daar hoefde geen vreemde aan te pas te komen.

Ze droeg het op zaterdagavond en op zondagmorgen, en tijdens heel bijzondere gelegenheden. Als ze je een nachtkus kwam geven terwijl beneden het geroezemoes van de verjaardagsvisite aanzwelde. Haar adem had die zeldzame lichte zweem van Hartevelt jenever die haar – je weet niet waarom – extra waardigheid gaf. Vertrouwvol zakte je weg in een droomloze slaap, alsof de hoorbare aanwezigheid van de grote familie en de tot de zolder doordringende overdadige sigaren- en sigarettenrook van de grote mannen een allesomvattende geruststelling inhielden. Nu hoefde je al helemaal nergens meer bang voor te zijn. Iedereen die van je hield was oorverdovend nabij.

Ze zal het hebben gedragen toen ze trots naast je stond tijdens je Eerste Communie, de toediening van het Heilig Vormsel, tijdens de plechtigheden op de priesteropleiding, toen je je eerste stappen dacht te zetten naar dat heilig ambt. Maar ook zal ze het kostbaar kleinood hebben gedragen toen je uiteindelijk – aanvankelijk tot haar teleurstelling een andere weg ingeslagen – trouwde, en toen je kinderen werden gedoopt. Rechtop, alsof ze helemaal volwaardig moeder was door oma te zijn geworden.

Ze zal het met zorg hebben omgedaan op de dag dat ze haar man ten grave moest dragen, zoals ze het zo dikwijls zal hebben gedragen tijdens een onomkeerbaar afscheid. Omdat je in een lang leven nu eenmaal veel los hebt te laten. Tot je uiteindelijk ook jezelf moet laten gaan.

Ze kon met haar ene oor nog altijd horen of het horloge liep. Dát het liep was vele malen belangrijker dan of het op tijd liep. Haar “hoor-oor” zoals ze het noemde, registreerde – “effe stil” zei ze – de zachte tikjes van het uurwerk. Zal ze het die laatste keer dat ze door je werd opgehaald ook nog hebben gedaan? Ze was in ieder geval uitzonderlijk helder, die zondag waarop ze – achteraf – haar laatste aardse week inging. Toen ze tegen je zei dat ze wel naar pa wilde, nu ze begreep de grip óp en het begrip ván het hier en nu kwijt te zijn. Niet meer bij de tijd te zijn.

Je draagt het onbewust al een poosje bij je. Waarom je het in je winterjas hebt gestopt, weet je eigenlijk niet. Het zit bij je rozenkrans in het kleine borstzakje. En hoe je ook je éigen “hoor-oor” inspant, je ontwaart geen zachte tik. Je zou het naar de horlogemaker kunnen brengen. Maar misschien is het voorlopig juist goed dat het niet meer loopt. Om de onherroepelijkheid ervan. En om af en toe even te luisteren hoe de stilte klinkt.

En Toen Werd Het Kerst

En toen werd het Kerst. We konden met J. Boere (de buurman) mee naar de Nachtmis. Ja, de mooiste Kerst van ons leven. De geboorte van Jezus herdenken, en zelf het leven in mij voelen bewegen. En de mensen die ons zagen, bemoedigden ons, en dat deed ons goed.

Zo heeft mijn moeder het opgeschreven, in haar plechtige stijl, haar verhaal over vijftig jaar geleden, toen ik voor het eerst Kerst meemaakte in de Sint Jan de Doper te Leimuiden, nog veilig in haar schoot. Zal ik tussen haar adem en hartslag door vanuit de baarmoeder het zingen hebben gehoord, het luiden van de klokken, het orgel? En de stemmen van de mensen die “Zalig Kerstfeest” zeiden en die mijn ouders “bemoedigden”? Dorpsgenoten die het wonder van deze zwangerschap konden zien. Na zoveel jaren kinderloosheid, zoveel lange jaren van verlangen en teleurstellingen.

Ik kan er niet omheen. Mijn moeder is er niet meer. Het wordt mijn eerste Kerst zonder ouders. Meer dan ooit realiseer ik me dat ik er ook níet had kunnen zijn; het is allesbehalve vanzelfsprekend dat ik hier al bijna een halve eeuw rondloop. En dat het leven toch door is gegaan, weer een generatie verder. Dat ikzelf ook vader geworden ben, en dat ik ook dit jaar weer Kerst vieren kan. Dat intense verhaal over hoe het licht juist op het donkerste moment van het jaar geboren wordt, als je het eigenlijk niet meer durft te verwachten.

Misschien rijd ik op kerstavond – ijs en weder dienende – naar Leimuiden, om op dezelfde plek als vijftig jaar geleden in de Sint Jan de Doper te zijn, in de Nachtmis, terwijl enkele meters verder de lichamen van mijn ouders rusten in de aarde. Terwijl de klok luidt, het orgel klinkt en we hoopvol zingen.

Al wie dolend in het donker in de holte van de nacht
en verlangend naar een wonder op de nieuwe morgen wacht.
Vrijheid wordt aan u verkondigd door een koning zonder macht.

Meneer Poliep En Zijn Vrouw

Dat ik nu toch zo dichtbij de plek zou bivakkeren waar ik zo’n veertig jaar geleden mijn eerste indruk van de Waddeneilanden opdeed. Een mooie, maar uiteindelijk ook huiveringwekkende herinnering dringt zich op.

Naast de typisch Texelse “schapenboeten”, de mooie, met de rug naar de wind gekeerde stalletjes, springt, en sprong ook toen bij het verlaten van de boot het ranke kerkje van Den Hoorn onmiddellijk in het oog, terwijl mijn moeder een zucht van verlichting slaakte, aangezien we de – voor haar – barre tocht met de veerboot hadden overleefd. Deze verlichting was van voorbijgaande aard, want ze zag ongetwijfeld toen ook al ernstig tegen de terugreis op. Om de boot, én om het feit dat de chauffeur van de bus tijdens het rijden met de passagiers práátte en af en toe zelfs even ómkeek.

Maar je moest er wat voor overhebben. Een slapeloze nacht bijvoorbeeld, omdat mijn vader uit wantrouwen jegens “dat rotding” weigerde de wekker te zetten. In plaats daarvan werd hij de nacht voor een dergelijke gebeurtenis ieder half uur wakker, en stommelde hij uiteindelijk rond half vijf alvast grimmig zijn bed uit.

Het zal op een zaterdag in het voor- of naseizoen zijn geweest dat we al vroeg in de morgen op het dorpsplein de touringcar van “De Snelle Vliet” instegen voor een zogeheten “dagtocht”. Een advertentie in de krant enkele weken eerder had mijn ouders overtuigd dat dit een geschikte vakantietrip zou zijn. En ik kan nog steeds meewarig voelen dat ze hiermee oprecht meenden mij iets van “de wereld” te laten zien. Maar dan wel op een manier die voor hen enigszins behapbaar was. Want echt avontuurlijk was het niet, en al helemaal niet afgestemd op een negenjarig kind.

De medereizigers van gemiddeld een jaar of vijfenzeventig waren allemaal grijs of kaal, bebrild en gehuld in beige outfits. En in mijn herinnering praatten ze allemaal oorverdovend hard en met consumptie, en vooral tegen mij. Ik mocht gelukkig af en toe een stuk naast de chauffeur zitten. Die heette ook Piet, en de verwondering over zo’n jonge naamgenoot in de bus spoorde hem aan menig grap te maken, tegen mij, maar ook door de microfoon. “Het is hier een Pieterig zooitje”, en natuurlijk “Als u nu hier naar links kijkt, ziet u rechts niks”.

Tot aan de lunch was het best interessant. Ik vond de koffie met appeltaart en slagroom in een grote “gelegenheid” ergens in de kop van Noord-Holland erg lekker. Het eiland was mooi; er lag een ander licht over het landschap en zoiets maakt onbewust indruk op een gevoelig kind. En de lunch met witbrood, en de kleine kuipjes jam en pindakaas, was ook nieuw en smakelijk. Maar toen we daarna een paar uur vrij te besteden hadden op het eiland, ging mijn vader natuurlijk al snel op zoek naar een “gelegenheid” waar hij bier kon krijgen, om de spanning van zo’n verre reis enigszins te verzachten. En vanaf dat moment verarmde de sfeer. Anderen gingen winkelen, maar pa hoopte vooral dat hij er voor het vertrek van de bus “nog één kon nemen”.

De terugreis werd ronduit zwaar. Vooral omdat mijn vader in de bus een echtpaar uit zijn geboortedorp ontdekte. De vrouw deelde voortvarend aan ons mede dat haar man “een poliep” in zijn neus had, en daar was verbazingwekkend veel over te vertellen. Dat hij onderzoeken onderging, dat nog niet duidelijk was of het goed- of kwaadaardig was, maar dat hij er door snurkte en uit zijn mond stonk. Ik dacht eigenlijk dat ál deze mensen uit hun mond stonken, al wisten ze dat met overvloedige eau de cologne te verdoezelen.

De man met de poliep – voorzien van een buitengewoon nurks uiterlijk – deed er vooral het zwijgen toe. Maar zijn vrouw vertelde spetterend en veel te dichtbij, vanaf de bank vóór ons, achterstevoren over de leuning heen hangend, met een dik en verhit hoofd, dat er af en toe bloed uit zijn neus kwam, dat de poliep gestaag groeide, en dat het allemaal niet meeviel.

Moe, misselijk en murw van het gehobbel én van de poliep hing ik in mijn stoel, tot het moment dat we in weer een andere “gelegenheid” het diner gebruikten. De twee consumpties die bij de prijs waren inbegrepen, waren al ruim vóór het hoofdgerecht – schnitzel ongetwijfeld – achterovergeslagen, zodat mijn vader ongeduldig met zijn vingers knippend de aandacht van de ober probeerde te krijgen, voor nóg een biertje.

Waren er foto’s gemaakt, dan had je daarop temidden van de bejaarden mijn bleke of juist roodgloeiende koppie kunnen zien, tegen mijn lieve moeder aangeleund, terwijl mijn eindelijk ontspannen vader, met dubbele tong, begonnen was mensen uit te nodigen voor een avondje bij ons thuis, en de vrouw van Meneer Poliep probeerde haar man te overreden zijn neusgat met het betreffende euvel aan de disgenoten te tonen.

Van de thuiskomst in het donker herinner ik me niet veel meer dan een allesoverheersende moeheid en zinnen als “Hij is het zo zat als uitgespogen spek!” Ja, vind je het gek? Waarschijnlijk viel ik uitgeput in slaap.

Of ik die nacht gedroomd heb hoe de bloederige torenspits van Den Hoorn langzaam ondersteboven uit de neus van Meneer Poliep kwam zakken, heb ik wellicht verdrongen. Wel is hij enkele weken later met zijn vrouw, onder het genot van meer dan één drankje, nog een avond over de voortgang van de kwaal komen praten. Ook daar mocht ik bij zijn. Gezellig.

Alles is Anders dan Anders

“Nazomer ’72, Alles is anders dan anders. Al ons denken en doen is gericht op de toekomst, op het nieuwe jonge leven dat in januari ’73 wordt verwacht”. Twee foto’s op de pagina. Mijn vader Piet, druk bezig met het oogsten van grauwe erwtenbonen in zijn tuintje, en mijn moeder Agatha, gehurkt bij het vogelhuis, met de oude zwarte kat Coby op schoot. Het kon wel eens de enige “zwangere foto” van mijn moeder zijn. Vijftig jaar geleden gemaakt, in hetzelfde seizoen als dat waarin ze kortgeleden stierf.

Ik zie ze voor me, een halve eeuw geleden. De tuin van het boerendaggeldershuisje is zwanger van voldragen leven. Binnen de door mijn vader zorgvuldig geteerde houten omheining heeft het jaar haar zwaartepunt bereikt. Mijn moeder fotografeert hem met hun oude Agfa Click, die nog stamt uit hun huwelijksjaar 1958, terwijl hij in de nazomerzon rustig en zelfverzekerd met behendige handen de bonen afritst. Ze zal met vertedering naar hem hebben gekeken. Hoe hij, met zijn dunner wordende rode haren, doelgericht door het vertrouwde, van oorsprong Veense gewas gaat, zoals hij dat sinds zijn vroege jeugd gewend is. Ze houdt van hem, deze sterke maar ook aandoenlijke man, terwijl ze zijn zoon in haar schoot draagt.

Hij ziet haar, en probeert met zijn slechte ogen ook een kiekje te maken. Zijn vrouw, zijn alles, die neerhurkt onder het vogelhuis dat ze ongetwijfeld zelf heeft gemaakt. Dat ze nu, na ruim veertien jaar huwelijk alsnog zwanger is, is voor hem een onwerkelijk verhaal. Al die jaren van verlangen en vruchtbaarheidsonderzoeken en -behandelingen, en sinds een paar jaar de rust van “nou ja, dan proberen we zonder kinderen gelukkig te zijn”. Het is voor hem, die niet zo van veranderingen houdt, een hele stap. Het betrekkelijk zorgeloze kleine leven dat ze leidden was voor hem eigenlijk groot genoeg. En dan nu, toch, dit wonderlijke, dit ongekende.

De kat op haar schoot zoekt haar nog méér op dan anders. Aan het einde van haar eigen levenslustige leven gekomen, voelde Coby het nieuwe leven aankomen. Zal ze jaloers zijn geweest, of vooral zorgzaam? Ik denk het laatste. Ze zal het aangevoeld hebben, al die jaren, het verdriet en het verlangen. Enkele dagen voor mijn geboorte heeft mijn moeder Coby, die terminaal was, laten inslapen. “Een dier…..O, een dier….daar kun je zóveel van houden!” zei ze zo dikwijls. Zelfs zoveel dat ze het eigenlijk later nooit meer aandurfde om een kat te nemen. Ik denk dat de kat in al die kinderloze jaren een onmisbare troosteres is geweest. En dat haar taak was volbracht toen ik kwam.

Ik gun het mezelf om tijdens deze langgerekte nazomer van 2022 met tederheid en nostalgisch terug te kijken in de vergeelde pagina’s van het oude fotoboek. In januari word ik 50, zo’n tien jaar ouder dan mijn ouders toen waren. Het is soms alsof ik na hun dood dichterbij ze kom dan ik tijdens hun leven was. Alsof zij nu zelf hun verhaal van toen aan me vertellen, zonder de vertroebelingen van het hier-en-nu, de interpretaties achteraf. Ik zie eenvoudige mensen in een eenvoudig leven, in een veilig omheinde tuin, een zelfgeschapen paradijsje. En ik zie er mijn oorsprong, tussen de kat en de erwtenbonen in de najaarszon.

Hoe moet het nou met Tante?

Anderhalve week nadat we mijn moeder na een ingewikkelde periode in haar oude flatje in Alphen aan den Rijn, naar het verpleeghuis in Leeuwarden – bij ons om de hoek – hadden verhuisd, nam ook in de kamer naast haar een nieuwe bewoonster haar intrek. “Kijk eens, daar zit Tante”, zei ma de eerstvolgende keer dat ik bij haar op bezoek kwam, terwijl ze de kleine kordate dame toeknikte. Met een mengeling van genegenheid en bezorgdheid keek ze naar de vrouw die, net zo gedesoriënteerd als zij, haar weg probeerde te vinden in een nieuwe en verwarrende omgeving.

Of ma haar Tante noemde vanwege enige gelijkenis met een ver familielid is mij altijd een raadsel gebleven. Het ging in mijn ogen aanvankelijk dan ook eerder om een functie dan om verwantschap. Tante vervulde de rol van eerste herkenningspunt, temeer daar het verzorgend personeel destijds verplicht achter mondkapjes schuilging. Als twee schelpen aangespoeld op een vreemd strand. Vanaf dag één was het “goedemorgen Tante”, en Tante zei “goedemorgen buurvrouw” terug.

Dat het humeur van Tante soms niet zo denderend was, en haar verzet tegen de “opsluiting” vaak indrukwekkend, weerhield mijn moeder er niet van haar vanaf de eerste kennismaking onvoorwaardelijk tot steun te zijn. Ze hielp Tante – ongevraagd en nauwelijks afgestemd – in en uit haar stoel, gaf haar haar eigen – gebruikte – zakdoekjes, troostte haar als ze verdrietig was, en stelde haar gerust als ze overstuur was.

Soms werd het Tante wel wat teveel, want al die liefdevolle aandacht kon ze – wie weet vanuit welke verdrietige ervaringen in haar vergeten verleden – maar ternauwernood aanvaarden. En dan werd ze met een mooi Fries woord “gremietig”. Maar gelukkig kon ma meestal niet goed verstaan wat haar op zulke momenten werd toegevoegd. Bovendien begint, als de dementie je zo in haar greep heeft, iedere minuut de dag weer opnieuw.

Kort nadat een escalatie was gesust, kon je mijn moeder op haar knieën op de grond voor de stoel van Tante aantreffen, om de schoenen aan haar stramme voeten – die enkele centimeters boven de grond bungelden – te helpen en de veters te strikken. Tante was immers van plan de benen te nemen. En iedere hulp daarbij was welkom. Zover kwam het natuurlijk niet, dankzij de deurvergrendeling, maar meer nog dankzij de liefdevolle afleiding die de dienstdoende verzorgenden boden.

Het was al gauw weer koffietijd, of etenstijd. En op zon- en feestdagen, of als één van beiden dácht dat het een zon- of feestdag was, werd er een advocaatje met slagroom verstrekt. Toen de coronamaatregelen werden versoepeld werd de wereld gelukkig weer groter en vriendelijker. Maar ook toen, tijdens de boottocht over de Friese Meren, of het ritje met de paardentram, bleven ma en Tante trouw naast elkaar zitten. Zoals ze ook samen genoten van een ijsje in de zon, of van het draaiorgel voor de deur.

“Hoe moet het nou met tante?” vroeg ma dan ook dikwijls als ik haar op zondag kwam halen om bij ons thuis koffie te drinken. Ik vertelde ma dat we over een paar uurtjes weer terug waren, en voor Tante stond de televisie aan. Bij ons thuis had ma geen idee over wie ik het had wanneer ik Tante noemde, zoals ze ook niet kon geloven dat ze in Leeuwarden was, en in een “bejaardenhuis” woonde. Maar zodra ik haar terugbracht en we Parkhoven naderden zei ze blij: “Kijk, daar woon ik!” en als we de deur binnenkwamen klonk het liefdevol: “Kijk, daar zit Tante!”

Het schijnt dat ze elkaar ’s avonds, als ze zo rond de klok van acht uur uitgeput naar bed werden gebracht, dikwijls een nachtzoen gaven. Als een stukje veilig thuis voor elkaar. “Welterusten Tante!” “Lekker slapen, buurvrouw!” Toen ma vier weken geleden, na anderhalf jaar in Leeuwarden, vrij plotseling stierf, was dan ook één van mijn eerste gedachten “Hoe moet het nu met Tante?”. Maar toen ik gisteren wat nagezonden post ging ophalen, kreeg ik het antwoord al. Twee weken na mijn moeder, is ook Tante, nét zo plotseling, stilletjes uit het leven weggegleden.